Tijd onthult alles…
Popmuziek, ontwikkeling, carrières
Time ’s a revelator
Ich will eure Phantasie
Ich will eure Energie
Ich will eure Hande sehen
Ich will in Beifall untergehen
Hort Ihr mich ?
Fuhlt Ihr mich ?
beste collega’s, lieve vrienden en familie
Do it!
Ongeveer in deze tijd van het jaar, om precies te zijn, op
23 december 1985, zitten James Vance en zijn vriend Raymond
Belknap bij elkaar in de kamer van James. Deze twee achttien- en twintigjarige
jongens wonen in het plaatsje Sparks, aan de rand van de woestijnen van Nevada. Een middag zoals zo vele.
Zij drinken een paar sixpacks bier en roken weed. Zij draaien hun favoriete muziek, heavy metal, en Judas
Priest blijft urenlang op de draaitafel liggen.
SHEET 2 Judas Priest
Op een gegeven moment zetten zij halfdronken, stoned en aangevuurd door de harde muziek de
kamer op zijn kop en vernielen alles behalve -saillant detail- de pick-up en de platencollectie. In die rotzooi, tussen lege bierblikjes en peuken van joints
zweren de kameraden elkaar trouw tot in de dood. Tegen de schemering blijkt die eed allerminst een
adolescente grap. Met Raymond’s geweer fietsen zij naar de speeltuin bij de kerk. Raymond zet de loop van
het geweer onder zijn kin en haalt de trekker over. Hij is onmiddellijk dood.
James wacht nog minuten lang voordat hij zelf zijn deel van het pact inlost. Ook hij zet
uiteindelijk het wapen onder zijn kin en drukt af. Hij schiet echter ‘alleen maar’ een deel van zijn
gezicht er af. In een scène die zelfs in een horrorfilm ongeloofwaardig zou overkomen, klimt hij op zijn
fiets en rijdt door het stadje.
Drie jaar later overlijdt hij in de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis, depressief en
afhankelijk van pijnstillers. Zijn moeder en de ouders van Belknap klagen Judas Priest in de zomer van
1990 aan wegens het aanzetten tot zelfmoord. Hun advocaten beweren dat de plaat van de Britse band een
subliminale boodschap bevatte :
DO IT, DO IT!
Deze aansporing stond niet openlijk op de plaat, maar was alleen goed te horen wanneer de plaat
achteruit gespeeld werd. De aanklagers beweerden dat via deze techniek van ‘backward masking’ jongeren
belaagd werden met in dit geval zelfs dodelijke boodschappen. (Cooper, 1989).
SHEET 3 CPC
Een sociaal-wetenschappelijk perspectief op de studie van artiesten en hun
publiek
Waarom vertel ik u dit tragische verhaal van twee Amerikaanse adolescenten? Het laat zien
hoe gemakkelijk volwassenen in popmuziek een duivels medium zien. Maar dat is niet de belangrijkste
reden.. Die is dat ik, net als de aanklagers, popmuziek serieus neem. Ik heb nogal een hekel aan
pseudo-wetenschap, maar ik ben er, net als zij, van overtuigd dat popmuziek iets doet met
mensen.
Ik heb mij voor deze rede natuurlijk moeten beperken. Het Centrum voor Populaire Cultuur
bestudeert onder meer de globalisering van popcultuur, popmuziek en internet, en technologie en muziek.
In deze oratie bespreek ik met name popmuziek in relatie tot de persoonlijke ontwikkeling. Verder ga ik
kort in op de carrières van een wel heel speciale groep popliefhebbers, de popmuzikanten.
SHEET 4 Judas Priest 2
Wat popmuziek wel en niet vermag
Het proces sleept zich maanden voort. Er treden experts op die niet alleen beweren dat
‘backward masking’ waarneembare boodschappen bevat, op zich al een krankzinnige stelling, maar ook dat
die boodschappen werkzaam zijn.
De defensie brengt in dat ‘DO IT’ een weinig specifieke aansporing is die alleen tot zelfmoord
kan leiden als mensen daartoe al neigen. James en Raymond waren allerminst twee doorsnee jongens. Beiden
hadden hun school niet afgemaakt en leefden een ongeregeld leven. Beiden waren in hun jeugd mishandeld
door hun ouders. Belknap werd verdacht van diefstal en het martelen van dieren, altijd een omineus teken,
en hij had al eerder geprobeerd zelfmoord te plegen.
Vance was dertien keer van huis weggelopen en in behandeling bij een alcohol- en drugscentrum.
Hij had al eens zijn moeder bedreigd met een pistool en haar proberen te wurgen. Voor dergelijke jongens
zou de aansporing ‘Do it’ de betekenis kunnen hebben van ‘stap er maar uit’, maar als dat zo was, dan
ging die suïcidale dispositie vooraf aan het luisteren naar platen. Judas Priest maakte hen niet
suïcidaal, zij waren het al. De rechtszaak werd, tot grote opluchting van de band, uiteindelijk
gewonnen.
Dit verhaal van twee ongelukkige Amerikaanse jongens geeft naar mijn mening precies aan wat
muziek wel en niet vermag in een bepaald type situatie. Wanneer ouders in hun opvoeding iets kapot maken,
dan kunnen vrienden dat moeilijk repareren. In die situatie is muziek misschien een troost, maar het is
en blijft een schrale troost. Muziek is voor een sommige jonge mensen in die positie wel een
reddingslijn, al heeft dat James en Raymond niet genoeg geholpen.
