En we gaan nog niet naar huis
nog lange niet, nog lange niet
en we gaan nog niet naar huis
want moeder is niet thuis.
En al was m’n moeder thuis
dan gingen we niet, dan gingen we niet
en al was mijn moeder thuis
dan gingen we niet naar huis!
Een kwalitatief onderzoek naar de beleving door kinderen vande buitenschoolse
opvang.
M. Janssen
W. van Ravenstein
Doctoraalscriptie
Capaciteitsgroep Kinder- en Jeugdstudies
Opleiding Pedagogische Wetenschappen
Universiteit Utrecht
Studenten:
M. Janssen (student nummer: 0137588)Mariken_Janssen@hotmail.com W. van Ravenstein (student nummer: 0140511)WvanRavenstein@hotmail.com
Begeleiding: Dr. B. Baarda
Dr. Karel J. Mulderij
Utrecht, maart 2004
Samenvatting
De kinderopvang staat regelmatig in de belangstelling. De discussie over de
invloed van de opvang op de ontwikkeling van kinderen staat daarbij centraal. De mening van het kind wordt over het
algemeen niet gehoord.
Door het afnemen van 24 interviews bij kinderen van acht en negen jaar die
minstens twee keer per week op de buiten schoolse opvang (BSO) verblijven, is de beleving van dit verblijf door
deze kinderen nagegaan.
Over het algemeen zijn de kinderen zeer positief over het verblijf op de BSO.
De kinderen geven aan dat ze het verblijf leuk vinden omdat ze er veel verschillende dingen kunnen doen en omdat er
andere kinderen zijn om mee te spelen. Aan deze twee aspecten hechten de kinderen veel waarde. De kinderen vinden
het prettig om ruimte om hen heen te hebben. De leiders van de groepen worden ervaren als aardig en actief. Over
het algemeen heerst er een gezellige sfeer op de BSO.
De kinderen noemen ook minder positieve dingen. Zo ervaren zij het einde van de middag als het
grootste nadeel van het verblijf op de BSO. De kinderen vinden het jammer dat ze, voordat hun ouders komen,
alles opgeruimd moeten hebben en niet meer alles mogen doen waar ze zin in hebben. Daarnaast ervaren kinderen
het als onprettig als hun speelkameraadjes eerder worden opgehaald. De kinderen vinden niet alle activiteiten
op de BSO leuk. Dit is echter persoonsgebonden.
De kinderen vinden het jammer dat er niet altijd genoeg te doen is. Daardoor gaan ze zich sneller
vervelen en vinden ze de BSO saai. Een andere factor waardoor kinderen zich gaan vervelen is het gebrek aan
speelkameraadjes. Op het moment dat er echter te veel kinderen tegelijk zijn, vinden de kinderen deze drukte
onprettig. Wanneer kinderen niet alleen naar buiten mogen, maar alleen met leiding, ervaren ze dit als
negatief. Daarnaast vinden de kinderen het moeilijk dat ze niet altijd alle aandacht van de leiding
krijgen.
De kinderen zouden wel veranderingen willen aanbrengen aan het verblijf op de opvang. Zo zouden ze
willen dat de BSO groter wordt en dat het speelgoedaanbod uitgebreid wordt. Tevens willen ze graag dat hun
vriendjes en vriendinnetjes ook op de BSO zouden zitten of zouden mogen komen spelen. Naast deze
veranderingen zijn er ook aspecten van de BSO te noemen die de kinderen graag hetzelfde willen houden.
Hierbij moet gedacht worden aan de binnenruimte en het ruime speelgoedaanbod.
De kinderen ervaren verschillen tussen het verblijf op de BSO en het thuis zijn. Als de kinderen
een keuze zouden moeten maken tussen een middag op de BSO of thuis, kiezen vijf kinderen voor de BSO. Zes
kinderen kiezen ervoor om de middag thuis door te brengen. Acht kinderen geven aan dat ze het erg moeilijk
vinden om een keuze te maken.
Uit deze resultaten zijn enkele aandachtspunten voor de BSO naar voren gekomen. Ten eerste zou het
voor de kinderen prettiger zijn als de regels betreffende het einde van de middag worden aangepast zodat ze
langer door kunnen spelen. Hiernaast blijkt dat kinderen behoefte hebben aan ruimte en rust om hen heen.
Aangeraden wordt genoeg ‘hoekjes’ te creëren zoals een lees- of knutselhoek. Ten slotte blijkt uit de
interviews dat de kinderen goed in staat zijn hun mening en gevoelens te verwoorden.Het is dan ook belangrijk om aandacht te hebben voor hun mening.
Naast de aandachtspunten voor de BSO zijn er tevens aanbevelingen voor vervolgonderzoek te noemen.
Het zou nuttig zijn om de beleving van meer kinderen op verschillende plaatsen in Nederland te onderzoeken.
Dan zal blijken of deze resultaten naar een grotere onderzoeksgroep kunnen worden gegeneraliseerd. Tevens zal
aandacht besteed moeten worden aan de beleving van kinderen van andere leeftijdscategorieën. Ten slotte dient
opgemerkt te worden dat het gebruik van andere onderzoeksmethoden aanvullende informatie op kan leveren.
Hierbij wordt gedacht aan het afnemen van een vragenlijst of aan het laten schrijven van een
opstel.
Voorwoord
Naast de studie Pedagogische Wetenschappen zijn
wij, de onderzoekers en tevens auteurs, beiden actief in het onderwijs en in de kinderopvang. Deze twee facetten
van de samenleving staan de laatste tijd erg in de belangstelling. Dit onderzoek zal gaan over de kinderopvang,
namelijk de Buitenschoolse Opvang (BSO).
In de literatuur en in de media wordt vooral aandacht besteed aan de
kwaliteit van de opvang en aan de meningen van leiders en ouders. Wij zijn juist benieuwd naar de meningen en
belevingen van de kinderen die een BSO bezoeken. Zij zijn immers de belangrijkste betrokkenen in het
geheel.
Door het ondervragen van 24 kinderen die de BSO bezoeken, hebben wij getracht
een beeld te geven van wat de opvang voor hen betekent. We bedanken hen voor de
uitgebreide informatie die ze ons hebben verschaft. De informatie zal een nuttige aanvulling zijn voor
groepsleiding, leerkrachten en voor ouders bij de keuze van de werkleefsituatie.
Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van september 2003 tot en met
maart 2004. Verschillende centra voor buitenschoolse opvang in Nijmegen en Utrecht hebben hun medewerking verleend.
Wij danken hen voor de medewerking.
Ten slotte danken wij Dr. B. Baarda voor zijn begeleiding tijdens het uitvoeren van dit
onderzoek.
Mariken Janssen & Wineke van Ravenstein
Utrecht, Maart 2004.
Inhoudsopgave
Pagina:
Samenvatting
Voorwoord
Hoofdstuk 1
Inleiding
Hoofdstuk 2
Inhoudelijke oriëntatie
§ 2.1
Veranderingen in de maatschappij
§ 2.1.1 Werkende
ouders
§ 2.1.2 Modernisering van het
bestaan van kinderen
§ 2.1.3 Toename van menselijke
mobiliteit
§ 2.1.4 Verkleining
families
§ 2.2
Kindontwikkeling
§ 2.2.1 Kind,
gezin en relaties
§ 2.2.2
Ouderschap
§ 2.2.3
Opvoedingsstijlen
§ 2.2.4
Opvoedingsdoelen
§ 2.2.5
Behoeften
§ 2.2.6 Kind en
ontwikkeling
§ 2.3
Buiten Schoolse Opvang
§ 2.3.1 Buiten Schoolse Opvang
Nederland
§ 2.3.2 Geschiedenis Buiten
Schoolse Opvang
§ 2.3.3 Functie Buiten
Schoolse Opvang
§ 2.3.4
Leeftijdsdifferentiatie
§ 2.3.5
Aanbod
§ 2.3.6 Pedagogisch
beleid
§ 2.3.7 Buiten Schoolse
Opvang Buitenland
§ 2.4
Discussie Kinderopvang
Hoofdstuk 3
Onderzoeksopzet
§ 3.1
Doelstelling
§ 3.2
Onderzoeksvragen
§ 3.3
Definitie kenmerken
§ 3.4
Kwalitatief onderzoek
§ 3.5
Ethische verantwoording
§ 3.6
Controle variabelen
§ 3.7
Populatie
§ 3.8
Dataverzamelingstechnieken
§ 3.9
Dataverwerking en data-analyse
Hoofdstuk 4
Resultaten
§ 4.1
Activiteiten en spelmateriaal
§ 4.2
BSO wel of niet leuk?
§ 4.3
Deel uit maken van een groep kinderen
§ 4.4
Vervelen
§ 4.5
Leiders en regels
§ 4.6
Vergelijking BSO en thuis
§ 4.7
Toveren op de BSO
Hoofdstuk 5 Conclusie,
discussie en aanbevelingen
§ 5.1
Conclusie
§ 5.2
Discussie
§ 5.3
Aanbevelingen
Literatuurlijst
Bijlagen Bijlage
1: Brief aan
BSO’s
Bijlage 2: Brief aan
ouders
Bijlage 3: Beschrijving
BSO’s
Bijlage 4:
Codeboom
Hoofdstuk 1
Inleiding
Voorheen was het gebruikelijk dat kinderen na school met hun vader of moeder
mee naar huis gingen. Tegenwoordig is dat voor vele kinderen niet meer het geval. Zij gaan na school naar de
zogenaamde buitenschoolse opvang (BSO). Hierbij worden kinderen in de leeftijd van vier tot dertien jaar door
leiders van school gehaald en opgevangen in een groep van tien tot twintig kinderen. Daar brengen ze hun middag
door. Na binnenkomst wordt eerst samen iets gegeten en gedronken. Vervolgens kunnen de
kinderen zelfstandig spelen, knutselen of andere dingen doen. Soms worden gezamenlijke activiteiten
georganiseerd. Aan het einde van de middag worden de kinderen door hun ouders opgehaald.
De BSO was voorheen voornamelijk een opvangcentrum voor kinderen van werkende
ouders. Volgens van Dijk (1998) is dit enorm veranderd. Tegenwoordig denkt men steeds meer vanuit het idee van
vrije tijd van de kinderen. De kinderen hebben deze verandering min of meer zelf in gang gezet. Steeds meer oudere
kinderen, vanaf acht jaar, lieten vaker merken dat ze de opvang niet leuk vonden. Ze waren van mening dat er te
weinig activiteiten met aansluiting op hun leeftijd plaatsvonden. Onder invloed hiervan is men steeds meer in gaan
spelen op de behoefte van oudere kinderen.
Deze ontwikkeling roept bij de onderzoekers een aantal vragen op. Hoe beleven
de kinderen deze nieuwe situatie? Komt hun mening overeen met die van ouders of
verschilt hun mening? Wat vinden ze op dit moment van het verblijf op de BSO? Vinden ze het bijvoorbeeld beter of
slechter dan wanneer ze na school direct naar huis gaan?
In dit verslag wordt allereerst een literatuurverkenning weergegeven. Deze
achtergrondinformatie is van belang om een specifieker beeld van het fenomeen BSO te vormen en om in te spelen op
het ontwikkelingsniveau van de kinderen. Het is noodzakelijk om aandacht aan de
opvoeding van de kinderen te schenken omdat gedrag van kinderen nauw samenhangt met de opvoeding, zowel binnen- als
buitenshuis.
Vervolgens worden de probleemstelling en doelstelling aangegeven. Achtereenvolgens
wordt aandacht besteed aan de onderzoeksmethoden die in dit onderzoek gebruikt zijn. Hierop
volgend zijn de resultaten van het onderzoek te lezen, evenals een discussie en aanbevelingen. Dit
onderzoeksverslag wordt afgesloten met een lijst van geraadpleegde literatuur.
De groepsleiders en leidsters van de BSO worden in dit onderzoeksverslag
aangeduid met de termen leiders en leiding.
Hoofdstuk 2 Inhoudelijke
oriëntatie
§ 2.1 Veranderingen in de maatschappij
Kinderopvang heeft vandaag de dag een centrale plaats in onze samenleving
ingenomen. Dit hoofdstuk heeft als doel een beter inzicht te geven in
de plaats van de opvang in de maatschappij. Hiervoor worden vier ontwikkelingen beschreven die belangrijke
veranderingen in de maatschappij met zich meebrengen, vooral voor de BSO. De maatschappij is continu in
ontwikkeling, wat betekent dit voor de BSO?
In verschillende Europese landen heeft de kinderopvang diverse namen en
betekenissen. Meijevogel & Petrie (1996) geven aan dat de ontwikkeling van de opvang in sommige landen ver
gevorderd is en een gerespecteerde plaats heeft verworven in het sociale beleid dat de overheid voor families
hanteert. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld Denemarken en Zweden. In andere landen, zoals bijvoorbeeld
Nederland, vinden er recente ontwikkelingen plaats, maar is de opvang van schoolgaande kinderen nog niet
gesystematiseerd. In weer andere landen staan ze nog niets eens op de sociale agenda. Daar lossen ouders hun eigen
problemen op betreffende de combinatie werk-gezin en klinkt het concept van opvang voor schoolgaande kinderen nog
vreemd in de oren van de overheid. In de UN Convention on the Rights of the Child (Meijvogel & Petrie, 1996)
wordt kinderopvang als een noodzakelijke bescherming voor het kind gezien. Kinderopvang wordt noodzakelijk geacht
voor de groei en het welbevinden van kinderen, zodat de familie aan haar maatschappelijke verplichtingen kan
voldoen. Aangezien deze bron één van de weinig wetenschappelijke onderzoeken op het gebied van de kinderopvang
weergeeft, worden de gegevens voor dit onderzoek van belang geacht.
Alvorens in paragraaf 2.3 aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de BSO
in Nederland en in het buitenland, wordt eerst in de voorafgaande paragrafen duidelijk gemaakt waarom kinderopvang
gezien wordt als een noodzakelijke bescherming voor het kind.
§ 2.1.1Werkende ouders
De behoeften van peuters en kleuters zijn structureel anders dan die van
schoolgaande kinderen. Een verschil komt naar voren in de groeiende volwassenheid, lichamelijke, psychische en
sociale onafhankelijkheid. Maar nog belangrijker is het effect dat school op het familieleven heeft. School stuurt
in zekere mate het leven van ouders en kinderen. Met andere woorden; de familie moet hun leven zo inrichten dat het
past in het rooster en de kalender van school.
Net zoals school zijn structuur aan de familie opdringt, stelt het werk van de
ouders zijn eigen eisen en routines. Als werk en school dezelfde roosters zouden hanteren, zou dit geen problemen
opleveren. Maar fulltime werkdagen zijn langer dan schooldagen, en om het probleem nog complexer te maken hebben
werkende ouders minder vakantiedagen dan hun schoolgaande kinderen.
Volgens Meijvogel en Petrie (1996) is de BSO een mogelijke oplossing voor deze
problemen. Het biedt recreatie en zorg die zich aanpast aan zowel de schoolorganisatie als aan het werk van de
ouders.
Uit de Emancipatiemonitor 2002 van het Sociaal en Cultureel Planbureau
(Portegijs, Boelens en Keuzenkamp, 2002) blijkt dat het groeiende aantal werkende moeders in Nederland die, net als
werkende vaders, niet de mogelijkheid hebben om voor hun kinderen te zorgen na schooltijd en in de vakanties, een
belangrijke verandering in de maatschappij teweeg heeft gebracht. Meer dan 50% van de vrouwen met partner en
kinderen onder de zes jaar werken. Bij alleenstaande moeders is dit 37%. Driekwart van alle werkende vrouwen zijn
tussen de 25 en 34 jaar. Er is sprake van een verdubbeling ten opzichte van 1990. Het grootste deel van deze
stijging kan worden toegeschreven aan parttime banen; een manier waarop vrouwen een balans vinden tussen werk en de
geringe beschikbare kinderopvang. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen hoog- en laagopgeleide moeders. Van de
laagopgeleide moeders werkt nog geen kwart. Van de hoogopgeleide moeders (HBO en WO) werkt driekwart.
Bij ruim de helft van de gezinnen werken beide ouders. Bij 39% van de gezinnen
werkt enkel de man. De helft van de vrouwelijke beroepsbevolking werkt deeltijd. Voor mannen geldt dat negen van de
tien mannen 35 uur of meer per week werken.
Nederland is in zekere mate een uitzondering in vergelijking met andere
landen. Nederlandse moeders behoren tot de oudste moeders ter wereld. Dertig jaar geleden was een moeder gemiddeld
24 jaar oud als ze haar eerste kind kreeg, nu is dat gemiddeld 29 jaar. De oorzaak hiervoor moet vooral worden
gezocht in het twijfelen aan de kinderwens, het ontbreken van een partner en in de combinatie van werk en zorg.
Naar mate kinderen ouder worden gaan vrouwen in Nederland meer werken. In het buitenland blijft dit stabiel.
Nederland heeft tevens het hoogste aantal parttime werkende vaders: in 1997 ging 10% van de jonge vaders minder
werken of stopte. Voor de moeders geldt dat 25% stopte met werken, 43% minder ging werken en 32% veranderde niets.
De geboorte van het tweede kind gaat gepaard met minder veranderingen.
Het niveau en type werk van moeders (in vergelijking met vaders) geeft in elke
samenleving een beeld van de rol en status van de vrouw in die samenleving. De Emancipatiemonitor 2002 (Portegijs
e.a., 2002) laat zien dat minder vrouwen dan mannen een baan hebben in de EU. Als vrouwen werken, hebben ze vaak
een parttime baan. Dit zijn tekenen van de sociale afstand tussen mannen en vrouwen. Zij illustreren het voorkomen
van traditionele rolverdelingen; de man broodwinnaar en de vrouw huisvrouw. Naast deze indicaties zijn er
overeenkomstige ongelijkheden in de werksfeer te vinden zoals salaris, het soort werk en werkcondities. Ondanks
deze verschillen in werkomstandigheden, werken er steeds meer vrouwen en steeds meer vrouwen werken fulltime.
Volgens de Emancipatiemonitor 2002 (Portegijs e.a., 2002) is de maandelijkse inkomst een belangrijk motief
hiervoor. Moeders bijdrage (naast die van de vader) is nodig om in de behoeften van de familie te voorzien. De
noodzaak van salaris is zelfs nog groter in éénoudergezinnen. Vrouwen werken echter ook om persoonlijke redenen,
zoals dagelijks contact met andere volwassenen, afwisseling of jobsatisfaction.
Voor sommige vrouwen is het ontwikkelen van een carrière een belangrijke
overweging; er voor een lange tijd uit zijn om alle tijd in de opvoeding te steken betekent dat men
werkvaardigheden kwijt raakt en eventuele kansen op promotie of cursussen misloopt.
Portegijs e.a. (2002) beweren dat kinderen profiteren van een moeder die het
naar haar zin heeft op het werk. Zij hebben bijvoorbeeld minder stereotype seksevooroordelen en krijgen een
voorbeeld van evenwichtiger gezinsverhoudingen.
Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat vader daarentegen meer tijd met de kinderen
in het huishouden doorbrengt. Tevens krijgen kinderen vaker huishoudelijke taken toegeschoven, wat goed is voor hun
verantwoordelijkheid. Dat wil niet automatisch zeggen dat moeder minder tijd heeft voor de kinderen. Moeder en kind
kunnen even afstand nemen van elkaar. Dat geeft lucht in hun relatie, vooral als er conflicten zijn.
Volgens Meijvogel & Petrie (1996) hebben
een beleid van gelijke kansen en de publieke discussie voor gelijkheid een effect gehad op de samenleving.
Het promoten van ouderverlof en toegankelijke kinderopvang heeft het makkelijker voor moeders gemaakt om te blijven
werken en voor vaders om een meer gelijkwaardige rol in de opvoeding te spelen. Maar ook waar het beleid van
gelijke kansen minder ontwikkeld is, zien vrouwen frequenter dan vroeger de combinatie werk-ouder als een
acceptabele oplossing. Waar geen groot genoeg of helemaal geen aanbod van publieke kinderopvang bestaat, gaan
ouders op zoek naar privé-bronnen om zelf de opvang te organiseren. Ze betalen commerciële instellingen of
oppasfamilies, als die te vinden zijn. Met medewerking van hun werkgevers regelen sommige ouders hun werktijden
zodat die precies op de schooltijden van hun kind aansluiten; ze nemen onbetaald verlof tijdens vakanties of
snipperen een half uur van hun werkdag af om hun kinderen naar de opvang te brengen. Sommige ouders vinden hulp bij
vrienden of familie. Deze verschillende wegen zijn voor sommige ouders aantrekkelijker dan voor anderen. Om in
staat te zijn zulke overeenkomsten aan te gaan, hebben ouders een baan nodig die genoeg betaalt om de kosten van de
opvang te dekken, een flexibele baas, of vrienden en familie die bereid en in staat zijn om in te
springen.