SHEET 5 CCCS
Niet jongeren zijn het probleem, maar de media
In 1990 was er weinig wetenschappelijk materiaal ontrent het verband tussen popmuziek en
probleemgedrag. Popmuziek was inmiddels wel de sociale wetenschappen binnengedrongen en dan met name in
het veld van de cultural studies. Een groep jonge onderzoekers van het Centre for Contemporary
Cultural Studies aan de Universiteit van Birmingham (CCCS) bestudeerde popmuziek als een onvervreemdbaar
deel van de eigentijdse jeugdculturen. Deze neo-marxisten zagen in de jeugdige rebellen van de jaren
zestig een nieuwe type van verzet tegen de burgerlijke hegemonie. De nieuwe rebellen kenmerkten zich niet
door de staking, de langzaam-aan-actie of het pamflet, maar door gekke kleding, drugs en onaangepast
gedrag, ofwel: stijl als verzet (Hall & Jeferson, 1976, Hebdige, 1979)
Probleemgedrag was binnen het CCCS wel object van onderzoek, maar dan op een ‘omgekeerde’
manier. Niet de jongeren die buitenissig gedrag vertoonden moesten gecategoriseerd worden als
problematisch, maar de media die dergelijke verschijnselen opklopten tot een ‘morele paniek’.. Zij
maakten van onschuldig gedrag een drama.
Voor de relatie tussen popmuziek en individueel probleemgedrag moeten wij terug naar de VS. In
dat land, en waar niet trouwens, is vaker heftig negatief gereageerd op popmuziek of het nu de dansrages
van de jaren twintig betreft, duivelse blues, de heupbewegingen van Elvis, of LSD-slikkende hippies. In
de VS zaten midden jaren tachtig vooral heavy metal en hiphop/rap in de beklaagdenbank
SHEET PMRC
De volksopvoeders van het Parents’ Music Resource Centre (PMRC) lieten een heldere
argumentatie klinken: uw kinderen luisteren vijf tot zes uur per dag naar muziek, en u weet hoe
belangrijk dat voor hen is. Staat u toe dat zij dag in dag uit vergiftigd worden met gewelddadige,
duivelse en perverse onzin? De muziekindustrie werd ertoe gedwongen om op hoezen stickers te plakken die
waarschuwden tegen obscene en gewelddadige teksten. Voor de jeugd werden deze stickers natuurlijk een
soort kwaliteitskeurmerk.
SHEET 7 Country
Country en zelfmoordrisico
Steven Stack en Jim Gundlach behandelen in 1992 als eersten het probleem van muziek en
zelfmoord. Zij verrassen nogal met een verband tussen het witste en meest patriottische genre in de
Amerikaanse muziek en het plegen van suïcide: het luisteren naar country is een risicofactor voor
zelfmoord. Countryliedjes betreffen in drie van de vier gevallen gebroken of moeizame relaties, een zelfs
voor popmuziek hoge score. Alcoholmisbruik wordt gepresenteerd als normaal gedrag in crisissituaties en
een algemene toon van fatalisme en hopeloosheid doordrenkt dit muzikale erfgoed. Scheiding,
alcoholmisbruik en depressie zijn bekende voorspellers van suïcide. De muziek bevat dus een aantal
thema’s die zelfmoordplannen kunnen verdiepen.
Stack en zijn collega’s (1994) zouden verder proberen te bewijzen dat in steden waarin het
metal-fanblad Metal Edge veel verkocht wordt, het zelfmoordpercentage hoger ligt. Ook een voorkeur
voor blues heeft drie, zij het, indirecte effecten: blues fans gaan minder vaak naar de kerk, zijn
hoger opgeleid en minder politiek conservatief en om die reden lopen bluesfans een verhoogd
zelfmoordrisico (Stack, 2000). Stack (2002) beweert ook dat operaliefhebbers zwaar op de hand zijn en
vaker dan niet-operaliefhebbers zelfmoord acceptabel vinden.
SHEET IP EP
Heavy metal: risico of troost?
Probleemgedrag wordt in de sociale wetenschappen wel onderverdeeld in twee hoofdcategorieën:
internaliserend en externaliserend probleemgedrag. Onder internaliserend probleemgedrag vallen onder meer
symptomen van angst, depressie, zelfmoordgeneigdheid, zelfverminking en psychosomatische klachten.
Externaliserend probleemgedrag behelst met name agressie, regeloverschrijdend gedrag en delinquentie,
drug- en alcoholmisbruik en ander risicovol gedrag.
SHEET Metal
Zijn metal-fans problematisch? Uit onderzoek van de vroege jaren negentig blijkt dat metal-kids
over het algemeen een slechtere verhouding tot hun ouders hebben dan andere jongeren. Zij voelen zich
vaker vervreemd van de volwassen instituties en hebben vaker het idee dat zij moeilijk hun leven vorm
kunnen geven. Metal is op zich geen deprimerende muziek. Metal-fans reageren niet vaker somber op hun
muziek dan andere typen luisteraars op hun favoriete muziek .Wel bleken er opvallende verschillen tussen
mannelijke en vrouwelijke metal-fans. Metal-meisjes neigen meer naar zelfverminking en depressie, en
peinzen vaker over zelfmoord.
Wat voor jongens duidt op fun zou dus voor meisjes wel eens kunnen wijzen op problemen.
Jaren tachtig metal -de keiharde muziek, het macho-gedoe met leren pakken en motoren, de altijd schaars geklede
platinablonde bimbo’s die in clips figureren- passen voor jongens kennelijk gemakkelijk en probleemloos in het adolescente arsenaal aan
verbeelding en fantasie, terwijl voor meisjes de keuze voor metal eerder een teken is dat zij afwijken
van het culturele schema waarin een voorliefde voor pop dominant is (Arnett, 1996; Martin, Clarke &
Pearce (1993).