§ 2.1.2Modernisering van het bestaan
van kinderen
Vanwege de bovengenoemde veranderingen in de economie en leefsituatie is het
leven van het kind veranderd. Tegenwoordig is het leven van kinderen in vele opzichten nauwelijks meer
vergelijkbaar met dat van hun ouders toen zij kind waren. Binnen één generatie zijn er tal van veranderingen
opgetreden die hebben geleid tot wat genoemd kan worden de modernisering van het bestaan van kinderen. Du Bois-
Reymond, Belt e.a. (1998) stellen hiervoor vooral drie aan elkaar gerelateerde processen
verantwoordelijk.
Ten eerste een proces van scholing en pedagogiesering. Dit heeft te maken met
het feit dat kinderen vandaag de dag een hoger opleidingsniveau hebben genoten dan hun ouders. Ze brengen dan ook
meer tijd door buiten gezinssituaties. De peergroup heeft hierbij een
belangrijke betekenis. Tevens hebben kinderen van nu in vergelijking met vroegere generaties meer ervaring met
pedagogische professionals. Te denken valt bijvoorbeeld aan leiders van dagverblijven en
vrijetijdsvoorzieningen.
Ten tweede een proces van informalisering. Relaties tussen mensen zijn minder
sterk gebonden aan vaststaande gedragscodes. Gedragsalternatieven zijn toegenomen. Dat geldt ook voor betrekkingen
tussen kinderen en hun ouders en andere opvoeders. Hierdoor hebben kinderen enerzijds meer vrijheden, maar
anderzijds moeten zij beschikken over zelfcontrole en in staat zijn rekening te houden met anderen.
Het derde proces betreft een toename van de keuzevrijheid voor kinderen en
jongeren. De grotere zelfstandigheid en keuzevrijheid voor kinderen is mede een gevolg van gezinsmodernisering en
verandering in opvoedingswaarden. Kinderen kunnen o.a. mee beslissen over hun dagindeling en
vrijetijdsbesteding.
§ 2.1.3 Toename menselijke mobiliteit
Naast deze maatschappelijke processen is de omgeving waarin het kind opgroeit
ook veranderd. Wat is er zoal veranderd aan die omgeving? Evers en Jacobs (2003) stellen dat er sprake is van een toename in menselijke mobiliteit. Ze duiden hierbij op een
kenschets van de moderne samenleving van Michael Walzer. De mens is steeds meer in beweging. Volgens Walzer is dit
op vier vlakken zichtbaar. In de eerste plaats noemt hij een geografische mobiliteit. Mensen verhuizen veel meer
dan vroeger. Hierdoor worden familiebanden een stuk losser dan voorheen. Mensen horen eigenlijk nergens meer echt
thuis. In de tweede plaats is er sprake van een sociale mobiliteit. De sociale positie wordt steeds minder door
iemands afkomst bepaald. Men trouwt bijvoorbeeld niet meer persé met iemand van de eigen stand. Ook veranderen
mensen steeds vaker van baan. Er worden geen traditionele wijsheden meer overgedragen van de ene op de andere
generatie, deze informatie is namelijk snel verouderd in een mobiele samenleving. In de derde plaats wordt maritale
mobiliteit genoemd. Wat partners van elkaar kunnen en willen verwachten is minder duidelijk geworden. Het aantal
echtscheidingen is sterk toegenomen. Na de scheiding gaan mensen vaak weer nieuwe (tijdelijke) banden aan. Een en
ander blijft waarschijnlijk niet zonder invloed op de kinderen. Tot slot is er sprake van een politieke mobiliteit.
Mensen scharen zich niet meer vanzelfsprekend achter een politieke beweging. Ze maken bij verkiezingen steeds opnieuw uit op wie ze gaan stemmen. Deze
instabiliteit kan een negatief effect hebben op de gemeenschapsbanden op lokaal niveau.
Deze vier mobiliteiten versterken elkaar. Naar mate iemands leven instabiel en
onvoorspelbaar is, concentreert hij zich op de middelen die het enigszins beheersbaar maken. Dit levert een
voortdurende mobilisering op. Hierin neemt het belang van het gezin toe; het moet een veilige haven zijn waar
ouders en kinderen beschutting kunnen vinden.
Volgens Meijvogel & Petrie (1996) is deze mobilisering voor een deel
voorzien en gewenst door de economische samenleving. Een mobielearbeidskracht wordt gezien als een efficiënte
arbeidskracht, waardoor het concurrentievermogen van de Europese industrie toeneemt. Mobiliteit brengt ook
voordelen mee voor individuen en hun familie; mensen verlaten hun eigen locatie, regio of land om elders werk te
vinden. Migranten kunnen door hun verplaatsing winst boeken op het gebied van werk of sociale en lichamelijke
zekerheid, maar hiernaast zijn er ook verliezen.
Ze zijn buiten bereik van hun eigen familie en van bekende netwerken. Ze
kunnen problemen met de taal en cultuur ondervinden en last hebben van racisme.
De opvang van schoolgaande kinderen kan een nuttig component zijn in het
beleid van de overheid voor mobiele families. Ook voor de gemeenten waar zij wonen en die naar acceptatie van de
nieuwe families streven, is de opvang van belang. De opvang kan een teken zijn van inburgeringen integratie van
zowel ouders als kinderen in de samenleving. Het kan ouders helpen nieuwe netwerken op te bouwen en het kan racisme
tegengaan.
§ 2.1.4 Verkleining families
Naast de toename in menselijke mobiliteit heeft er nog een andere relevante
sociale vernieuwing plaatsgevonden: de verkleining van families. Deze wordt door Meijvogel en Petrie (1996)
beschreven in de resultaten van een onderzoek naar kinderopvang in verschillende Europese landen. Kinderen hebben
steeds minder broertjes en zusjes om thuis mee te interacteren. Daarom in een sociale omgeving des te
belangrijker.
School kan een zekere mate van gezelschap met andere kinderen bieden. Dit is
afhankelijk van de lengte van de schooldagen, of er pauzes zijn en de mate van
formaliteit in het klaslokaal. Maar de vriendschappen die op school worden gemaakt, kunnen onderbroken worden door
de schoolvakanties. In Nederland hebben schoolgaande kinderen twaalf vakantieweken per jaar.
Daarbij komt het feit dat straten in de buurt of wijk minder snel
ontmoetingsplaatsen en speelplaatsen zijn dan één of twee generaties terug. Ze worden steeds meer als vijandelijk
gezien voor ouders en kinderen. Het verkeer is gevaarlijk en er is kans op aanvaringen met groepjes dreigende
volwassenen, jongeren of zelfs kinderen. Ook plattelandskinderen hebben zo hun
eigen problemen. Het platteland staat niet meer voor een ideale speelplaats (als het dat ooit al gedaan heeft) waar
men veilig en vrij kan spelen.
Kinderen hebben vandaag de dag behoefte aan de interventie van volwassenen,
van hun familie en van de samenleving in het algemeen om hen veilige mogelijkheden te bieden om in contact te komen
met leeftijdsgenootjes. Verschillende manieren kunnen effectief zijn. Te denken valt aan regulering van het
verkeer, speelplaatsen en kinderopvang.
Op de kinderopvang, de BSO, wordt later teruggekomen. In de volgende paragraaf wordt een beeld
geschetst van de ontwikkeling van het kind. Dit heeft als doel met een bredere kennis het onderzoek te
starten. Tevens zullen een aantal sociale aspecten terugkomen die eerder zijn toegelicht.
§ 2.2 Kindontwikkeling
Om een kind te kunnen begrijpen moet men onder andere weten hoe zijn
ontwikkeling verloopt en wat en wie een kind hebben gevormd tot de persoon die hij nu is. Deze ontwikkeling is nauw
verbonden met een aantal factoren. Zo heeft het gezin waaruit het kind komt invloed, net zoals de omgeving, de
vrienden etc.
Wenar en Kerig (2000) geven aan dat het bestuderen van de ontwikkeling van een
kind gedaan kan worden aan de hand van een model.
Dit model bestaat uit vier niveaus.
- Intrapersoonlijk: gedrag, cognitie, persoonlijkheid etc.
- Interpersoonlijk: ouder-kind, peers, leerkracht-kind etc.
- Superordinate: het gezin, ses, cultuur etc.
- Organisch: genen.
Deze factoren zijn allemaal met elkaar verweven. Hoe precies, zal in dit
hoofdstuk helder worden. De facetten uit dit model zullen alle aan bod komen. Er wordt begonnen bij het begin: de
geboorte.
§ 2.2.1Kind, gezin en
relaties
Wanneer een kind wordt geboren kan het niet zelf de ouders kiezen of een gezin
waarin het graag groot zou worden gebracht. Ouders en het gezin zijn wel factoren die het kind voor een groot deel
maken en vormen. Zij spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van het kind. Jonge kinderen zijn nog erg
afhankelijk. Naar mate kinderen ouder worden groeit hun onafhankelijkheid.
Berk (2000) geeft in haar boek aan dat de ontwikkeling van een kind vroeger
eigenlijk alleen maar vanuit ‘one way’ effecten bekeken werd, zoals bijvoorbeeld vanuit de moeder-kind relatie.
Tegenwoordig erkent men dat kinderen niet alleen gevormd worden door ‘inputs’ van anderen. Men kijkt nu ook naar de
bidirectionele invloeden. Dat wil zeggen de acties en reacties van het gezin en de andere familieleden. Al deze
invloeden hebben impact op het kind. Men gebruikt ook wel de term gezinssysteem. Daarmee duidt men aan dat alle reacties/ acties van de gezins- en
familieleden elkaar beïnvloeden, zowel direct als indirect.
Banden met de maatschappij, waaronder de buitenschoolse opvang natuurlijk ook
valt, beïnvloeden ouder-kind relaties. Berk (2000) geeft een aantal
redenen waarom de banden met de maatschappij stress in het gezin verminderen en de ontwikkeling van het kind
verhogen. Allereerst biedt sociale ondersteuning interpersoonlijke acceptatie. Sociale netwerken bieden vaak
toegang tot belangrijke diensten en informatie. De maatschappij kan daarnaast opvoedingscontrole bieden en
voorbeeldfiguren opleveren. Niet alleen ouders maar ook andere volwassen beïnvloeden de ontwikkeling van
kinderen.
§ 2.2.2Ouderschap
Welke invloed ouders precies uitoefenen zal duidelijk worden in deze
paragraaf. Hierbij staan betrokkenheid en het geven van ruimte centraal.
De mate waarin ouders op hun kind betrokken zijn en de mate waarin zij hun de
ruimte geven om zich te ontwikkelen zijn twee gronden waarop de omgang van ouders in het gezin is gebaseerd (Van
der Ploeg, 1998). In de terminologie wordt dit aangeduid als emotionele betrokkenheid en ontwikkelingsruimte
bieden.
Van der Ploeg
(1998) beschrijft deze begrippen als volgt.
Emotionele betrokkenheid
geeft aan dat ouders op verschillende manieren op hun kinderen betrokken kunnen zijn. Enerzijds
kunnen ouders erg veel van hun kinderen houden en veel warmte uitstralen
Anderzijds kan de emotionele betrokkenheid ook een negatieve inhoud krijgen
doordat ouders voor hun kinderen geen liefde kunnen opbrengen en hun afwijzen. Tussen deze beide uitersten van
liefde en afwijzing kan de betrokkenheid op het kind zich bevinden. Het spreekt eigenlijk vanzelf dat voor een
gunstige ontwikkeling van het kind een betrokkenheid nodig is die bestaat uit het liefdevol bieden van een klimaat
van geborgenheid.
Ontwikkelingsruimte bieden
wil zeggen dat het kind voldoende ruimte moet krijgen om zich te ontwikkelen. Bijvoorbeeld om zijn
omgeving te verkennen, te experimenteren met nieuw verworven gedrag en fouten te maken. De ouders zorgen ervoor dat
het kind de mogelijkheden krijgt om onder meer dingen zelf te onderzoeken en uit te proberen. De ouders zullen
gelegenheden moeten scheppen waarin het kind de kans krijgt te ontdekken wat wel en niet kan. Aan de andere kant
kunnen de ouders ‘boven op het kind zitten’ en het kind weinig ruimte bieden en het kort houden.
Kiviet (1998) vindt de juiste manier van omgang met het kind noodzakelijk. Dit
kan op diverse wijzen. Vormen van positieve omgang zijn; ondersteuning geven, sturen zonder straffen, consequent
handelen, openheid bieden en aandacht en respect tonen voor het kind. Vormen van negatieve omgang zijn;
machtsuitoefening, onthouding van liefde, overbescherming, belemmeren van sociale relaties en laten gaan. Deze
vormen van omgang worden naast thuis ook op school, BSO’s en clubs gehanteerd. Naast de vorm van omgang spelen ook
de draagkracht en de draaglast van de ouders een belangrijke rol. De mate van stimuleren en ondersteunen zijn
daarbij koersbepalend. Ouders die een hoge draagkracht hebben zullen anders handelen dan ouders met een lage
draagkracht en andersom. Ditzelfde geldt voor de draaglast. Volgens Kievit (1998) kent het ouderschap drie
kernfuncties; interpreteren, respecteren en regisseren.
Interpreteren. Resultaten vergelijken en oplossen. De ouder moet de stroom en
stimuli die het kind uitzendt interpreteren binnen een relevant patroon en een gepast antwoord geven. Dit kan
alleen wanneer de ouder zijn kind ‘kent’ en ‘begrijpt’.
Respecteren.
Dit verwijst naar de kwantiteit en kwaliteit die de ouder in het kind investeert. Een juiste
afstemming speelt hierbij een belangrijke rol.
Regisseren.
Dit verwijst naar het leidende en sturende gedrag van de ouders. Het gaat er in het algemeen om een juiste mix te
bieden van controle en strengheid enerzijds en de kans om te exploreren en te experimenteren anderzijds.
Natuurlijk heeft de opvoeding ook haar consequenties. Traas (1997) geeft in zijn boek weer dat
gedrag niet altijd berust op eigen keuze, maar dat het ook samenhangt met de cultuur en historische
ontwikkeling waarin wij ons bevinden. Belsky (1984) ziet het opvoedend handelen als een proces, dat
gedetermineerd wordt door de vele kenmerken van ouders, het kind en de sociale context.
§
2.2.3Opvoedingsstijlen
De drie kernfuncties kunnen op diverse manieren gecombineerd en uitgevoerd
worden. Men spreekt over diverse opvoedingsstijlen. Een bepaalde opvoedingsstijl leidt vaak tot overeenkomstige
kinduitkomsten. Zowel thuis als op de BSO wordt het kind geconfronteerd met een bepaalde opvoedingsstijl. Het
gedrag van het kind wordt hier voor een groot deel door bepaald.
Baumrind beschrijft in Schaffer (1996) vier opvoedingstijlen waarin de
kernfuncties van Kievit terugkeren.
- De autoritaire
opvoedingsstijl.
Deze opvoeders oefenen macht uit op hun kind en vertonen een onechte houding.
Zij vragen maar zelden naar de mening van het kind en prijzen het kind weinig. Zij tonen weinig plezier in wat
hun kind bereikt. Zij vragen veel van hun kind en gebruiken tactieken om volledige controle over het kind te
krijgen. Zij verwachten dat hun verzoeken zonder uitleg zullen worden gehoorzaamd. Kinderen van deze ouders
blijken vaak humeurig, uitdagend, afhankelijk en sociaal incompetent.
- De autoritatieve
opvoedingsstijl.
Deze opvoedingsstijl biedt warmte en toont affectie. Ook is hier een hoog
niveau van verwachtingen. Deze ouders hebben wel controle over hun kind, maar niet op een straffende manier. Zij
moedigen het kind aan en respecteren de wil van het kind. Zij communiceren duidelijk en strikt met het kind,
maar niet uitermate restrictief.
Hun kracht ligt in de uitleg die zij geven over de regelgeving. Deze kinderen
blijken het meest competent te zijn.
- De permissieve
opvoedingsstijl.
Deze opvoeders tonen veel liefde en genegenheid, maar doen dit met weinig
controle over het kind. Er is sprake van een hoge mate van responsiviteit, maar er worden weinig tot geen eisen
gesteld. De opvoeders hebben weinig verwachtingen, zijn laks en inconsistent. Zij overleggen met het kind over
beslissingen en geven uitleg over eventuele regels. De kinderen van deze ouders blijken vaak doelloos, weinig
assertief en ongeïnteresseerd om iets te bereiken.
- Afwijzende/ verwaarlozende
opvoedingsstijl.
Deze opvoedingsstijl stelt geen eisen en kent geen responsiviteit. Er wordt
niet op vragen van het kind gereageerd en er wordt ook niets van het kind verwacht. Deze opvoeders houden zich
niet bezig met de activiteiten van het kind en proberen het daar ook niet in te coachen. Zij stimuleren het kind
niet en bieden het kind weinig structuur om de wereld te begrijpen en sociale regels te leren kennen. Zij zijn
sterk afwijzend of verwaarlozend t.a.v. hun opvoedverantwoordelijkheid. Deze kinderen blijken vaak het minst
ontwikkeld op cognitief en sociaal gebied.
De opvoedingsstijl kan samenhangen met de sociale klasse, de mate van armoede
of rijkdom en de etniciteit van het gezin (Schaffer, 1996). Binnen deze stijlen worden een aantal doelen
gehanteerd. Deze worden in de volgende paragraaf besproken.
§ 2.2.4Opvoedingsdoelen
Zoals al eerder aan de orde is geweest zijn gezinnen geïsoleerd geraakt en
veel meer op zichzelf aangewezen door de snelle verandering van de maatschappij en de toegenomen mobiliteit van de
bevolking. Velen zullen dit als een bevrijding ervaren. Men kan naar eigen inzicht leven en zijn kinderen opvoeden.
Maar volgens Traas (1997) kunnen ouders en opvoeders niet goed aan hun kinderen overbrengen wat zij zelf niet in
praktijk brengen. Als ouders geregeld door het rode licht rijden, kunnen ze niet van kun kinderen verwachten dat ze
altijd voor het rode stoplicht zullen wachten. Zij hebben een voorbeeldfunctie.
Dit doet toch ook een groot beroep op verantwoordelijkheid en
creativiteit van opvoeders. Daarnaast moeten opvoeders bepaalde opvoedingsdoelen
nastreven. Langeveld (1969) maakt een onderscheid tussen opvoeden en opvoeding.
Opvoeden is het handelen dat bewust wordt verricht om een opvoedingsdoel te bereiken; het is een
streven. Opvoeding verwijst naar alle factoren die (achteraf) bijgedragen hebben tot de feitelijke
totstandkoming van de opvoedingsdoelen: het resultaat geldt.
Traas vindt (1997) de opvoedingsrelatie de basis en de kern van de opvoeding.
In deze relatie wordt het kind geaccepteerd zoals het is, maar tegelijk wordt het uitgenodigd zich te ontwikkelen.
De belangrijkste voorwaarden voor een opvoedingsrelatie zijn volgens hem betrokkenheid, respect, intimiteit,
veiligheid, acceptatie en uitdaging.
Een van de meest belangrijke voorwaarden voor volwassenheid en dus één van de
doeleinden van de opvoeding, maar tegelijkertijd een voorwaarde daarvoor, is de ontwikkeling van identiteit. Enkele
voorwaarden hiervoor zijn:
-
De bereikbaarheid van de opvoeder, zoals communicatie, betrokkenheid en
identificatie;
-
de eigenheid van het kind;
-
kind en cultuur. Cultuur verbindt. Het geeft een gevoel van onderscheiden te zijn en er toch
bij te horen, een basis te hebben die van jou is maar die je toch met anderen deelt. Ook rituelen spelen
hierbij een rol. Het is belangrijk dat een kind in de gezamenlijke viering van cultuurgebonden festiviteiten
zijn verbondenheid met de zijnen en tegelijkertijd zijn eigenheid ervaart.
§ 2.2.5Behoeften
Naast het nastreven van bepaalde doelen, wat invloed heeft op de ontwikkeling
van een kind, heeft een kind ook specifieke basisbehoeften waar de ouders aan moeten voldoen. Timmers-Huigens
(1992) schrijft dat de behoefte aan voedsel en lichamelijke verzorging en de behoefte aan zekerheid in de ruimste
zin van het woord de twee belangrijkste behoeften zijn, voor ieder mens, in elke tijd. Deze behoeften zijn voor
kinderen en volwassenen zowel thuis als daarbuiten van belang.
Kinderen hebben er behoefte aan te voelen dat ze erbij horen, zowel door
liefde te geven als door liefde te ontvangen. Waardering van anderen is de basis voor zelfrespect, zelfvertrouwen
en zelfwaardering. Waardering is nodig om de wereld in te durven gaan, om te durven ondernemen en te onderzoeken,
om relaties aan te gaan en te durven leren.
Timmers-Huigens (1992) zegt dat deze behoefte en de manier waarop daaraan
voldaan wordt, alles te maken heeft met de manier waarop een kind in de wereld staat en tegen zichzelf aan kijkt.
De behoefte om “te doen waartoe men in staat is” wordt deels ingegeven door wat men bij anderen ziet, maar ook door
wat aanvoelt als mogelijk voor jezelf. De behoefte om te kennen en te leren, om te begrijpen en te beheersen komt
uit deze behoefte voort. Het is de behoefte om zelf iemand te zijn.
Elk mens heeft volgens Timmers-Huigens (1992) veiligheid nodig. Vanuit de
manier waarop men zich veilig voelt, kun je als mens je taak aan. Kinderen kunnen zich veilig voelen wanneer
opvoeders goed luisteren, heel duidelijk en regelmatig tijd uittrekken om samen wat leuks te doen, samen met
kinderen dingen doen waar ze nog onzeker over zijn, goede prestaties duidelijk waarderen, achter kinderen staan en
voor hun opkomen, fouten niet eindeloos breed uitmeten.
Kinderen verschillen in de manier waarop ze aan hun ouders en anderen gehecht
zijn. De manier waarop men zich hecht ligt niet zozeer aan het karakter, maar aan hele vroege ervaringen.
Basisveiligheid in de relatie is daarvoor een heel belangrijke ervaring. Kinderen die veilig gehecht zijn, hebben
het volste vertrouwen in de relatie. Ze hebben het niet nodig om heel dicht bij hun ouders of verzorgers te zijn.
Ze gaan ervan uit dat die vertrouwde volwassene toch wel ter beschikking is als dat nodig is. Naar mening van Kugel
(1993) zijn ook gedragscomponenten zoals emoties, motoriek, sensoriek, taal, denken, sociaal gedrag en andere
componenten per persoon verschillend. De mogelijkheden en beperkingen ervan worden bepaald door onze aanleg, door
de op basis daarvan verworven vaardigheden, en door de kansen die het leefmilieu biedt voor verdere ontwikkeling.
De verschillende gedragscomponenten bepalen tegelijkertijd ook onze behoeften. Door onze aanleg en door de situatie
waarin we opgroeien en nu leven, zijn die behoeften individueel sterk verschillend. Ze veranderen bovendien per
leeftijds- en ontwikkelingsfase, en ze manifesteren zich in elk milieu anders. Het is wel zo dat die behoeften ons
motiveren. Ze zetten ons aan tot actie en geven richting aan ons gedrag. Het is daarom belangrijk, maar in de
praktijk helaas lang niet altijd vanzelfsprekend dat de mens voor zijn behoeften een adequaat milieu aantreft. Toch
is een adequaat milieu levenslang de voorwaarde voor optimale ontwikkeling en optimaal functioneren.
§ 2.2.6Kind en
ontwikkeling
In voorgaande is de invloed op de ontwikkeling van het kind van ouders en
omgeving besproken. De opvoedingsstijl die gehanteerd wordt, de doelen die door ouders gesteld worden en het
voldoen aan bepaalde basisbehoeften spelen daarin een belangrijke rol.
Nu zal ter voorbereiding van het onderzoek een schets worden gegeven van de
‘normale’ ontwikkeling van het kind.
De ontwikkeling van kinderen kent een bepaald verloop. Dat verloop wordt door
Van der Ploeg (1998) uitgedrukt in zogenaamde ontwikkelingsfasen. Dit houdt in dat op de weg naar volwassenheid
telkens een aantal stappen wordt gezet die voor alle kinderen een zelfde volgorde heeft. Weliswaar verschillen
kinderen onderling in het tempo waarin de weg naar de volwassenheid wordt afgelegd, maar zij passeren dezelfde
stations in dezelfde volgorde. Binnen elke fase liggen bepaalde taken die door het kind moeten worden volbracht.
Om zich in de volgende fase naar behoren te kunnen ontwikkelen dienen de ontwikkelingstaken in de voorafgaande
fase eerst te worden uitgevoerd. De ontwikkeling gaat tot op zekere hoogte spelenderwijs. Het kind maakt zich
binnen bepaalde fasen specifieke vaardigheden eigen om zo de volgende ontwikkelingsstappen te kunnen
zetten.
Twee belangrijke principes spelen hierbij een rol: kinderen moeten worden
gestimuleerd en aangemoedigd om die stappen te zetten en kinderen moeten er aan toe zijn (rijp zijn) om bepaalde
stappen in bepaalde fasen te kunnen zetten. Van de opvoeder wordt hieromtrent een alerte en open houding
verwacht.
Wanneer het kind er niet in slaagt een bepaalde ontwikkelingstaak te volbrengen, bestaat er volgens
Rispens (1996) een verhoogde kans dat er later problemen ontstaan.
Meijvogel & Petrie (1996) geven aan dat de jaren die kinderen op school
doorbrengen, hun eigen specifieke ontwikkelingstaken en sociale verwachtingen met zich meebrengen. De meest
opvallende (niet persé de meest significante) zijn alle taken die verbonden zijn met school en het behalen van een
diploma. Maar hiernaast zijn er andere belangrijke aspecten van de ontwikkeling die veel verder gaan dan het school
curriculum en die speciaal relevant zijn voor de kinderopvang van schoolgaande kinderen. In deze jaren ontwikkelen
de kinderen zich lichamelijk en groeien ze naar seksuele volwassenheid toe. Hun vriendschappen en relaties buiten
de familie worden belangrijker. In toenemende mate zorgen ze voor hun eigen lichamelijke behoeften en ontwikkelen
ze een complexer begrip van de materiële en sociale wereld waarin ze leven. Achtereenvolgens zullen nu een aantal
aspecten van de ontwikkeling besproken worden die van belang bleken te zijn bij het interviewen van acht en negen
jarige kinderen met betrekking tot de BSO.
Emoties
Berk (2000) schrijft dat emoties een sterke invloed op cognitieve processen en
het geheugen hebben. Emotionele reacties zorgen ervoor dat het kind leert, wat nodig is voor een goede
ontwikkeling. Het kind kan zich bijvoorbeeld beter een doktersbezoek herinneren waarbij de dokter gemeen was dan
waarbij de dokter aardig was. Emotioneel begrip helpt kinderen in de omgang met leeftijdsgenootjes.
Kinderen van vier à vijf jaar beoordelen de oorzaken van vele emotionele
basisreacties correct. Bijvoorbeeld: ‘het kind is verdrietig omdat hij zijn moeder mist.’ Ze kunnen ook al redelijk
voorspellen hoe een persoon met een bepaalde emotie zal reageren.
Vanaf de leeftijd acht à negen zijn kinderen in staat om verschillende
informatiebronnen te gebruiken bij het verwoorden van andermans gevoelens. Bijvoorbeeld niet alleen: ‘hij is blij
met zijn nieuwe fiets’, maar ook: ‘hij is blij met zijn nieuwe fiets omdat hij zo met zijn vader een tochtje gaat
maken.’ Ze zijn zich er tevens van bewust dat mensen meer dan één emotie tegelijkertijd kunnen ervaren. Ook zijn
verschillen in positieve en negatieve gevoelens en intensiteit bekend. Kinderen weten hierdoor dat
gelaatsuitdrukkingen niet altijd de werkelijke gevoelens weergeven. Tevens nemen de gevoelens van empathie toe. Het
zelfbewustzijn van emoties integreert met interne standaarden voor goed gedrag. Zelf-regulatiestrategieën
(betreffende emoties) nemen toe in variatie en worden geïnternaliseerd en aangepast aan de omgeving.
De cognitieve ontwikkeling beïnvloedt dit begrip van emotie. Hiernaast spelen
sociale interacties een rol. Hoe vaker opvoeders emoties labellen en uitleggen aan het kind, hoe sneller de
ontwikkeling verloopt.
Moraliteit
Kroon (2003) zegt dat kinderen waarden en normen leren door fijngevoelige,
oplettende en bekwame opvoeders. Van hen leren kinderen de regels voor goed gedrag.
Die regels worden al gauw vanzelfsprekende gewoonten (Kroon, 2003). Volgens
Kohnstam (1992) zijn er vier voorwaarden nodig om van moraal weten tot
handelen te kunnen komen.
Morele empathie.
Men moet kunnen aanvoelen dat en kunnen schatten hoe het welzijn van anderen wordt beïnvloed
door het eventuele eigen gedrag.
Moreel
redeneren. Men moet in gedachten kunnen uitmaken wat moreel gezien het beste eigen
gedrag zou zijn.
Morele
afweging. Men moet kunnen afwegen wat het effect zou zijn van verschillend eigen
gedrag - van het meest gewenste en van de alternatieven – en tot een beslissing komen.
Moreel
gedrag. Men moet voornemen in gedrag kunnen omzetten.
Kinderen moeten deze handelingen eigen maken.
Berk (2000) beschrijft de theorie van Piaget, die een pionier was op dit
gebied. Piaget beweert dat kinderen onder de tien jaar wat betreft hun moraal nog onder gezag van anderen staan.
Hij noemt de fase tussen de leeftijd van vijf en tien de ‘heteronomous morality’. Kinderen in deze fasen beschouwen
regels als iets dat door de autoriteiten zo gesteld is, als onveranderbaar en als iets dat strikte navolging dient.
Ouderlijk gezag en cognitieve onvolwassenheid resulteren in een oppervlakkig moreel begrip. Vanaf de leeftijd van
tien jaar gaat wederkerigheid een belangrijkere rol spelen. De kinderen zijn over het welzijn van anderen even
bezorgd als over hun eigen welzijn. Onderzoek bevestigt de denkbeelden van Piaget, maar een aantal aspecten van
zijn theorieën zou de morele capaciteit van kinderen onderschatten. Vanaf negenjarige leeftijd realiseren kinderen
zich namelijk dat morele inschattingen per situatie kunnen verschillen. Ze weten dat ‘je woord niet houden’ in
sommige situaties erger is dan in andere situaties.
Kohlberg noemt in Kohnstamm (1992) drie niveaus bij het redeneren over morele
problemen.
Preconventionele fase
uit de kleutertijd. ‘Goed’ is bij kinderen uit deze fase een individueel criterium, namelijk wat
fijn is voor degene die iets doet.
Conventionele fase
uit de schoolleeftijd. ‘Goed’ is een algemeen geldend criterium, het is ‘wat hoort’. Het komt erop
aan je overeenkomstig algemeen geldende normen te gedragen.
Postconventionele fase.
‘Goed’ is relatief. Ieder is persoonlijk verantwoordelijk om in een situatie zelf af te wegen welke
algemeen geldende norm de doorslag moet geven. Tussen de zeven en elf jaar speelt de internalisatie van sociale
normen een belangrijke rol. Hierbij zijn beloningen, straffen en autoritaire figuren nadrukkelijk
aanwezig.
Berk (2000) geeft aan dat kinderen de verschillen leren tussen moraliteit,
sociale conventies en persoonlijke keuzes. Eerlijkheid gaat een grotere rol spelen en wordt aangepast aan
situaties. Het morele denken van het kind laat zien dat er aan de behoeftes en goedkeuring van anderen wordt
gedacht. Kroon (2003) spreekt in zijn artikel over werktuigen waar ouders en leiding zich van bedienen om
moraliteit te kunnen waarborgen. Zij moeten het goede voorbeeld laten zien, liefde en aandacht geven, structuur
bieden en consequent zijn. Daarnaast geeft hij aan dat kinderen normen en waarden al doende leren. Dit gaat via
fijngevoelige, oplettende en bekwame opvoeders. Van hen leren kinderen de regels voor goed gedrag. Die regels
worden al gauw vanzelfsprekende gewoonten.
Vriendschap
Vriendschap is gebaseerd op affectie en is gericht op nabijheid en steun
(Kohnstam, 1992). Hartup geeft in Schaffer (1996) aan waarom vriendschap belangrijk is. Allereerst geeft hij aan
dat zo de basis sociale vaardigheden worden ontwikkeld en beoefend. Daarnaast doen kinderen zo zelfkennis en kennis
van de wereld op. Vriendschappen geven emotionele support en zijn voorboden van latere relaties. Berk (2000) voegt
daar nog aan toe dat vriendschappen tevens voor steun zorgen bij alledaagse stress.
Zij geeft aan dat kinderen vriendschap op iedere leeftijd anders
beleven.
Kinderen tussen de vier en zeven jaar zien een vriendje meestal als een handig
speelkameraadje. Hij is iemand waar je je speelgoed mee deelt. De vriendschappen zijn van korte duur. Kinderen
tussen de acht en tien jaar zien vriendschap echter als een wederkerig vertrouwen en hulp. De vriendschap wordt
complexer en is meer gebaseerd op psychologische redenen en deels op wederkerigheid. Kinderen vinden elkaars
eigenschappen leuk en reageren op elkaars behoeften. De vriendschap duurt langer. Kohnstam (1992) voegt daaraan toe
dat kinderen in deze leeftijd een vriend of vriendin omschrijven als personen die je nodig hebt. Ze geven je raad
bij problemen, troost bij verdriet en aan een vriend vertel je dingen van jezelf die niemand anders mag
weten.
Berk (2000) geeft aan dat er naast de leeftijdsverschillen, ook
geslachtsverschillen zijn in beleving. Meisjes vinden de emotionele band en het vertrouwen van een vriendschap
belangrijker dan jongens. Jongens hebben wel hechte vriendschappen maar uiten dit minder.
Kohnstam (1992) merkt daarbij op dat een populair kind met veel contacten niet
persé een vriend of vriendin hoeft te hebben. Twee kinderen die overal buitenstaan kunnen genoeg hebben aan elkaar.
Populariteit is een goede leerschool voor sociale vaardigheid, maar van vriendschap gaat uiteindelijk een meer
vormende waarde uit voor de persoonlijkheid. Van Eijkeren (1998) schrijft in haar
artikel dat vriendschappen voor kinderen onmisbaar zijn. Daarbij stelt zij dat het dagelijks contact op school niet
voldoende is om echt vriendschap te sluiten, daar zijn afspraken buiten schooltijd voor nodig. Dit vormt een groot
probleem voor kinderen die naar de BSO gaan, aldus Van Eijkeren.
Zelfstandigheid
In de schoolleeftijd maakt een kind een stormachtige ontwikkeling door.
Kohnstam (1992) stelt vast dat een kind in bepaalde mate competent moet zijn om zelfstandig te kunnen zijn.
Aspecten van competentie die in deze periode plaatsvinden zijn mastery
(zich nieuwe vaardigheden eigen maken) en effectance motivation (oude,
te gemakkelijke vaardigheden opgeven). Op het moment dat het kind een nieuwe vaardigheid heeft ontwikkeld, stelt de
omgeving ook nieuwe eisen, oftewel andere ontwikkelingstaken. Thuis,
school, de BSO en de verdere omgeving van het kind zijn operatieterreinen. Dit zijn plekken waar situaties plaatsvinden waarin een kind
de gelegenheid krijgt nieuwe sociale, cognitieve en motorische vaardigheden te laten zien. Deze vier factoren
beïnvloeden elkaar in wisselwerking en tezamen vormen zij voor een kind een persoonlijke geschiedenis in
competentie-ervaringen.
Mondigheid
Kinderen vanaf een jaar of acht gaan mondigheid eisen. Zij leren op school dat
zij mee mogen praten en willen dat thuis ook. In het begin gaat dat heel onbeholpen. Het kind wordt boos om
allerlei dingen die het niet wil. De tijd van naar bed gaan bijvoorbeeld, of wat het wil eten en wat niet. Welke
t.v. programma’s het mag zien en welke niet. Het kind zal er vaak een autoriteit bij halen om aan te tonen dat het
gelijk heeft. De kinderen van deze tijd zijn mondiger geworden.
Na dit geschetste beeld van de ‘normale’ ontwikkeling wordt in de volgende paragraaf terug gegaan
naar de opvang. Uitgelegd zal worden welke vormen opvang er zijn en wat de plek van de BSO daarin
is.
§ 2.3 Buiten Schoolse Opvang
Buitenschoolse opvang kent een aantal vormen, wordt op verschillende tijden
van de dag georganiseerd en kan al dan niet in samenwerking zijn met andere instellingen.
In deze paragraaf wordt eerst aandacht besteed aan de inhoud en plaats van de
BSO in Nederland. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de manier waarop Denemarken, Zweden en Frankrijk (alle ver
ontwikkeld in de BSO) de opvang hebben georganiseerd.
§ 2.3.1 Buiten Schoolse Opvang
Nederland
In Nederland bestaan verschillende vormen van opvang voor schoolgaande
kinderen. Eén hiervan is de BSO. Om verwarring met andere systemen te voorkomen wordt een overzicht van de
verschillende vormen van opvang weergegeven. Dit overzicht is afgeleid van de beschrijving die Meijvogel &
Schreuder (1997) geven in hun boek met basisinformatie over de BSO. Hierna wordt dieper op het fenomeen BSO
ingegaan.
· Buiten Schoolse Opvang
De BSO verzorgt kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van vier tot en met
twaalf jaar. De kinderen worden overdag buiten de schooluren opgevangen en tijdens de vakantie en lesvrije dagen.
Buitenschoolse opvang vindt plaats in georganiseerd verband waarbij de verantwoordelijkheid van de ouders tijdelijk
wordt overgenomen door de groepsleiding van de instelling. Volgens de wet is er per maximaal tien kinderen één
groepsleider aanwezig.
Naast de groepsopvang in een instelling, valt ook gastouderopvang
(zie volgende pagina) onder de term BSO.
· Na Schoolse Opvang
Na Schoolse Opvang (NSO) is opvang ná schooltijd. Als een instelling enkel
opvang na schooltijd en in de schoolvakanties biedt, wordt de hele voorziening vaak naschoolse opvang genoemd. In
de benaming wordt de opvang vóór schooltijd nadrukkelijk uitgesloten. Er is verder geen sprake van verschil tussen
NSO en BSO.
· Voorschoolse opvang
Voorschoolse opvang staat voor opvang ‘s morgens vroeg vóór schooltijd. Deze
naam kan tevens in een ander verband gebruikt worden voor peuteropvang. In dat geval heeft het betrekking op de
voorschoolse leeftijd.
· Gastouderopvang
Gastouderopvang is een vorm van
opvang voor kinderen van 0 jaar tot aan het einde van de basisschoolleeftijd. Deze opvang vindt plaats voor en/of
na schooltijd en in (een deel van de) schoolvakanties. Deze opvang vindt plaats in het huis van een gastouder of
bij het kind thuis. Een gastouderbureau zorgt voor de bemiddeling van vraag en aanbod en de uiteindelijke selectie.
Zowel de gastouder als de opvangomgeving moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Gastouderopvang voor kinderen
in de basisschoolleeftijd is een vorm van buitenschoolse opvang.
· Verlengde schooldag
De verlengde schooldag kan men zien als een onderdeel van het
onderwijsvoorrangsbeleid. De activiteiten in het kader van een verlengde schooldag zijn gekoppeld aan een school en
bedoeld om de ontwikkeling van de kinderen extra te stimuleren. De verlengde schooldag is door zijn expliciete
educatieve doelstelling en zijn geringe aantal uren per week geen buitenschoolse opvang.
· Brede school
De Brede School is een voorziening ontstaan uit onderlinge afstemming en
samenwerking tussen de BSO en een Basisschool. Er wordt samengewerkt
aan het aanbod van onderwijs, culturele- en vrijetijdsvoorzieningen.
Niet elke BSO is gelijk. Er zijn veel overeenkomsten, maar elke voorziening
heeft haar eigen kleur. De kinderen, de opvattingen van de leiders en directie, de mening van ouders en kinderen,
de situatie in de buurt, tradities en financiën zijn factoren die meebepalen hoe een BSO eruitziet. Een goede BSO
is dan ook divers, zoals kinderen dat ook zijn.
Uit de Emancipatiemonitor 2002 van het Centraal en Cultureel Planbureau
(Portegijs, Boelens en Keuzenkamp, 2002) blijkt dat meer dan 50% van alle kinderen tot twaalf jaar te maken hebben
met opvang. Hiervan heeft 40% te maken met een combinatie van verschillende vormen van opvang. Te denken valt
bijvoorbeeld aan overblijven op school in combinatie met de BSO en een oppas. Van alle kinderen tussen de tien en
dertien jaar maakt echter maar 33% gebruik van opvang. Van alle kinderen die opvang genieten bezoekt
1/15e de BSO. De helft van alle kinderen die de BSO bezoeken is tussen de vier en zes jaar oud. Kinderen
worden gemiddeld twaalf uur per week opgevangen. Meer dan negen van de tien ouders regelen kinderopvang in verband
met hun werk.
Hoe lang deze opvang bestaat zal in de volgend e paragraaf besproken worden
aan de hand van een stukje geschiedenis met een aantal feiten.
§ 2.3.2Geschiedenis Buiten Schoolse
Opvang
De BSO lijkt een vrij recent fenomeen maar bestaat echter al ruim 30 jaar. Van
Dijk & van den Nieuwenhuizen (2002) beschrijven in Info Buitenschoolse opvang en brede school 2002/2003 wat vooraf ging aan de BSO
die men vandaag de dag kent.