Recent Canadees onderzoek versterkt dit beeld. Uit analyses blijkt wel dat het niet de
muziek is waardoor meisjes vaker aan zelfmoord denken. Dat is eerder het gevolg van verwaarlozing door
hun ouders en een algeheel gevoel van vervreemding, onmacht en stuurloosheid. De meisjes die heavy metal
gebruiken om zich emotioneel te ontladen, en hun woede en agressie kwijt te raken zijn juist weer minder
geneigd tot zelfmoord (Lacourse, Claes & Villeneuve, 2001). Herrie kan dus helend werken.
Dat neemt niet weg dat metal in vrijwel alle onderzoek wel geassocieerd is met een heel scala
aan externaliserend probleemgedrag. Amerikaanse, Canadese en Australische mannelijke metal-fans zouden zo
kunnen optreden in een teenage delinquency movie uit de jaren vijftig. Metal-jongens rijden
vaker dronken, te hard, of zonder gordel, zij gebruiken meer marihuana, cocaïne en andere drugs, en –als
dat tenminste al probleemgedrag is, maar in de VS is dat zo–, zij hebben vaker seks met vrouwen die zij
niet zo goed kennen. Ook de meisjes-fans wijken nogal af van het stereotype van de brave studente of de
sportieve cheerleader. Zij gebruiken vaker geen anticonceptiemiddelen bij het vrijen, roken meer
marihuana en maken zich vaker schuldig aan winkeldiefstal en vandalisme. In multivariate analyses waarin
gecontroleerd wordt voor met name de verhouding tot de ouders blijven de meeste van deze effecten
overeind (Arnett, 1991; Lacourse, Claes & Villeneuve, 2001; Martin, Clarke & Pearce,
1993).
Toch schreven Jeffrey Arnett (1996) en Deena Weinstein (1991) boeken die het
ongedifferentieerde en negatieve beeld van metal-fans ingrijpend bijstelden. Het metal utopia is meer dan
een walhalla van bier, motoren en half-blote vrouwen.Kenmerkend is een vaag, maar zich sterk opdringend
besef dat deze werelds ten ondergang gedoemd en dat het een vijandige plek is voor ‘mensen zoals wij’,
naast, natuurlijk, de aloude kernthema’s van de popmuziek: romantiek en sex. Uit dit etnografische
onderzoek komt naar voren dat deze muziek met name voor jongeren in een moeilijke positie buitengewoon
belangrijk is; deze muziek is hun leven, omdat dat verder zo miserabel is. Natuurlijk is metal
geassocieerd met problemen, maar, zo meent Arnett, het leven van een deel van de metal-fans zou er nog
beroerder uitzien als zij die muziek niet hadden. In de muziek en de cultuur daaromheen vinden zij wat
zij thuis en in een bredere maatschappelijke context missen: warmte, kameraadschap, betekenis. Weinstein
omschrijft de Amerikaanse metal-fans als zelfbenoemde ‘paria’s’: uitgestotenen, maar trotse
uitgestotenen,torts op hun muziek en de metal- subcultuur. Ik denk niet dat deze kwalificaties onverkort
gelden voor Nederlandse metalfans, maar dat ook hier jongeren met problemen zich laven aan die
muziek, is aannemelijk. Overigens kon metal zelf wel eens een minder deviant genre geworden zijn. Vooral
voor meisjes is metal inmiddels een minder afwijkende keuze dan tien of twintig jaar geleden: met de
popularisering van het subgenre gothic is de metal-cultuur en -fantasiewereld sterk aan het
vervrouwelijken.
SHEET hiphop
Hiphop en de cultuur van armoede
En hoe zit het met dat andere zwarte schaap van de hedendaagse popmuziek: hiphop ofwel rapde
ban gedane genre: rap ofwel hiphop? Rap is, en dat verbaast misschien, nooit sterk geassocieerd geweest
met conflicten met ouders, agressie en regeloverschrijdend gedrag. Rap is dus in die zin geen deviant
genre als metal (Christenson & Roberts, 1998). De beeldcultuur rondom hiphop is wel geassocieerd met
negatieve ontwikkelingsuitkomsten. In een experimentele opzet vonden Johnson, Jackson en Gatto (1995) een
resultaat dat in zijn maatschappelijke doorwerking uiteindelijk wel eens veel belangrijker zou kunnen
zijn dan de vermeende geweldseffecten die dit type discussies altijd domineren. Zwarte respondenten die
rapvideo’s hadden gezien –gangster- en niet-gangster-clips- getuigden in een latere test van lagere academische aspiraties dan leeftijdgenoten die geen
video’s gezien hadden. Het symbolisch universum van de rap –de hood, de homies, de bitches– zo speculeren
de onderzoekers, roept beelden op van een zwarte ‘culture of poverty’ die met name voor working class
jongens implicaties heeft van marginaliteit, inferioriteit en hulpeloosheid.
Hier botsende de cultural studies frontaal op de experimentele traditie binnen de sociale
wetenschappen. Onderzoekers uit de cultural studies hoek vinden steeds weer dat rap de hoeksteen is van
een zwarte, jeugdige identiteit De basis voor zelfrespect en trots op de eigen cultuur. De scherpe
kantjes van de gangsterrap worden in dit vertoog afgeslepen.
De experimentatoren komen echter tot de verontrustende conclusie dat muziek en de ermee
geassocieerde beelden in ieder geval in de VS zwarte working class jongeren eerder op hun plaats houden
dan mobiliseren. Clips bevestigen stereotype man-vrouw opvattingen, gloriëren machogedrag en ruwheid in de omgang, en legitimeren mislukking op
school. Het is een uitvergrote vorm van hun eigen subcultuur waaruit geen ontsnapping mogelijk lijkt en
die zelfs in zijn utopie –de eindeloze stoet witte auto’s, gouden kettingen, villa’s met zwembaden en
mooie, gewillige vrouwen– niet meer is dan een omgekeerde ‘culture of poverty’. Keith Roe (1995) schreef
al dat deviante jongeren deviantie media kiezen, en die keuze is kennelijk niet zonder
gevolgen.
Sommige academici zien in de gangsterrap een cynische cultuurindustriële exploitatie van
marginale elementen uit de Afro-amerikaanse cultuur en zij beklagen het feit zwarte artiesten tot op de
dag van vandaag in een muzikaal getto gehouden worden (Maultsby, 1995). De afgedwongen stereotype
presentatie van zwarte cultuur dient alleen de commercie. Deze academici vragen dan ook om andere helden,
of dezelfde helden in minder stereotype clips en poses. Toch is dat, met alle respect, het paard achter
de wagen spannen. Verandering van beeldvorming neemt misschien bij kwetsbare jongeren de associatie met
een ‘culture of poverty’ weg, maar het verandert de subcultuur waarin zij leven zelf niet. De jeugd heeft
geen andere clips nodig, maar beter onderwijs.
Popmuziek en probleemgedrag in Nederland
Overzien wij het geheel van studies naar popmuziek en probleemgedrag dan vallen een paar zaken
op:
SHEET Conclusies 1
· Popmuzikale preferentie is een relevante voorspeller van probleemgedrag. Niet alleen heavy
metal en rap worden in verband gebracht met probleemgedrag maar ook country, blues en
opera.
· Wel is duidelijk, en dat wanneer er sprake is van een mogelijk negatief effect van muziek op
depressie en suïcidaliteit, dat effect grotendeels wegverklaard wordt door familieachtergrond
-verstoorde verhouding tot de ouders-, of door ervaren marginalisering -gevoelens van onmacht en vervreemding. Muziek is in die zin ‘ongevaarlijk’.
· Popmuzikale preferenties lijken vooral wel een goede marker voor externaliserend
probleemgedrag. In de Angelsaksische wereld zijn met name metalfans nogal al eens betrokken bij
regeloverschrijdend gedrag en alcohol- en drugmisbruik.
· Het is opvallend dat sommige genres voor bepaalde typen kwetsbare jongeren –metal voor sommige
meisjes en rap voor working class zwarte jeugd- aantrekkelijk zijn. In die zin bevestigt een keuze voor niet-mainstream muziek een
niet-mainstream positie op het persoonlijke of sociale vlak.
· Muziek kan in het leven van jongeren met een marginale positie of persoonlijke problemen een
hoogst centrale positie innemen en zelfs functioneren als een centrale betekenisgever.
Wel moet opgemerkt worden dat het aantal studies dat verbanden zoekt tussen muziek en
probleemgedrag niet groot is, en de focus sterk ligt ligt op één genre: metal. Een fundamenteler bezwaar
is dat geen van de besproken studies een longitudinaal karakter heeft. Hoewel er verbanden gevonden zijn
tussen een voorkeur voor bepaalde genres en probleemgedrag is nooit duidelijk wat oorzaak en gevolg is.
Werkt muziek probleemgedrag in de hand of zoeken problematische jongeren bepaalde
muziek?
Een echt antwoord op de vraag van de causale relatie tussen popmuziek en probleemgedrag valt
ook voor Nederland nog niet te geven, maar ik kan u uit eigen onderzoek wel iets vertellen over de
associatie tussen muziekpreferenties en problemen.
SHEET Clusteranalyse
Wij hebben het publiek voor populaire muziek ingedeeld in smaakgroepen die complexe
smaakoordelen reflecteren (Ter Bogt et al., 2003). Houden van bepaalde muziek betekent immers vaak een
hekel hebben aan andere muziek. Wij hebben groepen gemaakt op basis van een patroon van voorkeuren.
Clusteranalyse, nieuw in de studie naar popmuziek, levert een theoretisch en statistisch
acceptabele verdeling van het adolescente publiek -5400 Nederlandse jongeren van 11 tot en met 16 jaar, 2001- in zeven groepen op.
SHEET Groepen
· Het ‘middle of the road’ of top 40-publiek houdt van hitparademuziek en toont zich in de
waardering van andere genres lauw, om niet te zeggen negatief.
· Hiphoppers houden van rapmuziek en tonen zich ook positief omtrent hitparademuziek, niet in de
laatste plaats omdat hun geliefde genre natuurlijk zo hitgevoelig is.
· Rockers houden van rock, metal en ook wel van pop.
· De echte metalfans zijn radicaler, zij hebben een veel eenzijdiger fascinatie voor keiharde
muziek. Zij houden exclusief van metal.
· De volgende groep betreft de klassieke muziek liefhebbers. Net als vrijwel alle andere jeugd
waarderen zij hitparademuziek, maar zij onderscheiden zich van andere jeugd met hun relatief hoge
waardering voor klassieke muziek, vandaar deze betiteling.
· Verder, en hier blijkt clusteranalyse een zinvolle techniek, bestaat er een groep die zowel rap
als metal prefereert. Hoewel de groep ook enigszins positief op echte popmuziek scoort, hebben wij deze
groep toch betiteld als non-mainstream. Dit is muziek die het hart is van jeugdige
subculturen.