De heer Schalkwijk startte in 1975 een onderzoek naar sleutelkinderenopvang.
In 1981 werden door het ministerie van WVC (nu VWS) twaalf experimentele BSO’s gefinancieërd. De Werkgemeenschap
Kinderopvang Nederland (WKN) heeft dit begeleid. De experimenten hadden als doel ervaring op te doen voor de
organisatie van de BSO. In 1985 constateerde de WKN dat de BSO in het rijks- en gemeentebeleid nog maar weinig
aandacht kreeg. Hoewel de behoefte aan opvang door de wachtlijsten kon worden aangetoond, was het erg moeilijk om
de experimenten te laten financieren door de gemeente. In 1986 werd het Europese Netwerk voor BSO (ENSAC)
opgericht.
Begin 1987 werd in de nota ‘Uitbreidingsplan kinderopvang’ van de
Emancipatieraad voorspeld dat de behoefte aan kinderopvang voor nul- tot dertienjarigen alleen nog maar toe zou
nemen. Hier werden drie oorzaken voor aangewezen. De toenemende arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen met
kinderen, de toename van éénoudergezinnen en de verandering van de houding tegenover werkende vrouwen met kinderen.
In 1989 verscheen het regeringsstandpunt kinderopvang. Hier werden maatregelen in aangekondigd om het tekort aan
opvangplaatsen te verkleinen. De gemeenten zouden subsidie krijgen voor elke extra plaats die zij realiseren in een
kinderdagverblijf. Tevens stelde de overheid extra financiële middelen beschikbaar. Per 1991 werden deze twee
maatregelen ook voor de BSO geldig.
Tijdens de stimuleringsperiode (1990-1995) veranderde de kinderopvang van een
welzijnsvoorziening naar een meer bedrijfsmatige sector. De participatie van het bedrijfsleven in de financiering
nam toe. Per 1996 werden de rijksmiddelen voor de kinderopvang naar de gemeente gedecentraliseerd. In de nota
‘kansen op combineren’ is aangegeven dat de overheid de komende jaren een structureel stimuleringsbeleid zal
blijven voeren. De kinderopvang als maatschappelijke voorziening en de sector in z’n geheel zullen hierdoor hun
positie versterken.
Van Dijk en van Nieuwenhuizen (2002) beschrijven een roep om pedagogische vernieuwing van de opvang
in Info Buitenschoolse opvang en brede school 2002/2003. De vraag
naar deze vernieuwing is voortgekomen uit de beleidsadviezen van de Commissie
Kwaliteit Kinderopvang. De kinderopvang zou zich meer moeten richten op een verantwoorde opvang van de
kinderen. Tevens zouden pedagogen in Nederland zich aangesproken moeten voelen om zich ook weer met de gewone
opvoeding bezig te houden. Zo zouden voor de kinderopvang speciale pedagogische concepten ontwikkeld moeten
worden voor de opvoeding in groepsverband in een instelling. Ouders zouden dan de mogelijkheid krijgen om
opvang te kiezen op grond van pedagogische uitgangspunten (zoals men met het kiezen van een school gewend
is). Hier is in zekere zin gehoor aan gegeven. De afgelopen jaren is gezocht naar pedagogische concepten in
binnen- en buitenland. Pedagogen als Montessori en Freinet, die zich richten op kinderen in de
basisschoolleeftijd, werden door de kinderopvang als inspiratiebron gebruikt.
De pedagogische vernieuwing van de BSO richt zich vooral op het loslaten van
het groepsgericht werken en op het stimuleren van de zelfstandigheid van de kinderen. Daarmee is er veel meer
aandacht gekomen voor de wensen van de oudere kinderen en probeert men door een aantrekkelijk activiteitenaanbod
aan deze wensen te voldoen. Hiermee is men aangekomen bij de functie van de BSO.
§ 2.3.3Functie Buiten Schoolse
Opvang
In eerste instantie heeft de BSO een opvangfunctie. Het is een voorziening die
elke werkdag open is, waar zorg voor de kinderen is en waar ouders hun kinderen aan toevertrouwen. Van Dijk en van
Nieuwenhuizen (2002) stellen dat alleen de opvangfunctie vervullen echter niet
voldoende is, de kinderen moeten er ook met plezier komen. Het is een plek waar ze een deel van hun vrije tijd
doorbrengen en daarom moeten ze zich er kunnen ontspannen, dingen doen die ze leuk vinden en vooral zelf kunnen
kiezen wat ze willen doen (of niet doen). De BSO vervult dan ook een recreatieve functie.
Meijvogel (1991) geeft aan dat de BSO een omgeving wil creëren die kan
concurreren met de eigen gekozen vrijetijdsbesteding van kinderen die na schooltijd naar huis gaan. Maar wat is
voor kinderen nu eigenlijk vrije tijd en wat doen kinderen dan? Zij stelt dat vrije tijd de tijd is waarin de
kinderen niet naar school moeten. Daarbij worden huiswerk, sport en muzieklessen niet meegerekend. Het gaat
namelijk om zélf gekozen tijdsbesteding, gestructureerd of ongestructureerd.
Er kan een derde functie aan de BSO toegekend worden. Van Dijk & van
Nieuwenhuizen (2002) noemen namelijk een educatieve functie. Kinderen kunnen
bepaalde vaardigheden leren zoals bijvoorbeeld het bespelen van een muziekinstrument. Is de opvangfunctie in eerste
instantie het meest in het belang van de ouders, de recreatieve functie en de educatieve functie zijn voor de
kinderen erg belangrijk. Om deze functie zo goed mogelijk te vervullen, zoeken sommige BSO’s aansluiting bij
activiteiten op school, sociaal cultureel werk en diverse verenigingen. De BSO stelt zich steeds meer op als een
voorziening midden in de samenleving.
In paragraaf 2.3.4 zal duidelijk worden dat per BSO de manier van leeftijd
indelen verschilt. Bij elke leeftijdscategorie hoort een specifieke manier van aanpak.
§
2.3.4Leeftijdsdifferentiatie
Wat betreft de indeling van de kinderen in groepen hebben de meeste
opvangcentra de voorkeur voor het differentiëren naar leeftijd. Verschillende behoeften, gedrag en interesses bij
verschillende leeftijden zorgt voor deze voorkeur voor horizontale groepen waarbij kinderen met dezelfde leeftijden
samen in een groep zitten. Maar in de praktijk kan er echter niet
altijd voor deze indeling worden gekozen. Vaak is het aanbod van de kinderen te klein en kan er daarom slechts één
groep gevormd worden. De meeste BSO’s kiezen dan ook voor twee leeftijdscategorieën of voor verticale groepen
waarbij kinderen met verschillende leeftijden gemengd worden. In het eerste geval wordt vaak voor groepen met
kinderen van vier tot en met zeven, acht tot en met tien en tien tot en met twaalf gekozen. Vaak liggen aan de
keuze zowel organisatorische als pedagogische redenen ten grondslag.
Van Dijk en van Nieuwenhuizen (2002)
belichtten verschillende voor- en nadelen van verticale
groepen. Mogelijke beweegredenen om voor een verticale groep te kiezen kunnen zijn:
-
Dat er zijn zo weinig kinderen zijn dat één gemengde groep de enige mogelijkheid
is.
-
dat de verticale groep de gezinssituatie benadert waar ook mensen met verschillende
leeftijden samen leven;
-
dat het goed is voor de sociale ontwikkeling; jongere en oudere kinderen kunnen van elkaar
leren;
-
dat er meer continuïteit is; de kinderen kunnen langer in dezelfde groep blijven.
Hiernaast zou men rekening met de volgende knelpunten moeten
houden.
-
Kinderen die van leeftijd verschillen hebben verschillende interesses.
-
Het brengt een ruimte- en inrichtingsprobleem met zich mee; wat spannend en uitdagend is voor
oudere kinderen is soms niet veilig voor jongere kinderen.
-
Door onevenwichtige leeftijdsopbouw (in de praktijk zijn er vaak meer jongere dan oudere
kinderen) dreigen oudere kinderen buiten de boot te vallen.
Volgens van Dijk en van Nieuwenhuizen (2002) wordt de BSO wordt vooral door
kinderen onder de tien jaar bezocht. Het aanbod is vaak niet voldoende afgestemd op de oudere kinderen; zij
vinden het er te saai of te kinderachtig. Enerzijds vinden ouders dat oudere kinderen (boven de tien jaar)
best wel een paar uurtjes alleen thuis kunnen doorbrengen. Anderzijds zijn veel BSO’s op dit gebied bezig een
aantal veranderingen door te voeren. Ze doen hun best om de oudere kinderen op de BSO te houden door een meer
op hun leeftijd aangepast aanbod.
Een vrij nieuwe ontwikkeling is het ontstaan van de zogenaamde tien plus
groepen. Instellingen gaan er steeds meer naar toe om kinderen vanaf negen jaar in een aparte groep op te vangen
met een daarbij horend activiteitenprogramma. Soms loopt deze groep door als tieneropvang groep. De kinderen kunnen
dan gebruik blijven maken van de opvang als ze naar het voortgezet onderwijs gaan (van
Dijk & van Nieuwenhuizen, 2002).
§ 2.3.5Aanbod
De inhoudelijke vernieuwing van het aanbod van de opvang richt zich in eerste
instantie op de kinderen. Oudere kinderen wensten meer vrijheid en uitdaging en bij gebrek daaraan verlieten zij
voortijdig de BSO. Door meer op de wensen van de kinderen in te gaan ontstaat er op dit moment een nieuw aanbod.
Door kinderen te laten participeren krijgt de BSO inzicht in de wensen en behoeften van het kind. Op die manier kan
het aanbod beter worden afgestemd en is de kans groter dat de kinderen langer op de BSO blijven. Kinderparticipatie
is tevens een recht van kinderen. Nederland heeft in 1994 het VN-Verdrag van de Rechten van het Kind getekend
waardoor kinderen recht hebben gekregen op informatie, participatie en bescherming (van
Dijk & van Nieuwenhuizen, 2002). Voor de BSO heeft het betrekken van de kinderen in het vormgeven van
het aanbod tevens als voordeel dat de kinderen zich meer verantwoordelijk zullen voelen op het moment dat ze zelf
hebben meegedacht en hebben kunnen kiezen voor een bepaald aanbod (deWinter,
1995).
Een andere ontwikkeling is het loslaten van het groepsgericht werken. Kinderen
spelen vandaag de dag steeds meer met wie ze willen en doen mee aan activiteiten waar ze zin in hebben. In
verschillende ruimtes vinden verschillende activiteiten plaats zodat de kinderen zelf een keuze kunnen maken. Het
aanbieden van activiteiten vergroot de aantrekkelijkheid van de BSO. Het is noodzakelijk om alle kinderen te
blijven boeien.
Hiernaast spelen educatie en ontwikkeling van het kind een rol. Kinderen vanaf
acht jaar willen vaak allerlei vaardigheden leren en ontwikkelen een hobby. Het aanbieden van activiteiten kan
echter ook als een service aan de ouders worden gezien. Ouders vinden het belangrijk dat kinderen zich breder
ontwikkelen dan enkel via schoolse vorming. Vaak stimuleren zij hun kinderen om deel te nemen aan clubs of lessen.
Meestal komt het erop neer dat ouders zelf hun kinderen naar deze activiteiten brengen. Om de combinatie arbeid en
zorg te verlichten kan de BSO deze taak op zich nemen.
Op deze manier profiteren meer kinderen van het aanbod. Het samenvoegen van
opvang en activiteiten zal al snel leiden tot een grotere voorziening waarvan dan ook meer kinderen gebruik zullen
gaan maken. Sommige kinderen zullen voor de BSO komen, anderen alleen voor de activiteiten.
Bij het aanbieden van deze activiteiten kan echter ook een kanttekening worden
geplaatst. In onze westerse maatschappij hebben kinderen vaak net zo een druk bezette agenda als hun ouders.
Sommige kinderen nemen deel aan drie verschillende georganiseerde activiteiten zoals een sport of muziekles. In de
Scandinavische landen doet deze trend zich al langer voor. Pedagogen waarschuwen daar tegen het te ver doorslaan
van de balans tussen vrij spel en georganiseerde activiteiten. Vrij spel is essentieel voor het sociale leren van
de kinderen. Binnen het vrije spel leren kinderen initiatieven nemen, het spel sturen, onderhandelen met andere
kinderen, ruzie maken en oplossen etc. Binnen de BSO moeten er dan ook voldoende mogelijkheden blijven om vrij te
kunnen spelen (van Dijk & van Nieuwenhuizen, 2002).
Hiernaast is het thema zelfstandigheid van groot belang op de BSO. Het gevaar
is aanwezig dat kinderen die naar de BSO gaan te beschermd opgroeien. Zij spelen minder op straat en zijn meestal
onder toeziend oog van een volwassene. Het is dus van belang dat de BSO bewust werkt aan de zelfstandigheid van de
kinderen.
Momenteel wordt geëxperimenteerd met de zogenaamde TOP-groepen (Tijd voor
Ontspanning en Plezier). Hierbij krijgen kinderen vanaf acht jaar een verkeerstraining zodat ze als ze negen jaar
zijn zelfstandig naar de opvang kunnen komen en naar activiteiten in de buurt kunnen gaan. Bij dit programma
betekent opvang dat de kinderen veel zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid ontplooien. De kinderen krijgen
meer vrijheid en zijn niet constant onder het toeziend oog van de leiding.
Van groot belang hierbij zijn de ouders; zij moeten goed geïnformeerd en
betrokken worden. Ten eerste moeten zij op de hoogte zijn van de visie op zelfstandigheid van de instelling en ten
tweede zullen zij toestemming moeten geven voor de te geven vrijheden. Vaak gebeurt dit schriftelijk in de vorm van
een contract (van Dijk & van Nieuwenhuizen, 2002).
§ 2.3.6Pedagogisch
beleid
Naast de functies, het aanbod en de leeftijdsdifferentiatie streeft de BSO een
aantal doelen na. Opvoeden is niet het primaire doel van de BSO. Toch levert ook de BSO een bijdrage aan de
opvoeding van de kinderen. Dit gebeurt vaak automatisch door eigen voorbeeldgedrag van de leiding, door kinderen te
corrigeren, te stimuleren samen te spelen en nog veel meer van dit soort alledaagse bezigheden. Naast dat onbewuste
automatische opvoeden hebben veel BSO’s ook een speciaal pedagogisch beleid (van Dijk,
1998).
De laatste jaren heeft de discussie over de kwaliteit van de kinderopvang zich
geleidelijk verplaatst van de structurele kenmerken naar het primaire pedagogische proces dat zich binnen de
kinderopvang afspeelt. De structurele kenmerken worden vandaag de dag als belangrijke randvoorwaarden voor
kwaliteit beschouwd.
Onder die kwaliteit valt onder andere het pedagogisch proces, hierin staat de
leiding en hun relatie met de kinderen centraal. Tavecchio (2002) noemt een
aantal factoren dat een rol speelt bij het handhaven van de kwaliteit van kinderopvang. Hij noemt bijvoorbeeld een
goede opleiding voor de leiding en een flexibele overlegstructuur tussen de verschillende opvoeders. Hierbij wordt
de stem van het kind echter niet genoemd. Is dit niet juist één van de belangrijkste factoren?
Riksen-Walraven (2000) heeft in haar oratie naar voren gebracht dat in
diverse contexten gemeenschappelijke opvoedingsdoelen moeten worden nagestreefd. Zij formuleerde vier
pedagogische basisdoelen van de opvoeding van kinderen in gezin en opvang. Dit zijn veiligheid (geborgenheid
en vertrouwen), persoonlijke competentie, sociale competentie en waarden en normen. Tevens spelen interacties
tussen kinderen een belangrijke rol.
Het pedagogisch beleid vormt de basis van de opvang die wordt geboden. In dit
beleid wordt de visie aangegeven die men heeft op de opvoeding van kinderen en de rol van de BSO daarbij. Vanuit
deze visie wordt een aantal uitgangspunten geformuleerd die van belang zijn voor de BSO en van waaruit men gaat
werken. Vervolgens kijkt men wat deze uitgangspunten betekenen voor de manier waarop leiders met de kinderen omgaan
ofwel het pedagogisch handelen. Wil een instelling in aanmerking komen voor een certificering, dan is zij verplicht
een pedagogisch beleid te voeren. Voor de BSO heeft een pedagogisch beleidsplan een paar belangrijke voordelen. Het
is voor de ouders duidelijk waar de instelling voor staat, wat zij belangrijk vindt aan de opvoeding van kinderen
en op welke manier hier uitvoering aan wordt gegeven. Het beleid is hierdoor inzichtelijk en er kan makkelijk over
gepraat worden.
Ook in samenwerking met andere organisaties kan men duidelijk maken waar men
voor staat in het opvoeden van de kinderen. Voor de groepsleiding betekent het dat ze weten wat belangrijk wordt
gevonden in de instelling; ook zij kunnen hier discussies over voeren en ze kunnen elkaar aanspreken op het
pedagogisch handelen. Het biedt houvast, geeft handvaten voor handelen en biedt de mogelijkheden voor verdere
beleidsontwikkeling (van Dijk & van Nieuwenhuizen, 2002). Tot nog toe is de
Nederlandse situatie omtrent opvang aan bod gekomen. Nu zal een vergelijking worden gemaakt met een drietal andere
Europese landen.
§ 2.3.7 Buiten Schoolse Opvang
Buitenland
Er zijn veel verschillen tussen landen wat betreft het beleid van
kinderopvang. Een sterk pro-actief beleid wordt gevoerd door Denemarken, Frankrijk en Zweden. Landen waarbij de
opvang zich recent ontwikkelt zijn Luxemburg, Portugal, Nederland, België en het UK. In Ierland, Spanje en Italië
is de kinderopvang gering ontwikkeld. De opleidingseisen van de leiding variëren tevens sterk. In Portugal is
bijvoorbeeld alleen een middelbare schooldiploma vereist, maar in Denemarken en Zweden is een speciale drie jarige
voltijdopleiding verplicht (Meijvogel & Petrie, 1996).
De situaties betreffende de opvang in drie verschillende landen worden hier
geschetst. Dit zijn achtereenvolgens Denemarken, Zweden en Frankrijk.
Denemarken
In Denemarken gaan kinderen vooral ‘s morgens naar school. In tegenstelling
tot andere landen (zoals Duitsland) krijgen kinderen niet extra veel huiswerk mee. Men hecht namelijk sterk aan het
belang van spelen voor de ontwikkeling van het kind. Kinderen beginnen dan ook op zevenjarige leeftijd pas met
school.
Sinds begin jaren ’70 is er sprake van een goede ontwikkeling van de
voorzieningen. Er wordt veel aandacht besteed aan de huisvesting, leiders volgen een driejarige verplichte voltijd
opleiding, nascholing is verplicht en er is veel aandacht voor het programma. De BSO staat los van de school en
wordt gezien als een vrijetijdsvoorziening.
Soms wordt de BSO in school vormgegeven. Dit noemt men skolefritidsordning.
Vaak is dit een economische oplossing. Er zijn dan wel aparte ruimtes met een eigen atmosfeer, ingang en leiding,
maar er wordt tevens gebruik gemaakt van ruimten en materialen van de school. De BSO buiten de school noemt men
fritidhjem. Deze opvang biedt extra ruimten voor speciale activiteiten (Meijvogel,
1996). De centra zijn meestal van zeven uur ‘s ochtends tot half zes ‘s avonds open. De kinderen komen meestal
zelfstandig naar de opvang toe (Meijvogel, 1991).
Zweden
In Zweden is er de laatste tijd veel veranderd. Volgens de wet moeten er
voldoende voorzieningen voor kinderen tot en met twaalf jaar worden aangeboden.
Ook hier is sprake van het systeem van een halve schooldag. De dagen zijn zo
kort omdat er op school enkel wordt uitgelegd en niet wordt gerepeteerd. Kinderen hebben een eigen klassenleraar en
speciale vakleerkrachten. Vanaf de eerste klas is er huiswerk.
In de hogere klassen wordt er meer gewerkt met vakleerkrachten en zijn er vaak
onregelmatige schooldagen (met bijvoorbeeld tussenuren). Men noemt dit systeem fritidshem. Dit systeem zou
opvangproblemen kunnen oproepen. Daarom is school en opvang gecombineerd. Kinderen zijn van acht uur tot half zes
onder de pannen en krijgen tussen de middag een warme maaltijd.
Voor kinderen tussen de tien en twaalf jaar is weer een ander systeem
ontwikkeld, het zogenaamde in- en uitloopsysteem. Deze opvang vindt plaats in een klein gebouw met een centrale
ruimte en kleine ruimten voor binnenactiviteiten. De kinderen spelen buiten in de wijken rond het centrum en komen
zich meteen na school en daarna af en toe melden op de club en kunnen eventueel iets te eten of drinken
kopen (Meijvogel, 1996).