· Dan is er een groep van jongeren die over de hele linie gek is van muziek, die in de
literatuur wel bekend staan als de zogenaamde omnivoren
· Tot slot de achtste groep. Deze is toegevoegd en wij hebben deze groep de ‘onwetenden’ genoemd,
zij kennen minder dan acht van de vijftien genres die wij hen hebben voorgelegd en zijn dus niet goed
ingevoerd in de hedendaagse popcultuur.
DANCE!
Naast muziekvoorkeuren zijn ook de scores op de Youth Self Report (YSR) gemeten (Ter Bogt, Van
Dorsselaer & Vollebergh, 2003). Hoewel niet vrij van enige Amerikaanse culturele bias
-vloeken en het drinken van alcohol door minderjarigen zijn bijvoorbeeld al
probleemgedrag- is de YSR een solide meetinstrument voor internaliserend en externaliserend
probleemgedrag.
In multivariate analyses vonden wij effecten van muziek die met name voor wat betreft
externaliserend probleemgedrag en middelengebruik vergelijkbaar zijn met die van sekse, leeftijd,
de kwaliteit van de relatie met de ouders en opvoedingsgedrag van die ouders. Een eerste belangrijke
conclusie van dit onderzoek is dus dat muziekvoorkeuren als voorspellers van probleemgedrag niet over het
hoofd gezien kunnen worden.
Dan de uitkomsten zelf. Wat betreft internaliserend probleemgedrag:
· Exclusieve metal-fans denken ook in Nederland vaker aan zelfmoord en neigen meer tot
zelfverminking dan veel van hun leeftijdgenoten. Verder zijn zij meer sociaal geïsoleerd.
· Het is wel essentieel te melden dat een voorkeur voor metal in combinatie met een
voorkeur voor hiphop niet negatief uitwerkt. Sterker nog, deze zogenaamde non-mainstream positie is zelfs
gezond te noemen. Hiphop is dus hier een protectieve factor wanneer het aankomt op internaliserende
problemen.
· In de publieke opinie is het altijd de populaire muziek geweest die geassocieerd is met
problemen. Ik wil hier, net als Steven Stack in de VS, benadrukken dat ook liefhebbers van klassieke
muziek wel eens zwaar op de hand zouden kunnen zijn. Zij neigen iets meer naar depressie en angst dan
veel van hun leeftijdgenoten .
· Het is opvallend dat de groep van de echte, brede muziekliefhebber, de omnivoren ook te kampen
heeft met meer angst, depressie en sociale isolatie. Een subanalyse met de groep van extreme
muziekliefhebbers versterkt dit beeld, zij geven blijk van nog meer internaliserende problemen. Een brede
fascinatie voor muziek maakt dus niet gelukkig, maar duidt eerder op persoonlijke misère.
· Ook voor de groep die helemaal niet ingevoerd is in de popcultuur kampt vaker met problemen.
Deze zogenaamde onwetenden neigen meer naar zelfverminking.
· Interessant is verder dat Nederlandse metal-meisjes niet speciaal extra depressief, angstig of
suïcidaal zijn.
· Vooral de top40-fans, de non-mainstream-fans en de hiphoppers hebben een
zonniger kijk op het leven, zij worden relatief weinig geplaagd door problemen in de
stemmingshuishouding. Gemeenschappelijk hebben al deze fans dat zij houden van zwarte muziek. Het mag een
stereotype lijken, maar Afro-amerikaanse muziek komt uit deze analyses naar voren als een vitale,
levensvreugdige muziek. R&B, soul en hiphop gaan allerminst voorbij aan de tragedies van het leven,
maar de muziek is geassocieerd met een optimistische levenshouding, behalve bij, en dat is een saillante
uitzondering, de omnivoren. Ik zei het al, die zijn somberder, ook al houden zij in de breedte van het
medium dat geacht wordt een sterke stemmingsverbeteraar te zijn.
Dan externaliserend probleemgedrag.
· Exclusieve metalfans scoren, niet geheel onverwacht, relatief hoog op regeloverschrijdend
gedrag en agressie.Dat zelfde geldt voor jongeren met een non-mainstream oriëntatie en hiphop-fans. Weer
scoren ook de omnivoren relatief hoog.
Ten derde: middelengebruik
· Het zelfde patroon is aanwezig wanneer roken, dronkenschap en blowen aan de orde komen. De
exclusieve metalfans, de non-mainstream jongeren, de hiphoppers en omnivoren gebruiken meer middelen dan
de bravere MOR-fans, liefhebbers van klassieke muziek, de onwetenden, en misschien verrassend in deze
rij, de rockliefhebbers.
· Wat betreft regeloverschrijdend gedrag lijken dus de groepen die verder weg staan van de MOR,
meer geneigd tot dit soort gedrag.
· Voor dit type vaak sterk leeftijdgebonden gedrag gelden leeftijdgenoten als belangrijke
modellen. Onze analyses specificeren mogelijk wat in de literatuur ‘peer pressure’ genoemd wordt: in
sommige groepen werkt die in de richting van regeloverschrijdend gedrag en middelengebruik, in andere
juist niet.
SHEET Conclusies 2
Ik concludeer:
· Preferentie is ook in Nederland een relevante voorspeller van probleemgedrag is.
· Top40-fans en rockers hebben over de hele linie weinig problemen.
· Exclusieve metal-fans en omnivoren scoren relatief hoog op een breed scala aan
problemen.
· De combinatie van metal met een voorkeur voor pop of hiphop is echter onschadelijk voor wat
betreft emotionele problemen. Het is belangrijk te melden dat een rebelse, niet-mainstream-positie dus
niet per definitie schadelijk is en met name een voorkeur voor zwarte muziek lijkt overwegend een
protectieve factor.