Frankrijk
Net als in Nederland bestaat de Franse schoolweek uit negen dagdelen. Vanaf
twee jaar hebben kinderen toegang tot de kleuterschool. 95% van de kinderen tussen de drie en zes jaar maakt hier
gebruik van. De leerplicht gaat op zesjarige leeftijd in. Een schooldag begint om half negen en eindigt om half
vijf. Tussen de middag is er twee uur pauze (Meijvogel, 1991).
Het opvangcentrum van de kinderen wordt centre de loisirs genoemd. Vaak is
deze gekoppeld aan de school. Hier wordt dezelfde dagindeling als op school gehanteerd, dit is gebaseerd op het
bioritme van het kind. Tussen de middag gaan de kleuters naar de schoolkantine om te eten en daarna slapen ze. Na
de schooldagen biedt het centrum ook opvang.
Volgens het bioritme leren kinderen ‘s morgens en aan het eind van de middag
het best. Tussen elf à twaalf uur en drie uur worden dan ook rustige activiteiten aangeboden (Meijvogel, 1996).
Tijdens de schoolvakanties maken ouders vaak gebruik van de zogenaamde vakantiekolonies. De
kinderen brengen dan één of meer weken vakantie in een groep kinderen door. Dit wordt door ‘animateurs’
begeleid. Meestal gaat de groep kamperen (Meijvogel, 1991).
In deze paragraaf is een beeld geschetst van de BSO in Nederland en buitenland. Om dit beeld
completer te maken wordt in de volgende paragraaf een overzicht gegeven van enkele belangrijke meningen
omtrent opvang van 0-12 jarigen.
§ 2.4 Discussie
kinderopvang
Over kinderopvang is de laatste jaren in de media veel gesproken en geschreven.
Vooral de rede van Riksen-Walraven in 2000 deed aardig wat stof opwaaien.
Riksen-Walraven (2000) geeft in haar rede aan dat er in Nederland nog steeds weerstand bestaat
tegen het ‘wegbrengen’ van kinderen naar opvangcentra. De tijd die kinderen er doorbrengen gaat ten koste van
de tijd waarin ze zich in hun zo gewaardeerde gezinssituatie bevinden en wordt dan ook gezien als een verlies
voor het kind. Maar de vraag of kinderopvang werkelijk schadelijk is voor het kind kan niet zo makkelijk
beantwoord worden. Gemiddeld verschillen groepen kinderen met of zonder opvangervaring niet van elkaar wat
betreft hun ontwikkeling op de belangrijkste gebieden.
In haar rede schetst Riksen-Walraven een genuanceerder beeld. Ze bespreekt drie risicofactoren die
maken dat een kind bij opvang in een kinderdagverblijf een extra grote kans loopt om problemen te krijgen in
zijn ontwikkeling. De eerste risicofactor is een lage leeftijd. Onderzoeken uit verschillende landen tonen
aan dat groepsopvang in het eerste levensjaar de kans op het ontstaan van gedragsproblemen bij kinderen
vergroot. Als tweede risicofactor noemt ze een moeilijk temperament van het kind. Kinderen met een hoge
prikkelgevoeligheid of sociale angst hebben een grotere kans om problemen te krijgen in de omgang met
leeftijdsgenootjes, vooral in grote groepen kinderen met relatief weinig leiders. Een ongunstige
thuissituatie wordt als derde risicofactor genoemd. Kinderen die thuis aandacht en ontwikkelingsmogelijkheden
tekort komen zijn kwetsbaarder in de kinderopvang. De kwaliteit van de opvang speelt hierbij een essentiële
rol. Als de opvang van goede kwaliteit is, hoeft deze geen negatieve gevolgen te hebben, zelfs niet als er
risicofactoren aanwezig zijn.
Van de Weijenberg (2002)geeft naar aanleiding van een interview met Tavecchio zijn mening over de
rede van Riksen-Walraven (2000). Tavecchio vraagt zich bij de rede van Riksen-Walraven af of er werkelijk
reden tot bezorgdheid is, of dat het gaat om interpretatieverschillen. Hij geeft aan dat we niet weten of de
waargenomen effecten ook op langere termijn zullen doorwerken. Daarnaast zijn het Amerikaanse gegevens die
mogelijk niet of niet helemaal voor de Nederlandse kinderopvang gelden.
In een rede bespreekt Tavecchio (2003) zijn eigen onderzoeksresultaten. Hieruit blijkt dat
internaliserend probleemgedrag afneemt bij meer uren opvang. Externaliserend probleemgedrag neemt niet toe.
Kinderopvang zou dus positieve effecten op de ontwikkeling van kinderen hebben.
De rede van Riksen-Walraven (2000) en de rede van Tavecchio (2002) hebben ons terug gebracht bij de
oervraag; is kinderopvang schadelijk voor het kind? De meningen hierover zijn sterk verdeeld. De
belangrijkste argumenten voor en tegen worden besproken. Vervolgens zal blijken dat de voorstanders wel
kritisch zijn. Uiteindelijk wil iedereen natuurlijk het beste voor zijn kind.
Inhet boek ‘Kinderopvang: Goed of slecht?’ van Singer (1993) zegt oud
VVD-raadslid Heeze dat je niet aan kinderen moet beginnen als je zonodig wil blijven werken. Menigeen deelt deze
mening. Jonge kinderen laat je toch niet achter bij ‘vreemden’. Pedagoge Bladergroen (in
Singer, 1993) beweert dat dagverblijf bezoek bij kinderen later allerlei ongewenst gedrag veroorzaakt. Deze
bewering wordt tot op de dag van vandaag door een aantal wetenschappers aangehangen. Tevens zegt Bladergroen dat
leiders niet toekomen aan de individuele ontwikkeling van het kind. Dit punt werd ook
besproken door Riksen-Walraven (2000). Of de leiding wel of niet toekomt aan de individuele ontwikkelingen is
uiteraard afhankelijk van het aantal kinderen per leider, dat kan variëren van één tot tien.
Zoals hierboven reeds vermeld is, beweert Riksen-Walraven (2002) dat de opvang geen negatieve
gevolgen voor de ontwikkeling van kinderen hoeft te hebben als deze van goede kwaliteit is. Oosterlaan (2004)
heeft een andere mening. In zijn artikel over gedragsproblemen en kinderopvang stelt hij dat de risico’s die
de opvang met zich meebrengt onafhankelijk zijn van de kwaliteit van de kinderopvang. De verhouding
kinderen-leiders is naar zijn zeggen niet bepalend. Hij stelt ook dat hoe jonger het kind is wanneer het naar
het dagverblijf gaat en hoe meer tijd het daar per week doorbrengt, des te duidelijker de risico’s zijn.
Hierbij duidt hij op dezelfde risico’s die Tavecchio (2002) bespreekt, namelijk externaliserend
probleemgedrag. Tavecchio constateert in tegenstelling tot Oosterlaan echter geen toename hierin.
Voorstanders van het onderbrengen van kinderen op
de BSO kaarten aan dat kinderen zo makkelijker in contact komen met leeftijdsgenootjes. Van Rijswijk-Clerkx
beweert in Singer (1993) dat kinderen vroeger veel gemakkelijker in contact kwamen met leeftijdsgenootjes. De
gezinnen waren immers veel groter en de straat was nog van de kinderen. Nu groeien veel kinderen op als enig kind
of met hooguit een of twee broertjes of zusjes. Ze doen weinig sociale ervaring op en in een stadswoning valt
weinig te beleven. Zij wijst er dan ook op dat de kinderen en moeders van deze tijd erg geïsoleerd leven. De
kinderopvang zou dus bijdragen aan de sociale contacten. Daarnaast geven vooral leiders aan hoeveel jonge kinderen
al van elkaar kunnen leren.
Ouders geven inSinger (1993) aan dat hun kind op het dagverblijf rekening leert houden met andere
kinderen. Ze leren regels en goede manieren, zoals aan tafel blijven zitten tijdens het eten, wachten op je
beurt en speelgoed opruimen. Kinderen leren zich sneller aan te passen, eerder op dingen af te stappen,
eerder dingen te aanvaarden.
Naast de positieve opmerkingen van de voorstanders, zijn er negatieve klanken
vanuit de ouders. Boomman (1999) geeft in haar artikel aan dat uit onderzoek naar de ervaringen van ouders in de BSO van 4 tot 12 jaar blijkt dat ouders hoge
eisen stellen. Ouders hechten waarde aan professionaliteit, gezelligheid, speelmogelijkheden, flexibiliteit en
contacten met andere kinderen. Als er kritiek komt gaat die over de speelruimte en de aangeboden activiteiten.
Dries (2002) geeft aan dat uit een onderzoek van de consumentenbond blijkt dat klachten van ouders over de opvang
vooral betrekking hebben op incidenten en nauwelijks op structurele problemen. De BSO krijgt vooral kritiek op
incidenten op het gebied vande opvoedkundige aanpak, voorzieningen, organisatie
en verzorging. Een voorbeeld van de opvoedkundige aanpak is het wel of niet maken van
uitzonderingen van bepaalde regels omtrent het eten. Hierbij moet gedacht worden aan het aan tafel blijven zitten
tot iedereen klaar is en opeten wat een kind kiest.
Het opvoedkundig aspect verdient nader bekeken te worden. Wie is er nu verantwoordelijk, de ouders
of de leiding? Hoogland (Van Kerkhof, 2003) vindt dat zowel de ouders als de kinderopvang verantwoordelijk
zijn voor de opvoeding. Deze gedeelde verantwoordelijkheid werkt volgens haar alleen als we goed met elkaar
communiceren.
Zoals al eerder is beschreven hanteren de opvangcentra zogenaamde pedagogisch beleidsplannen. Hier
staat onder andere in beschreven welke opvoedingsdoelen nagestreefd worden. Het lijkt noodzakelijk dat ouders
deze beleidsplannen als selectiecriterium voor de keuze van een BSO hanteren. Op die manier dragen ouders een
deel van hun verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind over aan leiders die opvoedingsdoelen nastreven
waar de ouders achter staan. Met het nastreven van dezelfde doelen zijn we er nog niet. De onderzoekers
sluiten zich bij bovenstaande mening aan: gedeelde verantwoordelijkheid werkt alleen als er goed met elkaar
gecommuniceerd wordt. Ouders en leiders dienen regelmatig met elkaar te spreken over de ontwikkeling van het
kind en de opvoedingsdoelen die naar aanleiding daarvan gesteld worden.
Eerder in dit hoofdstuk is een uitgebreide toelichting gegeven op de opvoeding in de thuissituatie. Nu wordt hier onder
weergegeven welke doelstellingen zowel thuis als op de opvang nagestreefd zouden moeten worden.
Riksen-Walraven (2000) stelt vier pedagogische basisdoelen van de opvoeding van kinderen in gezin en
kinderopvang.
Het aanbieden van:
- Veiligheid; een veilige basis, een thuis waar kinderen zich kunnen
ontspannen en zichzelf kunnen zijn;
- gelegenheid tot het ontwikkelen van persoonlijke competentie zoals
veerkracht, zelfstandigheid, zelfvertrouwen, flexibiliteit en creativiteit;
- gelegenheid tot het ontwikkelen van sociale competentie, zoals zich in
een ander kunnen verplaatsen, kunnen communiceren, samenwerken, anderen helpen, conflicten voorkomen en
oplossen, het ontwikkelen van sociale verantwoordelijkheid;
- waarden en normen, cultuur.
Opvoeden is volgens Feddema (2003) ook voorleven en het overdragen van waarden
en normen. Daarvoor moet je de verantwoordelijkheid als ouders en leiders op je nemen.
Als wordt gesproken over waarden worden de algemene en gezamenlijke
opvattingen en voorstellingen die er in de maatschappij of in een groepering leven bedoeld. Over wat goed en
correct is en daarom waard om na te streven. Met normen worden de door de maatschappij vrijwillig aanvaarde
gedragsregels bedoeld. Waarden en normen worden gevormd. Ze ontwikkelen zich vanuit een voortdurend proces van
interacties tussen mens en maatschappij. Onder andere van thuis naar BSO en van BSO naar thuis. Veel gedrag wordt
aangeleerd. Kinderen imiteren gedrag van mensen uit hun omgeving.
Waarden en normen geven een samenleving houvast en zekerheid, ze bieden
veiligheid en bescherming en zijn een leidraad voor het sociaal maatschappelijke verkeer.
Waarden en normen moeten worden voorgeleefd en nageleefd. De gedeelde
verantwoordelijkheid die ouders en leiders hierin hebben, komt het beste tot zijn recht wanneer er een goede
communicatie plaatsvindt zegt ook Riksen Walraven (2000). Jongepier zegt in het artikel van Kerkhof (2003) dat
ouders en leiders samen een visie moeten ontwikkelen over de opvoeding waarbij de communicatie essentieel is. Zo
kan volgens haar de kwaliteit gewaarborgd worden. Volgens Jellesma, voorzitter van Boink, (in Kerkhof, 2003)schort
er veel aan de communicatie tussen ouders en leiders.
Tavecchio (Van de Weijenberg, 2002) is een groot voorstander van een flexibel overlegmodel tussen
alle partijen die zijn betrokken bij de opvoeding. Er moet gepraat worden over de opvoedingsdoelstellingen
van de verschillende partijen.
Tavecchio vindt, zo schrijft Boomman (1999), dat er meer ondersteuning zou
moeten zijn voor de professionele opvoeders binnen de opvang. Ook zouden pedagogen kwaliteitseisen voor de opvang
moeten helpen formuleren en bewaken. Allerlei belangen spelen binnen de opvang een rol: belangen van kinderen en
ouders, economische of werkbelangen enz. Het belang van het kind dreigt daarbij uit het oog verloren te worden;
‘Gelukkige kinderen, dat is het doel van de opvang,’ aldus Tavecchio (in Boomman,
1999). Daar sluiten de onderzoekers zich bij aan, vandaar dat in dit verslag de mening van het kind centraal wordt
gesteld.
Hoofdstuk 3
Onderzoeksopzet
Zoals uit het vorige hoofdstuk duidelijk is geworden, zijn de meningen over de effecten van opvang
op kinderen verdeeld. De BSO wordt zowel stimulerend als belemmerend gezien voor de ontwikkeling van het
kind. Hiernaast betreft de beschikbare informatie, berustend op wetenschappelijk onderzoek, voornamelijk de
kwaliteit van de opvang. Om een completer beeld van het effect van de opvang te schetsen, zou geluisterd
moeten worden naar de stem van het kind. Hoe beleven de kinderen zélf de BSO? Zij zijn immers de
hoofdpersonen in geheel.
In dit hoofdstuk wordt weergegeven hoe deze vraag beantwoord zal worden. Om te beginnen wordt de
doelstelling van het onderzoek beschreven, de onderzoeksvragen worden weergegeven en de kenmerken worden
gedefinieerd. Aansluitend volgt een beschrijving van kwalitatief onderzoek. Na deze beschrijving wordt de
ethische verantwoording van het onderzoek belicht. Vervolgens worden de controlevariabelen en de populatie
beschreven. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een beschrijving van de dataverzameling- en
verwerkingsmethoden.
§
3.1 Doelstelling
Dit onderzoek is van praktische aard omdat de uitkomsten van het onderzoek
directe bijdragen aan praktijkproblemen zal leveren. Het probleem is in dit geval dat men niet op de hoogte is van
de betekenis van het verblijf op de BSO voor kinderen in de leeftijd van acht en negen jaar. Hieruit blijkt tevens
dat er sprake is van explorerend onderzoek; er is immers nog maar weinig informatie omtrent dit onderwerp bekend.
Dit wil zeggen dat het probleem door middel van een praktijkgericht onderzoek beschreven wordt. De vraagstelling
zal dan ook een beschrijvende zijn. Bij een praktisch onderzoek hoort de regulatieve cyclus. In dit onderzoek zal
de stap ‘beschrijven en interpreteren van een praktijkprobleem’ doorlopen worden. Aangezien de tijd die voor het
onderzoek staat erg kort is, is gekozen om het onderzoek te beperken tot deze stap. De stappen die hierna in de
cyclus volgen zijn gericht op het stellen van diagnosen, plan en besluitvorming, ingreep en evaluatie. Dit komt
hier niet aan de orde omdat het hier een explorerend onderzoek betreft (’t Hart e.a., 1998). Tevens wordt niet met
een opdrachtgever gewerkt. De onderzoekers zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale
Wetenschappen, studierichting Pedagogische Wetenschappen en werken vanuit eigen initiatief.
De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek is gelegen in het
ontwikkelen van kennis over de betekenis van het bezoeken van de BSO voor een specifieke groep kinderen, namelijk
de kinderen van acht en negen jaar die buiten schooltijd gebruik maken
van deze opvang.
De kennis die wordt verworven zal bijdragen aan de wetenschappelijke discussie
betreft de positieve en negatieve invloeden van de buitenschoolse opvang. Met dit onderzoek wordt getracht inzicht
te krijgen in de betekenis die kinderen aan het verblijf in de BSO toekennen.
De maatschappelijke relevantie wordt gevonden in het feit dat de ouders,
verzorgers en leiding een beter beeld krijgen van de betekenis voor het kind van het verblijven op de BSO. De
ouders kunnen deze kennis eventueel gebruiken bij het bepalen van hun werkleefsituatie. Daarnaast is het voor de
leerkracht, pedagoog en medewerkers van de BSO nuttig om de situatie van het kind en zijn omgeving beter te kunnen
begrijpen.
Uit deze maatschappelijke relevantie kan een doelstelling worden afgeleid.
Deze luidt als volgt:
Inzicht verkrijgen in hoe kinderen van acht en negen jaar het verblijf op de Buiten Schoolse Opvang
beleven.
§ 3.2
Onderzoeksvragen
Om deze doelstelling te bereiken wordt de volgende probleemstelling
geformuleerd:
Hoe beleven kinderen van acht en negen jaar, die minstens twee keer per
week naar de Buiten Schoolse Opvang gaan, het verblijf op deze opvang?
Om deze probleemstelling adequaat te beantwoorden wordt gebruik gemaakt van
verschillende onderzoeksvragen:
- Wat vinden de kinderen positief aan het verblijf op de BSO?
- Wat vinden de kinderen negatief aan het verblijf op de BSO?
- Wensen de kinderen veranderingen aan te brengen aan het verblijf op de
BSO? Zo ja, welke?
- Ervaren de kinderen verschillen tussen ‘s middags thuis zijn en op de BSO
zijn?
Zo ja, wat is de aard van deze verschillen?
§
3.3 Definitie kenmerken
In dit onderzoek wordt de betekenis van het verblijf op de BSO gemeten voor
kinderen van acht en negen jaar. De begrippen betekenis, BSO en
kinderen worden nader omschreven:
-
Betekenis:
Betekenis heeft te maken met de ervaring die kinderen hebben op de BSO. De ervaring zorgt er voor dat de kinderen betekenis
verlenen aan het verblijf op de BSO. De ervaring zorgt er tevens voor dat de betekenis van het verblijf voor de
kinderen gekleurd wordt. Op basis daarvan kijken ze op een bepaalde manier tegen de opvang aan. Dit bepaalt hun
houding.
De betekenis kan in verscheidene dimensies opgedeeld worden. Zo kan de
betekenis een positieve en een negatieve kant hebben, sterk en zwak zijn, passief en actief zijn.
-
Kinderen:
Jongens en meisjes in de leeftijd van acht en negen jaar die minstens twee
keer per week na school naar de BSO gaan. Zoals uit de inhoudelijke verkenning is gebleken, is het aanbod van de
BSO niet altijd voldoende afgestemd op kinderen vanaf tien jaar. Wat kinderen van acht en negen jaar van het
aanbod vinden is onbekend.
-
Buitenschoolse opvang:
Dit is een verblijf waar kinderen in de leeftijd van vier tot en met twaalf
jaar door leiders van school worden gehaald en opgevangen worden in een groep van 10 tot 20 kinderen.
§ 3.4 Kwalitatief Onderzoek
Kwalitatief onderzoek kan omschreven worden als onderzoek waarbij men
overwegend gebruik maakt van gegevens van kwalitatieve aard en dat als doel heeft onderzoeksproblemen in of van
situaties, gebeurtenissen en personen gedetailleerd te beschrijven en te interpreteren naar de aard en
eigenschappen (Baarda e.a., 2000).
De gegevens die binnen dit onderzoek van kwalitatieve aard zijn hebben betrekking op de betekenis
van het verblijf op de BSO voor kinderen van acht en negen jaar oud. Er is binnen dit onderzoek sprake van
een onderzoeksprobleem in een bepaalde situatie: het onderzoeksprobleem is in dit geval het gebrek aan kennis
van de betekenis van het verblijf op de BSO voor kinderen in de leeftijd van acht en negen jaar. Door het
beschrijven en interpreteren van de betekenis van het verblijf op de BSO wordt getracht duidelijkheid omtrent
dit onderzoeksprobleem te krijgen.