· Voor wat betreft externaliserend probleemgedrag en middelengebruik is de Nederlandse jeugd in
te delen in een relatief brave groep -liefhebbers van MOR, klassiek en rock en onwetenden- en een meer risicogedrag vertonende groep –hiphoppers, non-mainstream-fans, omnivoren en
metalfans.
· Een belangrijkste conclusie moet echter ook zijn dat er nauwelijks inzicht bestaat in de
mechanismen achter de verschillen tussen deze acht groepen.
Voorlopig levert ons onderzoek dus meer vragen dan antwoorden op. Het is werkelijk onmiskenbaar
dat een echte, brede liefde voor muziek samengaat met problemen van allerlei aard. Zou de echte
muziekhebber in muziek vluchten om zijn of haar problemen te vergeten en daarbij een bijna gulzige smaak
aan de dag leggen? Wat de onwetenden betreft: is dit een groep van jongeren die, buitengesloten van de
hedendaagse popcultuur, een sociaal marginale positie inneemt en om die reden somber gestemd is? Waarom
neigen rap- en non-mainstream-fans meer naar regeloverschrijdend gedrag, agressie en soms problematisch
middelengebruik? Blijft verder de prangende vraag of een vroege preferentie voor bepaalde typen muziek
een voorspeller is van latere depressie, suïcidaliteit, agressie, middelengebruik en regeloverschrijdend
gedrag. Ik kom daar nog op terug.
SHEET stemming
Popmuziek, emotie, stemming
Laten wij de problemen achter ons laten en vanaf nu ook de positieve effecten van muziek aan de
orde stellen. Waarom luisteren mensen naar muziek? De belangrijkste motieven: om geraakt te worden, om
jezelf deel te voelen van een groter geheel, om je energieker te voelen, om je verdriet te vergeten, om
ontroerd te worden (Ter Bogt, 1997, Christenson & Roberts, 1998). Allemaal gevoelstoestanden die te
vatten zijn onder de noemer emotie of stemming (mood): mensen willen, en dat is een absoluut
centraal facet van de appreciatie van deze kunstvorm, geëmotioneerd raken door muziek.
Emotiepsychologisch onderzoek levert het overtuigende bewijs dat mensen emoties in zowel instrumentale
als vocale muziek kunnen herkennen en daar ook wat hun eigen stemming betreft positief of negatief op
reageren. Zo sterk is de emotionerende werking van muziek dat die in sociaal-wetenschappelijke
experimenten vaak gebruikt wordt om een bepaalde stemming uit te lokken (Hevner, 1934; Juslin &
Laukka, 2003; Krumhansl, 1997; Scherer & Zentner, 2001).
Natuurlijk is popmuziek meer dan emotie en de appreciatie van muziek is niet alleen afhankelijk
van de emotiewaarde van het betreffende nummer, maar bijvoorbeeld ook van de verwachtingen van de
toeschouwers. Alle genres, van klassiek tot rap, van jazz tot R&B, hebben zo hun eigen codes voor de
manier waarop de muziek ten gehore gebracht dient te worden en artiesten zich moeten presenteren.
Luisteraars zijn daarmee vertrouwd en weigeren eenvoudigweg al te grote afwijkingen van bestaande
schema’s. Hier komt nadrukkelijk een (sub)cultureel element in de appreciatie van muziek naar
voren
SHEET functies van muziek
De functies van muziek
Christenson en Roberts (1998) omschrijven voor een adolescent publiek vier hoofdfuncties van
het luisteren naar popmuziek.
· Moodmanagement.
Mensen vinden het inderdaad aangenaam om emotioneel bewogen te worden door muziek en een
belangrijke reden om te luisteren is dat het hun stemming verbetert (Brown, 1976, Christenson et
al., 1985; Larson et al. 1989; Gantz et al, 1978; Lull, 1992; Lyle & Hoffman, 1972; Roe, 1984; Wells,
1990)..
· Kennis van de wereld.
Een bepaalde groep jongeren reflecteert via hun favoriete over de toestand in de wereld. Het is
opvallend dat fans van de niet-mainstream genres, ‘progressieve rock’ in de jaren zestig en zeventig, en
de metal en rap van latere datum, in de teksten van hun favoriete muziek de toestand van henzelf en hun
wereld weerspiegeld zien. Zij hebben de neiging teksten van muziek , en de betekenis die dat medium van
de wereld geeft, serieuzer te nemen dan de modale pop-fan (Arnett, 1996; Frith, 1981, Kuwahara, 1992;
Reid, 1993).
· Parasociale en sociale functies.
Mensen luisteren naar muziek om zich imaginair deel te voelen van een grotere groep van
gelijken. Verder is muzikale smaak een factor in groepsvorming. Mensen eigenen zich smaken toe, en
daarmee ook een sociale positie. In die zin schraagt muziek de sociale identiteit (Bryson,
1996).
· Identiteitsvorming
Met name in de vroege adolescentie zijn idolen belangrijk als voorbeelden (Raviv et al., 1996).
Jonge mensen ontlenen aan popsterren hun modieuze smaak en zij zoeken modellen die aansluiten bij hun
eigen ideeën. De verwerving van emotionele zelfstandigheid in de adolescentie houdt verder per definitie
een zekere verwijdering in van de eigen ouders. Popmuziek is een onuitputtelijke bron van teenage
culture. Popmuziek is ook voor de identiteitsvorming van belang voor zover smaak een vriendenkring
definieert die zelf weer bepaalde modellen aanbiedt.