Kwalitatief onderzoek heeft van doen met theorie: verklaring en exploratie
(Baarda e.a., 2000). Gezien het feit dat er voor het onderwerp binnen dit onderzoek nauwelijks theorieën bekend
zijn, is dit onderzoek dan ook hoofdzakelijk explorerend en beschrijvend van aard. Er is geen inhoudelijke theorie
die als aanleiding of als verklaringskader gebruikt kan worden. Wel kan er een aanzet gemaakt worden tot het
ontwikkelen van een theorie betreffende het onderzoeksprobleem. Dit zal echter gezien het tijdsbestek voor dit
onderzoek niet haalbaar zijn; het kan eventueel een aanbeveling voor vervolgonderzoek zijn.
Kwalitatief onderzoek wordt gedaan onder alledaagse omstandigheden (Baarda
e.a., 2000). Binnen dit onderzoek is dat dan ook het geval. De onderzoekssituatie wordt niet specifiek gecreëerd.
De BSO is immers een reeds bestaande omstandigheid, namelijk een verblijf voor kinderen buiten
schooltijd.
De betekenis van het verblijf op de BSO voor het kind staat centraal en zal
aan de hand van interviews duidelijk worden. Aangezien doorgevraagd kan worden naar de mening van de respondent is
de interne validiteit van open interviews zeer hoog. De betrouwbaarheid van deze manier van dataverzameling is aan
de lage kant.
De betekenisverlening en de subjectiviteit van de betrokkenen binnen een
kwalitatief onderzoek spelen een belangrijke rol (Baarda e.a., 2000). Voor dit onderzoek geldt dat ook. De
vraagstelling is immers hoe kinderen van acht en negen jaar het verblijf op de BSO ervaren. Het gaat hierbij om de
manier waarop de kinderen persoonlijk tegen het verblijf aankijken en dit ervaren.
§
3.5 Ethische verantwoording
Dit onderzoek is ethisch verantwoord. De respondenten doen vrijwillig aan het
onderzoek mee. De onderzoeksgegevens worden anoniem verwerkt en zullen niet aan derden worden verstrekt als hier
niet mee in wordt gestemd. Ook zal er geen valse voorstelling van zaken worden gegeven en de uitkomsten zullen geen
nadelig effect hebben voor de respondenten. Het onderzoek wordt op een controleerbare, eerlijke en objectieve
manier uitgevoerd.
Indien de resultaten van het onderzoek negatief uitvallen voor de BSO, is het
aan de ouders wat zij met deze kennis doen. Wellicht zal er grootschalig vervolgonderzoek komen om te onderzoeken
of deze resultaten generaliseerbaar zijn naar andere delen van Nederland en buitenland. Voor de BSO’s waar het
onderzoek plaatsvindt zullen de resultaten geen directe gevolgen hebben.
§
3.6 Controlevariabelen
Verschillende kenmerken kunnen de betekenis van het verblijf op de BSO voor het kind beïnvloeden.
Te denken valt aan: leeftijd, geslacht, frequentie opvang, plaats in de kinderrij, SES, omvang baan ouders.
In dit onderzoek zijn alle respondenten acht of negen jaar oud. Er werken even veel jongens als meisjes aan
het onderzoek mee. Alle respondenten komen minstens twee dagen per week naar de BSO. De plaats in de
kinderrij, SES en de omvang van de baan van de ouders verschilt echter per respondent.
Betreffende de aard van de opvang, zijn er verschillen tussen de centra.
Sommige centra zijn van half acht tot zes uur open, de leiders brengen de kinderen naar school en halen ze ook weer
op. Andere centra vangen de kinderen alleen ná schooltijd op. Er zijn ook verschillen betreffende de indeling van
de groepen. Zoals is besproken bestaan er zogenaamde horizontale en verticale groepen. De mate van het ondernemen
van activiteiten met de kinderen verschilt per opvang. Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk variabelen in het
onderzoek op te nemen. De beschrijvingen van de BSO’s die medewerking hebben verleend aan het onderzoek, zijn
opgenomen in de bijlagen.
§
3.7 Populatie
De populatie bestaat uit kinderen van acht en negen jaar die naar de BSO gaan. De respondenten
worden via de BSO benaderd.
Allereerst worden alle BSO’s die in het telefoonboek te vinden zijn onder Utrecht, Nijmegen en
Wijchen schriftelijk benaderd. Deze plaatsen zijn op praktische gronden gekozen. In dit schrijven wordt het
doel, de relevantie en de methode van het onderzoek belicht. Vervolgens worden deze BSO’s telefonisch
benaderd om te informeren of ze open staan om aan het onderzoek mee te werken. Is dat het geval, dan kan
gestart worden met de selectie van de respondenten.
Deze selectie verloopt als volgt. Op elke BSO worden op basis van toeval een aantal kinderen
uitgekozen. Dit aantal hangt af van het aantal BSO’s die meewerken.
In totaal worden 24 kinderen geïnterviewd. De selectie gebeurt door een medewerker van het verblijf
en een onderzoeker. Er wordt een lijst gemaakt van alle kinderen van acht en negen jaar die minstens twee
dagen per week naar de BSO komen. Elk kind krijgt een nummer. De onderzoeker noemt zonder de lijst te hebben
bekeken vier nummers op. Deze kinderen krijgen een brief mee naar huis die aan hun ouders is gericht. In deze
brief wordt uitgelegd wat het doel van het onderzoek is en hoe gegevens worden verzameld en gebruikt. Aan de
ouders wordt gevraagd verschillende gegevens in te vullen over de controlevariabelen en hun kind toestemming
te geven voor participatie aan het onderzoek. Tot slot worden de kinderen geïnformeerd over de aard van het
onderzoek en de interviews en wordt aan hen zelf gevraagd of ze aan het onderzoek mee willen werken. Indien
één of meer kinderen niet aan het onderzoek meewerken wordt deze procedure herhaald totdat er genoeg
respondenten bereid gevonden zijn.
§ 3.8 Dataverzamelingstechnieken
In dit onderzoek wordt als onderzoeksstrategie de survey gehanteerd. Er worden gegevens verzameld
door middel van interviews. De opvattingen van de respondenten worden gepeild. Er wordt gebruik gemaakt van
half open interviews met een topiclijst. De betekenis voor het kind staat hier steeds centraal. Het doel van
de interviews is de beleving van de respondenten te meten.
De onderzoekers nemen de rol van onderzoeker aan en maken verder geen gebruik
van een andere rol. Dit is een nauwelijks participerende rol. De onderzoekers blijven op afstand en nemen een
observerende rol aan (Baarda e.a., 2000).
Naast deze observerende en afstandelijke rol, zullen de onderzoekers bij de
afname van de interviews tevens een betrokken rol aannemen. Wanneer de kinderen het
gevoel hebben begrepen te worden zullen zij immers meer informatie loslaten.
Tijdens het interview maken de onderzoekers naast de bandopname aantekeningen
op papier. Deze aantekeningen worden gemaakt in de vorm van steekwoorden. De belangrijkste reden hiervoor is dat de
lijn van het gesprek op deze manier goed vast kan worden gehouden. Zo kan in één oogopslag worden gezien welke
onderwerpen reeds besproken zijn en welke nog aan bod moeten komen.
Omdat oogcontact met de respondent van belang is, worden er geen volledige
zinnen genoteerd. De respondent heeft dan misschien de neiging om steeds te wachten met praten totdat de
interviewer uitgeschreven is.
Op die manier kan zinvolle informatie verloren gaan. Hiernaast worden de
kinderen gevraagd over hun gevoelens te vertellen. Bij erg
persoonlijke onderwerpen kunnen ze zich ongemakkelijk gaan voelen als de interviewer hen voortdurend aankijkt. Hier
komt het maken van aantekeningen dan ook weer van pas. Als de interviewer af en toe eens opzijn papierkijkt en wat
opschrijft voelt het kind zich waarschijnlijk beter op zijn gemak dan bij voortdurend oogcontact.
De interviewer zal af en toe tijdens het gesprek de gekregen informatie
samenvatten. Het samenvatten heeft een controlefunctie. Door samen te vatten wat gezegd is, controleert de
interviewer of hij de respondent goed begrepen heeft. Tevens laat hij de respondent zien dat hij goed luistert en
dus geïnteresseerd is in zijn verhalen. Om te kunnen samenvatten zijn de aantekeningen van groot belang.
De betrouwbaarheid wordt zo veel mogelijk gewaarborgd doordat beide onderzoekers de interviews op
gelijksoortige wijze afnemen en beoordelen. Als leidraad bij de interviews is een topiclijst opgesteld. In
deze lijst staan onderwerpen vermeld die tijdens de interviews aan bod kunnen komen. Deze lijst is tot stand
gekomen door een combinatie van literatuuronderzoek en het afnemen van proefinterviews. Per interview kan van
de lijst worden afgeweken. De interviews zijn immers half open en er wordt dan ook ingesprongen op de
onderwerpen die de respondent aandraagt. De lijst ziet er als volgt uit:
Topiclijst
Boek schrijven, bandrecorder, vertrouwelijkheid.
- Gang van zaken op het
verblijf.
Beschrijf eens hoe een dag verloopt waarop je naar de BSO gaat.
Hoe verloopt een middag op de BSO?
Wat is er allemaal te doen op de BSO?
Verschil dag thuis en BSO.
Beschrijf wat je leuk vindt op de BSO.
Beschrijf wat je minder leuk vindt op de BSO.
Vertel eens iets over je vriendjes en vriendinnetjes.
Hoe verloopt een middag thuis?
Hoe vind je het dat je ouders werken?
· Veranderingen.
Wat zou je wel willen veranderen?
Wat zou je niet willen veranderen?
· Afsluiting
Nog iets vergeten?
De betrouwbaarheid van dit onderzoek wordt tevens vergroot door het gebruik
van audioapparatuur. Tijdens het interview wordt hier gebruik van gemaakt. Hiernaast is de situatie waar de
interviews zijn afgenomen voor de kinderen een bekende en vertrouwde omgeving, dit draagt bij aan de
betrouwbaarheid (Baarda e.a., 2000). Door het zo nauwkeurig mogelijk beschrijven van het onderzoeksproces wordt
door de onderzoekers een hoog niveau van betrouwbaarheid nagestreefd. De kinderen kunnen op de dag van het
interview echter beïnvloed zijn door externe factoren, zoals bijvoorbeeld een ziekte of ruzie, die hun weerslag
kunnen hebben op de onderzoeksresultaten.
De doelstelling die de onderzoekers voor ogen hebben bij het afnemen van de
interviews is meer inzicht krijgen in de betekenis van de BSO voor kinderen van acht en negen jaar. Er wordt naar
diepgang gestreefd: het hoe, waarom en waartoe zal worden uitgevraagd. Beide onderzoekers zullen zelfstandig twaalf
kinderen interviewen. Deze interviews worden over twee maanden verdeeld en zullen plaats vinden op de BSO in een
afgesloten ruimte. Dit is een vertrouwde omgeving voor hetkind. Dit werkt voor het kind geruststellend en komt de
validiteit en betrouwbaarheid ten goede. De onderzoekersproberen het kind zo veel mogelijk op zijn gemak te
stellen.
§ 3.9 Dataverwerking en data-analyse
Door het gebruik van data registratieapparatuur wordt de betrouwbaarheid van de dataverwerking- en
analyse verhoogd. Met behulp van de memorecorder kunnen de gegevens in detail worden nageluisterd, wat het
foutief weergeven van gegevens tot een minimum beperkt. De interviews worden letterlijk weergegeven en
vervolgens geanalyseerd.
Bij het uitvoeren van de kwalitatieve data-analyse is het computerprogramma Winmax gebruikt. Dit
programma maakt de stappen die tijdens de analyse worden genomen inzichtelijker. De analyse is uitgevoerd
naar de analysestappen van Baarda e.a. (2002). De analysestappen die in dit onderzoek zijn genomen zijn als
volgt.
Stap 1:
Allereerst wordt begonnen met het selecteren van relevante informatie. De
informatie die gerelateerd is aan de beleving van de kinderen op de BSO wordt geselecteerd. Niet relevante tekst
wordt doorgestreept.
Stap 3:
Deze fragmenten worden gelabeld. Ieder fragment wordt voorzien van een naam.
Deze naam is een kernwoord dat aangeeft waar het fragment over gaat. De fragmenten worden geordend en gereduceerd
tot labels.
Stap 4:
De fragmenten met een soortgelijk label worden bij elkaar gezocht. Hier wordt
een kernlabel bij geformuleerd oftewel een overlappende naam.
Stap 5:
Vervolgens wordt het labelingsysteem gecontroleerd op geldigheid. Dit gebeurt
door de labeling toe te passen op nieuwe gegevens (zoals een interview dat nog niet is verwerkt) en te onderzoeken
of deze dekkend is.
Stap 6:
Het vaststellen van de intersubjectiviteit. Het uitvoeren van de bovenstaande
stappen kan afhankelijk zijn van toevallige kenmerken van een onderzoeker. De intersubjectiviteit wordt vastgesteld
door beide onderzoekers dezelfde analyse uit te laten voeren.
Stap 7:
Het beantwoorden van de vraagstelling. In deze stap zullen de onderzoekers de
gevonden begrippen beschrijven.
Hoofdstuk 4
Resultaten
In dit hoofdstuk zullen de resultaten van de interviews besproken worden en
uitspraken van kinderen aan bod komen. Hierbij moet worden vermeld dat van sommige kinderen meer uitspraken genoemd
worden dan van andere kinderen. Dat heeft te maken met het feit dat sommige kinderen over bepaalde zaken niets
verteld hebben of op sommige vragen slechts met ja of nee geantwoord hebben, terwijl anderen daar meer toelichting
gaven. De namen die zijn gebruikt zijn pseudoniemen, om zo de anonimiteit van de
geïnterviewde kinderen te waarborgen.
De volgende onderwerpen komen achtereenvolgens aan bod: activiteiten en spelmateriaal, BSO wel of
niet leuk, deel uit maken van een groep kinderen, vervelen, leiders en regels, vergelijking tussen BSO en
thuis en toveren op de BSO. Voordat deze onderwerpen besproken worden, worden de resultaten eerst
overzichtelijk in tabelvorm weergegeven. Voor elke paragraaf van dit hoofdstuk is een tabel aanwezig. Deze
tabel geeft de beschreven resultaten in een kwantitatieve vorm weer. In de linkerkolom van de tabel staan de
labels vermeld die bij het onderwerp van de betreffende paragraaf horen. De cijfers in de rechterkolom geven
aan hoeveel fragmenten er per label zijn verzameld en hoeveel regels tekst deze fragmenten samen in beslag
nemen.
§ 4.1 Activiteiten en spelmateriaal
Tabel 4.1
|
Gang van zaken
Leeftijdsgebonden activiteiten
-
Goed
-
Veel
-
Weinig
Leuk om te doen
Leukst om te doen
Niet leuk om te doen
-
Kan niets bedenken
Opsomming mogelijkheden
-
Binnen
-
Buiten
Thuis
-
Leuk
-
Nadeel
-
Voordeel
-
Binnen
-
Buiten
-
Veel te doen
-
Weinig te doen
|
[10:31]
[1:4]
[1:2]
[2:11]
[39:72]
[8:15]
[9:18]
[5:8]
[48:104]
[25:57]
[5:5]
[7:18]
[12:34]
[20:51]
[6:9]
[16:27]
[8:19]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
Aan de kinderen is gevraagd wat er gebeurt als ze op de BSO komen. De meeste
kinderen geven aan dat je mag spelen tot iedereen er is. Dan wordt er gezamenlijk gegeten en gedronken en daarna
mag er weer gespeeld worden. Vervolgens worden aan het einde van de middag de kinderen opgehaald door hun ouders.
Youri omschrijft deze gang van zaken als volgt:
‘Nou, als iedereen er is, dan gaan we
een cracker eten. Ik neem meestal een cracker met pasta en daarna gaan we gauw spelen en wachten tot de ouders ons
op komen halen.’
Op de BSO is heel veel te doen. Dit blijkt uit de antwoorden die de kinderen
hebben gegeven. Binnen kun je er spelletjes doen, ping pongen, darten, computeren, tekenen, knutselen, Donald
Duckjes lezen, stoeien op de mat, t.v of video kijken, verven, hutten bouwen, een cursus Capoëra volgen, met
kussens spelen, deelnemen aan weekactiviteiten, kaarten ruilen en spelen in de gymzaal, in de bouw- of poppenhoek.
Pieter, Steven en Koen verwoorden de activiteiten achtereenvolgens:
‘Computeren, maar die is stuk, het
schiet niet zoveel op en je kan van alles in de gymzaal doen. Je kan spelletjes doen, bijvoorbeeld domino. Je kan
hier in het atelier hierachter kan je knutselen en zo en knutsel activiteiten en zo.’
‘Dan gaan we met de kussens zo een
stuntbaan maken en zo, een stoeibaan.’
‘We hebben een poppenhoek en ook een
…een leeshoek en zo ook een trein, en euh duplo en en andere dingen en je kunt ook euh tekenen en euh we we stoeien
vaak met A. en andere kinderen op de mat en dat vinden we leuk.’
Naast al deze activiteiten die binnen worden gedaan, noemen ook veel kinderen
het buitenspelen als activiteit. Ze vertellen dat je buiten kunt spelen met de bal, springtouwen, rekstokken kan
gebruiken, tikkertje of verstoppertje spelen, hutten kan bouwen, spelen in de zandbak, schommelen en fietsen.
Sommige kinderen geven aan dat ze naar de speeltuin gaan of een enkele keer naar het strand. Maartje en Fleur
vertellen het volgende over buiten spelen:
‘Maar soms zijn er ook hele leuke
dingen buiten te doen. Je kan fietsen en met de bal spelen, voetballen. Je kan in de zandbak.’
‘Schommelen of gewoon buiten spelen of
zo. Of praten of een hut maken, daarzo achter bij de bomen.’
Je kunt dus veel verschillende dingen doen op de BSO. Veel kinderen zeggen dat
ook tijdens het interview:
‘Je kan heel veel dingen
doen’, zegt Maartje.
‘Ja, hier kun je tenminste veel dingen
doen en zo, maar thuis hebben we niet zoveel spelletjes en zo,’ zegt Steven.
Een aantal kinderen vermeldt bij de activiteiten die je kunt doen welke ze
daarvan leuk vinden, zoals Koen en Maartje in eerder genoemde citaten. Kinderen noemen snel dingen op die ze leuk
vinden, omdat ze die het meest doen. Toch verbinden niet alle kinderen meteen een emotie aan de activiteiten die ze
opnoemen. Daarom wordt gevraagd wat de kinderen leuk vinden om op de BSO te doen. De volgende activiteiten worden
herhaaldelijk genoemd; spelletjes spelen, computeren, met vriendjes en vriendinnetjes of andere kinderen spelen,
knutselen, voetballen, de leeshoek, de trampoline, de mat, in de gymzaal spelen, buiten spelen en kaarten ruilen.
De citaten geven dit weer:
Patrick: ‘Nou, sommige spelletjes vind
ik wel leuk. Of, ja kaarten en…Donald Ducks lezen en zo.’
Bart: ‘Computeren…… vind ik wel leuk en
buiten spelen.’
Youri:‘Ik vind de trampoline vooral
leuk.’
Fatima geeft aan dat zij het leuk vindt dat er spelmateriaal is voor haar
leeftijdscategorie.
Naast haar maken nog twee andere kinderen een opmerking over het spelmateriaal
voor hun leeftijdscategorie. Deze kinderen vinden dat er te weinig is voor hen. Patrick verwoordt dat als
volgt:
‘Nou, er zijn wel spelletjes voor de
grote kinderen, maar niet zo veel.’
Wanneer gevraagd wordt naar wat de kinderen het leukst vinden om te doen,
worden naast t.v kijken, computeren, met vrienden spelen, voetballen en kaarten ook uitstapjes of niet alledaagse
activiteiten genoemd. De kinderen noemen bijvoorbeeld bowlen, de Mac Donalds en de kinderboerderij. Dat dit geen
dagelijkse activiteiten zijn geeft het volgende citaat van Marije aan:
‘Meestal zijn dat het de vakantie is
wel leuk, want dan gaan we over het algemeen ergens heen.’
Naast de vragen over wat leuk is om te doen op de BSO, wordt ook gevraagd wat
niet leuk is om op de BSO te doen. Vijf kinderen kunnen niet bedenken wat ze niet leuk vinden om op de BSO te doen.
Ze vinden het alleen maar leuk. Dit blijkt uit de volgende uitspraak van Fatima:
‘ Nee, niet echt. Hier vind ik het heel
erg leuk.’
Een aantal kinderen kunnen wel bedenken wat ze niet leuk vinden om te doen op
de BSO. Pieter vertelt dat ze ‘vroeger’ moesten afwassen op de BSO en dat vond hij niet leuk.
Anderen noemen activiteiten die ze niet leuk vinden zoals knutselen, bepaalde
spelletjes en buiten spelen. Loes geeft als volgt weer wat ze niet leuk vindt om te doen op de BSO:
‘Tekenen vind ik ook niet heel erg
leuk. Dat doe ik alleen als ik me echt verveel.’
Later in het gesprek, wanneer hier niet expliciet om gevraagd wordt, noemt een
aantal kinderen alsnog dingen op die ze niet zo leuk vinden om te doen op de BSO. Zo vinden vijf kinderen dat er niet altijd genoeg te doen is op de BSO. Het
citaat van de uitspraak van Jessica maakt dit duidelijk:
‘Soms is er niet altijd wat te doen,
dan…Kijk, ik zit er natuurlijk al heel lang op en dan heb ik… Ik heb bijna alles hier al gedaan.’
§ 4.2 Gebouw
Tabel 4.2
|
Buitenspeelplaats
Inrichting
Klein
-
Groot
Mooi
Tienerruimte
|
[7:28]
[11:32]
[4:12]
[5:10]
[7:7]
[5:24]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
De ruimtes in en om de BSO’s
verschillen onderling nogal. Zo heeft BSO-a grote binnen ruimtes, maar weinig buitenspeelmogelijkheden en BSO-b
heeft bijvoorbeeld zeer mooie buitenspeelmogelijkheden, maar daarvan is de binnenruimte klein. Natuurlijk zijn er
BSO’s die geen van beide of juist allebei hebben.
Aan de helft van de kinderen is gevraagd wat zij van het gebouw en of de
locatie vinden waar de BSO zich bevindt. Zes kinderen vertellen dat ze het gebouw mooi of leuk vinden. De
uitspraken van Loes en Bob illustreren dit:
‘Mooi, ze hebben hier nou ook een knutsellokaal gemaakt.’
‘Dat is goed, dat is
leuk.’
Drie kinderen vinden het gebouw groot. Zij vinden dat er veel ruimte is. Fatima maakt een
vergelijking met haar vorige BSO waar je volgens haar ‘op elkaar zat’. Drie kinderen vinden het gebouw klein.
Zij geven aan dat ze wat meer ruimte prettig zouden vinden.
De volgende uitspraken illustreren het verschil in ruimtes tussen de BSO’s:
‘Ik vind het best wel klein,’ zegt Madelief.
‘I: Wat vind je van het gebouw?
R: Groot,’ zegt Janna.
Joost en Fleur vinden de vele trappen in het gebouw vervelend. Patrick en Maaike melden dat het
gebouw erg oud is.
Op twee van de bezochte BSO’s is een tienerruimte, die speciaal voor de oudere kinderen is.
Madelief vertelt dat ze daar leuke spelletjes hebben en dat er niet steeds kleine kinderen komen. Daar sluit
Maaike zich bij aan. Janna vermeldt erbij dat ze helaas nog niet oud genoeg is, en dus nog even moet wachten
voordat ze daar mag spelen.
De inrichting van de bezochte BSO’s is kindvriendelijk. De ruimtes zijn in vrolijke kleuren
geschilderd en de muren zijn versierd. Er staan speelse meubels en het één en ander oogt wat rommelig, maar
er hangt een gezellige sfeer. Slechts een enkeling maakt een opmerking over de inrichting. Jessica vindt het
soms een beetje rommelig:
‘En bij de computer staan heel veel stoelen, dus dan kan je ook haast niet computeren. Dus het is
vaak een beetje rommelig waardoor je minder kan.’
Pieter, Mark en Koen vertellen wat over de gymzaal:
‘Dat er een hele grote gymzaal is waar je kan voetballen,’ zegt Mark.
Naast de binnenruimtes, vertellen kinderen ook over de buitenplaats. Madelief
vindt het plein waar ze spelen saai omdat je er zo weinig kunt doen. Maaike vertelt over de plannen die de BSO voor
de toekomst heeft met de buitenspeelplaats. Bob geeft aan wat hij van de buitenplaats van zijn BSO
vindt:
‘De buitenspeelplaats is best wel klein. Hier achter heb je kleine weggetjes en hiervoor heb je
echt zo een klein park.’
Op de BSO van Patrick is dat anders:
‘Je hebt best veel ruimte. Nou en hiervoor dan daar staan een schommel en een
zandbak.’
De kinderen hebben verteld wat ze allemaal doen op de BSO en wat ze van het
gebouw vinden waar de BSO zich in bevindt. Wat ze nu eigenlijk van de BSO in het algemeen vinden wordt in de
volgende paragraaf besproken.
§ 4.3 BSO wel of niet leuk?
Tabel 4.3
|
·
BSO is leuk
Alles is leuk
Leuk spelen
Leuker dan elders
Rapportcijfer
·
BSO is niet leuk
Nadelen
-
Buiten spelen
-
Onderhoud gebouw
-
Vervoer
-
Vriendjes
Nare ervaring
Saai
Tegenzin
·
Perspectief nemen
BSO is leuk
BSO is niet leuk
Jongens
Meisjes
|
[17:30]
[4:14]
[2:4]
[4:11]
[3:8]
[3:12]
[1:1]
[2:13]
[2:9]
[1:6]
[3:13]
[3:19]
[4:17]
[11:49]
[1:3]
[1:2]
|
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
De meeste respondenten vertellen uit zichzelf dat ze de BSO erg leuk vinden.
Dit komt naar voren in verschillende delen van de interviews. Naast de beschrijvingen die de kinderen van
bijvoorbeeld de activiteiten of de leiding geven, blijkt ook uit minder specifieke uitspraken hoe de kinderen de
BSO ervaren. De volgende uitspraak van Maartje illustreert dit:
‘…verder is het gewoon heel
leuk.’
De respondenten doen dit soort uitspraken uit zichzelf, het zijn dan ook geen
antwoorden op specifieke vragen van de onderzoekers. Lucia vertelt dat ze de BSO erg fijn vindt, ze
zegt:
‘Ik voel me hier als een vogeltje in de
natuur.’
Drie van de geïnterviewde kinderen hebben hun mening over de BSO in een
rapportcijfer weergegeven. Daarbij werden een negen en twee achten gegeven. Mark twijfelde wel bij het geven van
een negen:
‘……..wat voor cijfer zou je dan geven?
R: Euh……… een tien.
I: Een tien, wauw!
R: Nee, een negen.’
Spelen op de BSO blijkt belangrijk te zijn
voor de kinderen. Het element spelen wordt namelijk herhaaldelijk in een adem met ‘de BSO is leuk’ genoemd. De
volgende uitspraak van Bob geeft dit weer:
‘Ja ik vind het wel leuk op de BSO, je
speelt er heel veel.’
Enkele respondenten maken ter illustratie van hun mening een vergelijking
tussen hun BSO en een andere BSO. Hun BSO wordt daarbij steeds positiever beoordeeld dan de andere BSO.
Maaike vindt haar eigen BSO leuker omdat het er rustiger is dan op een andere
BSO:
‘ Hier vind ik het wel leuker dan op de (naam BSO), want daar is het heel druk en daar kunnen ook
geen kinderen meer. De (naam BSO) is helemaal vol.’
Sommige respondenten weten zelfs niets op te noemen dat ze minder leuk vinden
aan de BSO. Janna is hiervan een voorbeeld:
‘ ……zijn er ook dingen die iets minder
leuk zijn?
R: Nee.
I: Vind je alles leuk
hier?
R: Ja
I: Echt alles?
R: Ja.’
Dat neemt niet weg dat er ook minder leuke dingen op de BSO zijn. De meeste
respondenten kunnen de vraag ‘zijn er ook dingen die minder leuk zijn op de BSO?’ wel positief beantwoorden.
Hierbij wordt vooral gepraat over buiten spelen, vriendjes en vriendinnetjes en verveling.Deze onderwerpen zullen
elders in dit hoofdstuk uitvoeriger worden besproken.
Heleen legt uit wat het nadeel is van buiten spelen op de BSO. Net zoals
verschillende andere respondenten vindt ze het jammer dat ze niet alleen naar buiten mag.
‘En dan kan je ook niet alleen naar buiten en soms willen andere kinderen niet naar buiten en dan
kan je niet alleen naar buiten.’
Als kinderen op school worden uitgenodigd om bij een vriendje of vriendinnetje
te gaan spelen, vinden ze het jammer als dat niet kan omdat ze naar de BSO moeten. Fleur bijvoorbeeld, gaat
binnenkort van de BSO af en vindt het leuk dat ze voortaan bij andere kinderen kan spelen:
‘…Wat vind je ervan dat je er af
gaat?
R: Ook wel jammer maar ook wel heel
leuk. Want vaak vragen vriendinnetjes of ik kan spelen en dan kan ik niet spelen. Meestal vragen ze het niet de dag
ervoor maar die dag en dan kan ik niet mama bellen want dan moet ik al naar de BSO.’
Madelief verveelt zich wel eens op de BSO. Net als bij de andere kinderen die
aangeven dat ze zich vervelen, is deze verveling ook bij Madelief niet continu.
‘maar soms dan vind ik het hier helemaal niet leuk en dan weet ik niet wat ik moet doen. Dus soms
is het wel leuk maar soms ook niet.’
Als de respondenten hun mening over de BSO hebben weergegeven, wordt hun gevraagd of die mening
volgens hen representatief is voor de hele groep. Niet alle respondenten zijn in staat zich in te leven in
andere kinderen. Van de kinderen die dat wel kunnen, denken de meeste dat andere kinderen de BSO minder leuk
vinden dan zij zelf. Hoewel ze zelf overwegend positief zijn over de BSO, denken ze dat de andere kinderen de
BSO vooral saai vinden en dat er volgens hen niets te doen is. Patrick zegt hier over:
‘………dat zal wel verschillend zijn. Want sommigen vinden het hier super leuk en anderen vinden het
een beetje saai.
I: Maar waarom vinden die kinderen het dan saai?
R: Nou ook denk ik omdat ze te weinig spelletjes doen ofzo. Dat ze alles al hebben gedaan wat ze
kunnen doen.’
Enkele respondenten denken dat andere kinderen negatief over de leiding oordelen. Hierbij wordt
vooral gedacht aan het moeten gehoorzamen aan hen. Koen denkt dat andere kinderen de leiding te streng
vinden:
‘Ja, dat de leiding em streng zijn. En dat je eerst moet vragen wat je wil, wat euh of je dat mag
en zo.’
Sommige respondenten denken dat de andere kinderen de BSO even leuk als zij zelf vinden. Deze
kinderen kunnen hun mening moeilijk onderbouwen. Als er wordt doorgevraagd geven ze aan dat de anderen het
waarschijnlijk leuk vinden om op de BSO te spelen. Een fragment uit het interview met Steven illustreert
dit:
‘…Ik denk dat ze het wel leuk vinden.
I: Ja? Weet je ook waarom, of wat ze leuk vinden?
R: Dat ze het leuk vinden om te spelen ofzo.’
§ 4.4 Deel uit maken van een groep
kinderen
Tabel 4.4
|
·
Speelkameraadjes
Algemeen
Alleen zijn
Belangrijk
Niet belangrijk
Leeftijd
-
Andere leeftijd
-
Kleinere kinderen
-
Oudere kinderen
-
Zelfde leeftijd
Leuk
Niet leuk
Veel
Weinig
Vrienden
|
[5:13]
[12:38]
[10:41]
[2:11]
[6:15]
[11:47]
[4:17]
[1:3]
[4:10]
[13:54]
[7:24]
[4:21]
[8:33]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
Uit de interviews is gebleken dat het hebben van speelkameraadjes erg
belangrijk is voor de kinderen op de BSO. Speelkameraadjes hoeven niet persé vrienden te zijn, al is dat wel vaak
het geval. Als er geen speelkameraadjes zijn vervelen de meeste kinderen zich. Sommigen
vinden wel wat om te doen, maar vermaken zich minder goed.
Alle kinderen vinden het belangrijk om iemand te hebben waar ze mee kunnen
spelen. Dit zijn over het algemeen steeds dezelfde kinderen; elke dinsdag wordt bijvoorbeeld met Jan gespeeld en
elke woensdag met Kim. Als hun vaste maatje er niet is vinden de kinderen dat niet leuk. Eén enkele respondent
beweert het niet erg te vinden als zijn vaste speelkameraadjes er niet zijn:
‘Stel je eens voor als L. er niet is,
en G. er ook niet zou zijn. Hoe vind je het dan om naar de BSO te gaan?
R: Ook leuk.
I: Ook leuk?
R: Dan ga ik gewoon met andere kindjes
spelen,’ zegt Youri.
Youri is echter een uitzondering op de regel. Vrijwel alle andere
respondenten geven het belang van speelkameraadjes aan. De uitspraken
van Joost en Bart geven de mening van de meeste respondenten weer.
‘…als je geen vriendjes hebt dan zit je
alleen maar alleen niets te doen. Dat lijkt me niet zo leuk. Dus ik ben heel erg aardig voor mijn
vriendjes.
………maandag vind ik het niet zo leuk,
want dan zijn mijn vriendjes hier niet,’ zegt Joost.
‘I: Wat zou je er van vinden als je
vriendjes niet hier zouden zitten?
R: Euh… dan zou ik er eigenlijk wel af
willen, maar niet……want anders had ik niemand om mee te spelen,’ zegt Bart.
Hoewel het belangrijk is om kinderen te hebben waar je mee kan spelen, is het
soms ook lastig om veel kinderen om je heen te hebben. Tien van de geïnterviewde kinderen uiten klachten omtrent dit feit. Deze klachten gaan vooral over onaardig gedrag van
andere kinderen en over ruzies. Madelief vertelt dat ze zich de ruzies erg aantrekt, ze zegt hier over:
‘Ja, dus dan denk ik meestal, ja ik zou liever thuis willen zitten dan hier in deze
ruzie.’
‘I: En wat vind je er van dat er zo
veel kinderen zijn? Thuis heb je alleen twee zusjes.
R: …… Nou, soms vind ik het wel weer leuk en de andere keer niet. Sommige kinderen willen de baas
zijn en sommige willen gewoon lol hebben,’ zegt Joost.
Fleur praat niet specifiek over ruzies. Een nadeel van het verblijf in een
groep kinderen is volgens haar dat andere kinderen met haar mee willen spelen:
‘Dat vind ik eigenlijk ook wel leuk, maar soms ook wel niet leuk. Want dan wil je iets samen doen
en dan moeten de andere kinderen weer mee doen en dat is soms niet zo leuk.’
Hiernaast zouden sommige kinderen willen dat er enkel kinderen van hun eigen
geslacht op de BSO waren. Janna zegt bijvoorbeeld:
‘I: Zijn er ook kinderen waar je niet
zo goed mee op kan schieten?
R: ……ja jongens!
I: Jongens? Vertel eens.
R: Jongens die zijn meer drukker dan
meisjes.’
Hoewel er veel klachten zijn over het verblijf in een groep kinderen, zijn er
zes respondenten die hier enkel voordelen in zien. Volgens hen is een grote groep kinderen leuk omdat je altijd wel
iemand hebt om mee te spelen. Lucia en Janna zeggen hierover achtereenvolgens:
‘En hier kan je ook altijd met iemand spelen en thuis kan dat dan weer niet… altijd… dus dat is
veel fijner.’
‘I: Wat vind je ervan dat er zo veel
kinderen zijn hier?
R: …je hebt altijd wel wat te doen
hier!’
Enkele kinderen vinden dat er in hun groep maar weinig leeftijdsgenootjes
zitten. Zij willen graag dat de groep groter wordt. Heleen zou de BSO leuker vinden als er meer kinderen
komen:
‘I: Hoe denk je dat je het leuk zou
gaan vinden hier?
R: Nou, als er wel meer kinderen zijn.
I: Vind je dat er nu genoeg kinderen
zijn?
R: Nou, niet echt. Nu zijn er maar vier
kinderen… nee, weinig…’
De leeftijd van de kinderen in de groep is mede bepalend voor de waarde die
wordt toegekend aan het deel uitmaken van een groep. Over het algemeen wordt het verblijven in een groep met
leeftijdsgenootjes gewaardeerd. Zodra de leeftijden van de kinderen uiteen lopen wordt het deel uitmaken van een
groep minder positief gewaardeerd.
De respondenten klagen vooral over kleine kinderen die hun activiteiten
verstoren. De kleine kinderen willen meespelen of lopen (zich van geen kwaad bewust) in de weg. Maaike vertelt dat
dit haar regelmatig overkomt en ze heeft hier een trucje op bedacht:
‘Ja, die kunnen ook heel irritant zijn. Dan zeggen ze van ‘kom nou, ik wil gaan schommelen’ dan
gaan ze je meeslepen. En dan als je dan buiten staat als ze even niet kijken ren ik dan meteen weer naar
boven.’
Madelief vertelt over de kleine kinderen:
‘En dan willen wij ergens mee spelen en dan zijn de kleine kinderen daar al mee aan het spelen.
Vroeger toen we daar in de laatste groep zaten was dat niet. Dat is wel een beetje jammer.’
Over oudere kinderen wordt bijna niet geklaagd. Slecht twee respondenten
vertellen dat ze last hebben van kinderen die ouder zijn. Deze respondenten zijn wel eens door oudere kinderen
gepest. Jessica geeft aan:
‘Grote kinderen…… ja die doen soms ook wel vervelende dingen. Ook tegen de kleinere
kinderen.’
§ 4.5 Vervelen
Tabel 4.5
|
·
Tijd
Einde van de middag
Snel
·
Vervelen
Nooit
Reden
Soms
Thuis
Wat doen bij vervelen?
|
[20:83]
[4:8]
[1:2]
[5:21]
[5:15]
[4:7]
[8:39]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
Zoals al uit de vorige paragraaf naar voren kwam zijn speelkameraadjes
bepalend voor de waardering van het verblijf op de BSO. Als je maatje er niet is zal je er zelf voor moeten zorgen
dat je je vermaakt. Sommige kinderen zijn hiertoe goed in staat, andere kinderen vervelen zich.
Als reden voor verveling noemen kinderen steeds het ontbreken van hun vaste
speelmaatje. De uitspraken van Jessica en Steven zijn representatief voor de uitspraken van de overige
respondenten.
‘..dan is M. er niet… dan zijn er ook oudere kinderen die ik nog nooit heb gezien. Dan weet ik niet
echt met wie ik moet spelen.’ Zegt Jessica.
Steven geeft aan:
‘I: Komt het ook wel eens voor dat je
je verveelt?
R: …soms, alleen op dinsdag, dan gaat
dat vriendje weer weg en dan heb ik niemand meer om mee te spelen.’
Als de kinderen zich vervelen zijn er verschillende oplossingen mogelijk.
Sommige kinderen gaan zelfstandig een spel doen of een boekje lezen. Andere kinderen, zoals Fleur, kijken een
beetje rond maar nemen geen initiatief om aan een activiteit te beginnen:
‘I: Wat doe je dan?
R: Nou, gewoon gaan zitten en dan
verveel je je.
I: En wat doe je dan als je je
verveelt?
R: Ja gewoon een beetje na zitten
denken op de bank ofzo.’
Sommige kinderen gaan bij de leiding te raad. Zeer weinig kinderen vragen of
ze met anderen mee mogen spelen.
Bij tien kinderen is tijdens het interview specifiek gesproken over het einde
van de middag. Aan het einde van de middag wordt er al vast opgeruimd,
mag er op sommige BSO’s niet meer geknutseld worden en gaan er reeds kinderen naar huis. Dit moment van de dag
wordt over het algemeen als negatief ervaren. Er is slechts één respondent zonder negatieve gevoelens over het eind
van de dag. Twee respondenten kunnen hun mening niet goed formuleren. Dit betekent dat zeven van de tien
respondenten niet tevreden over het eind van de middag op de BSO zijn.
Ze zijn er ontevreden over dat ze moeten opruimen, dat ze bepaalde
activiteiten niet meer uit mogen voeren, maar vooral dat ze niemand meer hebben om mee te spelen als hun
speelkameraadje wordt opgehaald. De volgende citaten geven dit weer:
Madelief: ‘maar als één iemand weg gaat
dan moet je de hele hut soms opruimen. Dat vind ik wel een beetje stom.’
Bob: ‘aan het einde van de dag, rond
vijf uur ofzo, dan moeten we opruimen. Dat vind ik dan het saaie van de BSO. Aan het eind dan teken ik heel vaak,
dan heb ik niet zo veel pret meer als daarvoor.’
Loes: ‘Als Suze weg gaat dan heb ik een
half uurtje niemand om mee te spelen. Dat is niet zo leuk.’
Marije: ‘of ik wordt meestal later
opgehaald dan andere kinderen en dan op het eind is het meestal saai.’
Maaike is de enige respondent die positief is over het einde van de middag. Ze
zegt hier over:
‘I: Hoe zou jij dat vinden als je als
laatste op wordt gehaald?