Popmuziek gaat verder vooral over liefde en verliefdheid. Popmuzikanten zijn zelf vaak de
eerste liefdesobjecten, en vooral voor meisjes geduldig, want onbereikbaar oefenmateriaal. In zijn
algemeenheid: voor wie geldt niet dat de eerste, waarschijnlijk schuchtere liefkozingen gedaan zijn
terwijl ergens popmuziek klonk. Popmusici en popmuziek zijn tegelijkertijd het model, het object en het
decor voor het aangaan van romantische relaties en als zodanig onmisbaar voor de relationele
identiteit.
Popmuziek was ooit het ultieme adolescente medium. Die exclusiviteit is verdwenen omdat ook
volwassenen en kleuters naar die muziek luisteren, al is het dan wel vaak andere popmuziek. Voor
adolescenten heeft het luisteren naar popmuziek zoals gezegd een viertal functies. Gelden die functies
ook voor kleuters en volwassen, of moeten wij daar nieuwe categorieën voor aanmaken?
U begrijpt, ik heb inmiddels genoeg kwesties aangeleverd voor verder onderzoek. Ik presenteer
hier twee onderzoekslijnen van het CPC.
Muziek en ontwikkeling: twee onderzoeksprojecten
1. Popmuziek in de levensloop
Het voorgenoemde functieschema is ontleend aan onderzoek naar adolescenten luisteraars.
Wellicht zijn er voor andere leeftijdsgroepen specifieke functies of mechanismen die wij nog bloot moeten
leggen. Het is niet bijster aannemelijk dat voor een vijfjarige meisjes dat trots met haar moeder en
vriendinnetjes een concert van K3 bezoekt, muziek dezelfde plaats en functie heeft als voor haar moeder
die wellicht een weekeind later met haar vriendinnen nog een keer Brian Ferry of David Bowie wil
zien.
Wanneer het over muziek en persoonlijke ontwikkeling gaat is onze wetenschappelijke kennis dun.
Er is vrijwel alleen onderzoek gedaan naar (Amerikaanse) middelbare scholieren en studenten. Zelfs
cross-sectionele analyses met leeftijd als factor zijn zeldzaam en dat geeft natuurlijk een indicatie
voor de stand van dit vakgebied. Er zijn tientallen, zo niet honderden fraaie biografieën geschreven over
popmusici en er bestaat een veelheid aan degelijke studies omtrent de geschiedenis van die muziek, maar,
met alle respect voor het onderzoek dat wel gedaan is, de sociaal-wetenschappelijke studie naar popmuziek
en ontwikkeling staat nog in de kinderschoenen. Het ontbreekt ons aan zelfs het meeste elementaire kennis
van smaak, smaakontwikkeling, de functies van het gebruik van popmuziek en de effecten daarvan, in een
levensloopperspectief. Al eerder merkte ik op dat vanwege het ontbreken van longitudinale studies
onmogelijk is causale verbanden te trekken tussen muziekpreferenties en bepaalde attitudes of gedrag. Ik
herhaal hier dat dat zelfde gebrek betekent dat wij weinig weten van de ontwikkeling van voorkeuren en de
consequenties die dat heeft.
SHEET popmuziek en ontwikkeling
Voor popmuziek is nog nooit diepgaand onderzocht hoe preferenties tot stand komen.
· Het is meer dan waarschijnlijk dat leeftijdgenoten op die smaak een grote invloed uitoefenen en
dat er ook zeker impulsen komen uit het medialandschap waarmee jongeren omringd zijn.
· Was het in de jaren vijftig en zestig nog onzinnig de vraag te stellen naar de invloed van de
ouders op de muzieksmaak van hun kinderen, tegenwoordig zou wel eens sprake kunnen zijn van een zekere
trans-generationeel synonieme waardering van muziek. Zelfs is denkbaar dat kinderen op hun beurt de smaak
van hun ouders bijschaven.
Wij willen een preciezer beeld van de smaakontwikkeling en de invloed van ouders, vrienden en
media daarop. Wij gaan verder onderzoeken
· hoe smaak zich in de loop der tijd ontwikkelt
· en wat voor consequenties dat heeft voor de normale en de deviante ontwikkeling.
· Bovendien bezien wij hoe die consequenties weer terugwerken op de verdere ontwikkeling van
popmuzikale smaak (figuur 1).
Wij willen veel gedetailleerder dan tot nu toe bekijken in hoeverre preferenties persoonlijke
problemen mogelijk voorafschaduwen, of muziek inderdaad troost biedt of een rol speelt in de ontwikkeling
van de identiteit. Hoe gaat popmuziek samen met scholingsaspiraties en opvattingen omtrent het
maatschappelijk leven? Wij willen weten of smaak vriendenkringen vormt en regeloverschrijdend gedrag
inzet.
Wij introduceren in het denken over persoonlijke ontwikkeling daarmee een factor die te lang
veronachtzaamd is terwijl toch iedere deskundige op het terrein van opvoeding en ontwikkeling ermee
zal instemmen dat popmuziek, zeker voor adolescenten, een belangrijk medium is. Wij hopen daarmee over
een aantal jaren een completer beeld te kunnen geven van de rol die het medium popmuziek speelt in de
persoonlijke ontwikkeling, niet alleen die van adolescenten, maar ook die van kinderen en
volwassenen.
SHEET carrières
2. De ontwikkeling van muzikanten
Een van de meest interessante vragen betreft de ontwikkeling van een specifieke groep ik tot nu
toe niet aan bod heb laten komen. In al zijn eenvoud: waarom wordt de een een succesvol muzikant terwijl
dat de ander niet lukt? Op de zaterdagavond van 6 juli 1957 maakt in een bijzaaltje van de St. Peterskerk
een veertienjarige knul indruk op een zestienjarige leeftijdgenoot met zijn kennis van gitaarakkoorden en
obscure rock ’n roll teksten. De oudste vraagt de jongste in zijn bandje the Quarrymen te komen spelen.
Dat bandje had die avond in het zaaltje gespeeld, maar een groot succes was het niet. Later werd de band
wel beroemd, onder een andere naam: de Beatles. Een meisje, Aretha, dat zingt in het kerkkoor van haar
vader, dominee C.L. Franklin, weet al op haar negende dat muziek haar leven is. Met gospel tot in iedere
vezel, groeit zij uit tot de belangrijkste soul-artieste van de jaren zestig en zeventig; alsof dat
vanzelf gaat.
Dichter bij huis. Je zit weer eens huilend in de kleedkamer omdat je weer de
talentenwedstrijd niet gewonnen hebt. Nooit, nooit, nooit zul je zo’n competitie winnen. Maar je geeft
niet op, keer op keer slik je de teleurstelling en je scoort een hit met het bekoorlijke ‘Ritme van
de regen’. Je heet Rob de Nijs en kent een van de langste en meest succesvolle carrières in de
Nederlandse popmuziek.
Meer vragen: kan Anouk uitgroeien tot een Alanis Morisette of zit haar karakter in de weg, en
krijgt Kane van haar maatschappij genoeg steun om Europees door te breken? Wie zijn de mensen die ieder
weekend voor een meestal enthousiast publiek op feesten en partijen spelen in coverbands? Zijn dat niet
de waterdragers van de rock ‘n roll, de anonieme professionals die zonder ook maar een eigen nummer te
spelen wel hun brood verdienen met popmuziek? Waarom schrijven zich meer dan 15.000 jonge mensen in voor
een hedendaagse talentenwedstrijd, terwijl 14.900 alleen maar goed zijn in zingen onder de douche en
dromen van een carrière als popster. Wie van die 15.000 haalt de finale? Wie van de finalisten scoort
hits en begint ook een langer durende carrière als popmuzikant?
Dat brengt mij bij een vraag die eigenlijk voor de hele popwereld van groot belang is.
Waarom slaagt de een als artiest terwijl de ander faalt. Wat is trouwens succes en waar ligt de grens van
een professionele carrière in de popmuziek? Ligt slagen aan talent, en zo ja, wat voor talent dan? Wat
voor type persoonlijkheid is gunstig: moet je getuigen van een ijzeren doorzettingsvermogen, helpt een
dosis narcisme en daarmee een onbevredigbare hang naar de gunst van het publiek? Compenseren succesvolle
artiesten een gemis? Waaruit bestaat de chemie van een band? Zijn artiesten afhankelijk van de
muziekindustriële conjunctuur of de interactie tussen hen en de industrie? Kun je überhaupt nog spreken
van artiesten of auteurs in een tijdperk waarin muziek bij wijze van spreken met een druk op de knop uit
computers komt. U hoort het, ik spreek in vragen en niet in antwoorden…
Er is nooit systematisch studie gedaan naar carrières van muzikanten. Er bestaan mooie studies
naar milieus van muzikanten (vgl. Cohen ,19**), maar de wetenschap heeft zich afzijdig gehouden van
carrièreontwikkeling, ik denk, omdat dat een buitengewoon ingewikkeld proces is. De industrie blijft op
het ‘fingerspitzengefühl’ van talent-scouts en A&R-managers drijven. In een tweede onderzoekslijn beginnen wij bij de
artiesten, hun persoonlijkheid en capaciteiten. Wij willen een groep van enkele honderden mensen
gedurende drie jaar van hun carrière volgen. Wij gebruiken daarbij kwantitatieve maten voor
persoonlijkheid, motivatie, zelfinschatting van talent en succes, naast kwalitatief onderzoek naar de
sociale en economisch-industriële setting van hun geschiedenis als muzikant. Dit onderzoek wordt een
allereerste inventarisatie van het verloop van de muzikale carrière van een groep Nederlandse muzikanten
van diverse origine. Wij vergelijken jonge mensen met een conservatorium-achtergrond met anderen die een
carrière in de ‘echte’ popmuziek ambiëren, en weer anderen die in niet-mainstream sectoren van de
popmuziek actief zijn. Drie jaar kijken wij naar wat er op hun pad komt en wij hopen hiermee de eerste
carrièregeschiedenis van makers van muziek te schrijven.
Wetenschap is per definitie onvoorspelbaar en ik weet niet of bij voorbeeld dit laatste type
overmoedig onderzoek naar carrières iets oplevert dat praktisch bruikbaar is. Ik denk ook niet dat het
daar in eerste instantie om gaat. Wetenschap, dus ook popmuziek-wetenschap, dient allereerst de
mechanieken achter de verschijnselen bloot te leggen. Wel wil ik hierbij de hoop uitspreken dat wij met
ons onderzoek naar artiesten en hun publieken, in de nabije toekomst beter kunnen aangeven onder welke
condities artiesten een grotere kans hebben op een professionele carrière, en dat wij ook beter kunnen
benoemen wanneer luisteraars van muziek een aangenamer leven mogen verwachten of moeten vrezen voor het
omgekeerde. Bovenal hoop ik dat wij met ons team van het Centrum voor Populaire Cultuur de wereld kunnen
verbazen met geïnspireerd en verrassend onderzoek op het terrein van popmuziek, haar makers en haar
publiek.
Ik heb gezegd.