R: Het lijkt me leuker want dan kan ik
nog veel langer dingen doen. Want soms dan wil ik ook helemaal niet meer naar huis, omdat ik het dan hier veel te
gezellig vind.’
§ 4.6 Leiders en regels
Tabel 4.6
|
·
Leiders
Aardig
Actieve leiding
Belangrijk
Geen aandacht
Ingrijpen
Inval
Leuk
Negatief
Spelen met leiding
Verschillend
·
Regels
Activiteiten
-
Negatief
Buiten
-
Negatief
Druk zijn
Eten
-
Negatief
Opruimen
-
Negatief
Positief
Samen spelen
Straf
Thuis
-
Anders dan thuis
-
Hetzelfde als thuis
-
Thuis minder regels
Tienerruimte
|
[11:21]
[4:15]
[2:3]
[4:18]
[7:21]
[2:11]
[6:15]
[4:17]
[6:15]
[2:6]
[12:41]
[2:9]
[7:20]
[3:13]
[14:29]
[13:50]
[2:3]
[1:6]
[3:5]
[6:18]
[11:45]
[5:13]
[7:14]
[1:5]
[1:4]
[2:12]
[2:6]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
Voordat de kinderen naar de BSO komen, is de leiding al aanwezig om
voorbereidingen te treffen. Vervolgens gaan enkele leiders kinderen van school halen. De groepsgrootte verschilt
per BSO. Soms zijn er per groep wel twintig kinderen op een dag. Meestal staan er twee leiders op één groep. De
kinderen hebben erg gevarieerd over de leiding verteld wanneer de onderzoekers vroegen wat ze van hen vonden. Uit
onderstaande zal blijken dat de antwoorden op deze vraag erg uiteen lopen. Bijna de helft van de kinderen vindt de
leiding aardig:
‘De leiding zijn meestal wel aardig,’ zegt Jessica.
‘Want ze zijn heel erg aardig op de
BSO’, zegt Bart.
Loes en Koen geven aan dat de ene leiding leuker en of aardiger is dan de
andere.
Ook Marije vindt dit per persoon verschillen:
‘Nou, sommigen vind ik wel aardig, maar
anderen niet.’
Een paar kinderen vertelt dat ze het leuk vinden als de leiding grapjes
vertelt of als er grapjes worden gemaakt. Het antwoord van Bob illustreert dit:
‘Daar maken we soms wel grapjes mee……en
andere leuke dingen.’
Maartje, Loes, Patrick en Madelief vinden het leuk als de leiding meespeelt.
Ook anderen kinderen geven aan dat ze het leuk vinden als de leiding actief is door bijvoorbeeld
knutselactiviteiten te bedenken. Onderstaande citaten geven aan dat de leiding actief is:
‘Meestal is A. wel aardig, want dan
verveel je je en dan wil ze meestal een spelletje doen.’ zegt Madelief.
‘Ze knutselt heel vaak mee en ze bedenkt allemaal dingen enzo.’, zegt Fleur.
Maar daarentegen zegt Fleur dat de leiding niet altijd aandacht voor je
heeft:
‘Soms is het niet zo leuk, want dan wil
je wat vragen en dan zijn er nog andere kinderen aan de beurt ‘A. , A.’en dan zit ze met iemand anders te
praten.’
Fleur is het enige kind waar het gebrek aan aandacht een aantal keren
terugkeert in het gesprek. Naast deze minder positieve opvatting heeft Bart ook een minder positieve houding ten
opzichte van de leiding. Deze mening deelt hij niet met anderen.
‘Ja, soms zijn ze wel niet echt niet
echt euh superaardig.’
‘Want dan kunnen ze ook wel irritant
zijn……’
Wanneer de kinderen aan het spelen zijn, houdt de leiding toezicht. Wanneer
het spel uit de hand loopt, wordt er ingegrepen. Een aantal kinderen vindt het prettig dat de leiding ingrijpt op
bepaalde momenten.
‘Want als kinderen bijvoorbeeld te hard stoeien, dan zeggen ze ‘stop, een beetje rustig
doen’, zegt Joost.
Als de leiding moet ingrijpen gebeurt dat soms op een strenge manier en dat
vindt een enkeling niet altijd even leuk. Anderen vertellen dat dit dan wel nodig is. De leiding hanteert ook
bepaalde regels waardoor ze soms streng moeten optreden. De regels verschillen per BSO en per activiteit. Over
algemene regels vertelt Heleen:
‘De regel is wel dat je wel iets gaat doen en dat je niet een beetje rond gaat dwalen.’
Bob vertelt duidelijk knutselregels en buitenspeelregels;
‘Maar met knutselen, dat moet je eerst
vragen. En als er al drie , twee kinderen inzitten, dan mag er misschien één, met uitzondering nog één
bij.’
‘Grote kinderen mogen op het plein, kleintjes niet.’
Niet alle kinderen zijn zich ervan bewust dat er regels zijn, ze halen hun
schouders op bij deze vraag. Fatima vind het moeilijk om ‘algemene’ regels te omschrijven:
‘Maandag mag je wel euh op de werktaak of zo en dinsdag niet en dan weer woensdag wel. Dat gaat dan
om en om. En dat soort dingen maar meer van die, dat soort dingen. Ik weet voor de rest niet
veel.’
Heleen vertelt dat je niet mag rennen. Daar sluiten Lucia en Koen zich bij
aan.
‘Euhm…….mag niet rennen’, zegt Koen.
Daarnaast lopen de ‘algemene’ regels erg uiteen. Zo wordt verteld dat je niet
binnen met de bal mag spelen, je nooit aan de potten mag komen, je niet hard mag gaan schreeuwen, je niet door de
keuken mag lopen, je niet overal op mag gaan klimmen en andere regels.
Op de BSO’s zijn ook wel wat regels over het samenspelen. Zo wordt verteld dat
je andere mensen geen pijn of verdriet moet doen, geen lichamelijk geweld mag gebruiken en dat je rekening moet
houden met jongere kinderen.
Met betrekking tot het eten, zijn de regels verschillend per BSO. De ene BSO
is daarin zichtbaar vrijer dan de andere, die weer meer regels hanteert. Zo geeft Joost aan wat er tijdens het eten
gebeurt:
‘Crackers eten of een beschuit, dat mag je zelf weten.’
‘En daarna mag je van tafel als je
klaar bent, en je krijgt ook wat te drinken. Dan mag je van tafel en
mag je gaan spelen.’
Op de BSO van Heleen en Lucia wordt daar anders mee omgegaan.
‘Als je soep hebt, mag je maar één
rijstewafel of cracker en als je soep hebt, als je geen soep hebt, mag je twee rijstewafels of
crackers’, zegt Heleen.
Youri vertelt wat er na het eten gebeurt:
‘Moet je eerst als we hebben een cracker gegeten, dan dan moet je gaan ze afruimen die dan nog en
dan gaat gaan we zeggen ze bijvoorbeeld; D. wat ga jij doen?’
Jessica en Bart voegen hieraan toe dat je je beker zelf naar het aanrecht moet brengen en Luka zegt
dat je niet zelf af hoeft te wassen.
Aan een aantal kinderen is
gevraagd wat ze nu eigelijk vinden van de regels.
Madelief zegt het volgende:
‘Ik vind het stom dat je op een bepaalde tijd de hut moet opruimen.’
Bob vindt de regels best streng. Daar zijn Maaike, Joost, Janna, Patrick en
Jessica het niet mee eens. Zij vinden de regels wel oké.
‘Ik vind ze allemaal normaal, want ik ben aan ze gewend,’ zegt Maaike.
Maar wat gebeurt er nu op het moment dat kinderen zich niet aan de regels houden?
‘Dan moet je een paar minuten op het kantoor zitten en dat is niet fijn,’ zegt Bob.
‘Niet echt…van strafwerk of zo. Maar gewoon op de bank zitten en dan mag je weer weg of zo,’
zegt Bart.
Tot slot is met betrekking tot regels aan sommige kinderen gevraagd of thuis gelijke regels worden
gehanteerd en wat ze daarvan vinden. Zeven kinderen vertellen hier wat over. Ze mogen thuis niet stoeien, op
de bank springen, vechten of hard van de trap af rennen, geen dingen stuk maken en ze moeten hun schoenen
uitdoen als ze naar binnen gaan. De verschillen van de regels thuis en op de BSO zijn volgens een enkeling
niet heel groot en volgens een ander wel. De volgende uitspraken illustreren dit:
‘Dat is eigenlijk gewoon. Dat zijn volgens mij dezelfde regels als thuis. Thuis mag je ook niets
afbreken en dat is hier ook zo,’ zegt Maaike
‘Nou, thuis mag je veel meer, maar dat komt ook omdat er op de BSO veel meer kinderen zijn of
zo’, zegt Fleur.
Maaike en Fleur geven aan dat thuis andere regels worden gehanteerd dan op de BSO. Naast het
verschil in regels zijn er ook andere verschillen tussen de BSO en thuis te noemen die in de volgende
paragraaf besproken worden.
§ 4.6 Vergelijking BSO en thuis
Tabel 4.6
|
·
Kiezen
BSO
Kan niet kiezen
Spelen liever op de BSO
Spelen liever thuis
Thuis
·
Werkende ouders
Negatief
Neutraal
Oppas
|
[6:15]
[7:21]
[1:3]
{5:19]
[11:25]
[10:39]
[2:7]
[1:4]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
De kinderen hebben een beeld gegeven van wat er allemaal te doen is op de BSO
en wat ze wel en niet leuk vinden om te doen. Om een beeld te krijgen van hun vergelijkingsmateriaal wordt gevraagd
wat de kinderen thuis zoal doen en hoe ze het vinden om thuis te spelen.
De kinderen vertellen dat ze thuis spelen met hun playmobiel, barbies,
poppenhuis, knuffels, lego, dat ze t.v. kijken, een boek lezen, spelen met broertjes en of zusjes of buurkinderen,
computeren, stoeien op bed, afspreken met andere kinderen, een hut bouwen of naar een club/ vereniging gaan. Pieter
en Janna geven dit als volgt weer:
‘Euh…….computeren…euh….t.v. kijken en lego spelen, playmobiel spelen euh..’
‘Nou, ik heb een buurmeisje en daar speel ik heel veel mee. En dan heb ik bijna altijd wat te doen,
want ik heb heel veel leuke dingen thuis en dan kan ik daar ook mee spelen.’
Zes kinderen noemen buitenactiviteiten op wanneer gevraagd wordt wat ze thuis
zoal doen. Loes vertelt hier uitgebreid het volgende over:
‘Ja, en daar heb ik ook een veldje, heb ik voor de deur eigenlijk een hele grote speeltuin. Dan
hoef ik alleen maar een hele rustige weg over te steken en dan ben ik op het veldje. Daar kan ik aan de
rekstok hangen of aan het vogelnest schommelen, dat is een hele grote mand. Of met een vriendinnetje of…met
buurmeisje spelen of…ja heel veel dingen gewoon leuk. Of in de zandbak spelen. Je kan zoveel
doen.’
De meningen over het spelen thuis zijn sterk verdeeld. Een paar kinderen geeft aan dat ze het thuis
‘gewoon’ leuk vinden. Vier kinderen vinden dat er nadelen zijn verbonden aan het thuis spelen. Lucia vindt
het thuis saaier dan op de BSO omdat zij geen broertjes en zusjes heeft en op de BSO veel vriendinnen van
haar zijn. Bart vind het thuis ook een beetje saai. Vooral Maartje noemt veel nadelen van thuis zijn ten op
zichte van het verblijf op de BSO. Zo mag ze thuis minder vaak op de computer en verveelt ze zich sneller,
omdat er naar haar mening minder te doen is. Een ander nadeel dat ze geeft:
‘Mijn broer gaat dan tekenen of lezen en daar heb ik dan geen zin in. En mijn vader en moeder
moeten dan meestal op de computer boven aan het werk. Dat is heel vervelend,’ zegt Maartje.
‘Maar thuis hebben we niet zoveel spelletjes enzo,’ zegt Steven.
Patrick, Janna en Jessica geven aan dat ze zich thuis nooit vervelen, omdat er altijd wel wat te
doen is. Ongeveer een derde van de kinderen vindt dat thuis spelen zijn voordelen heeft in vergelijking met
de BSO. De volgende citaten van Fleur, Pieter en Fatima
illustreren dit:
‘Ja, het is gewoon leuker. Je kan gewoon alles zelf doen. En ik heb heel vaak honger en op de BSO
heb je bepaalde tijden waarop je gaat eten en dat is best wel irritant soms. Thuis kan je gewoon een boterham
pakken of zo. Hier moet je wachten’.
‘Hier hebben ze een slechte computer en thuis hebben ze m’n lego. Hier hebben ze gewoon hele oude
lego van een jaar of weet ik niet.’
‘Maar thuis kan je vriendinnen meenemen en zo.’
De onderzoekers hebben alle kinderen, op één na, een keuzevoorstel gedaan. Als
je zou mogen kiezen, zou je dan na school liever naar huis of naar de BSO gaan? De kinderen denken hier
verschillend over. Vijf kinderen geven aan dat zij liever naar de BSO gaan. Soms zit er dan een voorwaarde aan
verbonden zoals bij Jessica:
‘Nou, als Muriel niet ziek is dan graag naar de BSO. Met de kinderen bij mij in de straat speel ik
niet zo veel.’
Vier kinderen geven aan dat ze niet zo goed kunnen kiezen tussen thuis of de
BSO.
‘Nou, soms heb ik zin om hierheen te komen en soms heb ik zin om naar huis te gaan,’
zegt Elske.
Zes kinderen hebben een voorkeur voor thuis:
I:’ Thuis? Weet je ook waarom?’
R: ‘Omdat het daar veel leuker
is,’ zegt Bob.
Vier kinderen kunnen niet zo goed kiezen tussen thuis of de BSO, maar neigen
meer naar de keuze voor thuis. Zo zegt Maaike:
‘Euhm……, dat weet ik eigenlijk niet, want hier is het even leuk als thuis.’
Even later zegt ze:
‘Dan zou ik kiezen voor naar huis toe, want ik ben meestal maar…Ik moet om half negen naar bed, dus
dan ben ik maar twee uur en nog een half uur ben ik dan thuis, want wij komen pas om zes uur thuis
meestal.’
Dat de ouders van de meeste kinderen werken wordt door de meeste respondenten niet specifiek
gemeld. Bij een paar kinderen wordt aanleiding gevonden hier toch specifiek naar te vragen. Madelief laat
zich hier een paar keer over uit. Zij vindt het vervelend dat haar vader zo vaak weg is voor zijn werk. Ze
zou hem graag vaker willen zien. Lucia zou haar ouders allebei graag meer willen zien. Ze vertelt dat ze hen
alleen ‘s ochtends en
‘s avonds ziet. Marije zegt:
‘Nou, soms vind ik het stom stom want andere kinderen gaan dan wel met met hen mee, maar het is al
heel lang zo, dus dus dus euhm……………Ik ik doe het al heel lang dus. Hoe zeg je dat. Ik denk er niet zo heel
veel meer over na.’
§ 4.7 Toveren op de BSO
Tabel 4.7
|
·
Toveren
Dieren
Gebouw
Meer ruimte binnen
Kinderen
Minder regels
Minder ruzie
Niets toveren
Speelgoed
Speelplaats
-
Meer ruimte
Vervoer
·
Tips
BSO is leuk
Je goed gedragen
Leuke BSO kiezen
-
Eerst wennen
Probeer je te vermaken
Rekening houden met anderen
Vrienden maken
·
Niet veranderen
Binnenruimte
Buitenspeelplaats
Leiding en kinderen
Speelgoed
|
[1:1]
[3:5]
[4:15]
[7:17]
[2:6]
[2:6]
[3:10]
[18:32]
[6:9]
[3:10]
[1:7]
[8:15]
[3:10]
[2:11]
[3:14]
[1:7]
[2:10]
[7:18]
[12:22]
[2:4]
[2:6]
[7:9]
|
|
[X:Y] X: aantal fragmenten, Y: regelaantal
|
Hoe zou de BSO eruit zien als de kinderen het voor het zeggen hebben? In deze paragraaf wordt hier
antwoord op gegeven.
De respondenten hebben hun fantasie de vrije loop gelaten en bedacht wat ze aan de BSO zouden
veranderen als ze plotseling zouden kunnen toveren. De BSO zou er een stuk groter op worden, er zou meer
speelgoed komen en hun vriendjes en vriendinnetjes zouden ook op de BSO zitten.
De helft van alle geïnterviewde kinderen zou graag iets veranderen aan het
speelgoedaanbod. Ze noemen meteen op wat ze dan zouden willen toveren. Het gaat hierbij vrijwel steeds om het
uitbreiden van reeds aanwezig speelgoed of om het aanschaffen van nieuw speelgoed. Zo vragen kinderen onder andere
om een playstation, een TV, een computer, computerspelletjes, rackets, kaarten, lego, meer boeken en meer
spelletjes. Vooral om een computer en bijbehorende spelletjes wordt veel gevraagd.
Aan het gebouw van de BSO kan volgens veel kinderen ook wel wat veranderd
worden. Ze zouden binnen graag meer ruimte hebben en toveren dan ook een grotere BSO. Ze hebben behoefte aan ruimte
om eens een keer alleen te zijn maar ook om bijvoorbeeld gemakkelijk te kunnen knutselen. De volgende fragmenten
geven dit weer:
‘Nou ja dat kan je wel toveren, maar als je het moest kopen was het te duur. Mm meestal is het heel
vervelend om euh… Nou misschien is het niet te duur, maar het is altijd heel vervelend want je als je eens
een keer iets wil bespreken met iemand dan ga heb je of zoiets dan dan dan is meestal overal is iemand al,
dus…
I: Dus je hebt niet echt een hoekje voor jezelf?
R: Nou ,een hoekje,’ zegt Marije.
‘…en dan kan je daarboven ook nog naar boven daar is een knutselhoek enzo. Dat is best wel leuk,
dat zou ik hier ook wel willen,’ zegt Madelief.
De vraag naar meer ruimte geldt ook voor de buitenspeelplaats. Hoewel de
meeste kinderen hun toverkracht binnen gebruiken, zijn er acht kinderen die de buitenspeelplaats willen veranderen.
Ze zouden de plaats groter maken en er meer attributen aan toevoegen. Als het aan de kinderen lag zou er
bijvoorbeeld een doel, een duikelrek en een basketbalnet bijkomen. Maar het belangrijkste is toch wel de grootte
van de buitenruimte. Hier wordt het meest om gevraagd. Lucia legt uit waarom ze graag een grotere speelplaats zou
toveren:
‘daar is ook nog een kleine buitenspeelplek en daar kan je niet… zo niet zo met heel veel kinderen
buiten spelen en als je dan naar voor gaat, dan moet er echt iemand bij zijn. Dus dan zou ik hier een grotere
buitenspeelplek willen.’
Zes respondenten zouden hun toverkracht op de groep kinderen gebruiken. Over
het algemeen wordt een vriendje of vriendinnetje naar de BSO toegehaald. De kinderen zouden het leuk vinden om hun
eigen vriendjes op de BSO bij zich te hebben. Op de vraag ‘wat zou je toveren?’ antwoordt Loes:
‘…mijn hartsvriendin.
I: En als je dan nog een keer zou mogen
toveren daarna?
R: Mijn andere vriendin, die zou ik dan
ook erbij toveren.’
Een paar kinderen zouden minder boosheid om zich heen willen hebben. Hierbij
bedoelen ze vooral dat andere kinderen beter moeten luisteren zodat er geen ruzie wordt veroorzaakt en de leiding
niet hoeft in te grijpen. Bart formuleert dit als volgt:
‘ euhm……. euh, dat de andere kinderen goed op gaan letten en dat de leidsters niet niet heel erg
boos worden of zo altijd.’
Slechts drie kinderen zouden helemaal niets willen toveren op de BSO. Ze
vinden het goed zoals het is. Fatima zegt kort maar krachtig:
‘ Nee, ik vind alles heel goed, dus.’
Hoewel er van alles aan de BSO zou veranderen met behulp van een beetje
toverkracht, zijn er ook dingen die de kinderen persé hetzelfde zouden willen laten. Hierbij vinden ze het vooral
belangrijk dat de binnenruimte en het speelgoed hetzelfde blijven.
Sommige kinderen zouden de gehele binneninrichting hetzelfde willen houden. De
meeste kinderen zijn echter specifieker en noemen een enkel deel van de ruimte zoals de gymzaal, de tienerruimte,
de knutsel- of de leeshoek.
‘Nou, bijvoorbeeld die ruimte daar, dat
alles gewoon hetzelfde blijft. Dat mogen ze dan wel veranderen maar dat de leeshoek gewoon de leeshoek
blijft,’ zegt Patrick.
Over de buitenruimte wordt niet veel gezegd. Een enkeling wil dat de
zandbakken blijven of dat de ruimte niet kleiner wordt gemaakt.
Twee respondenten willen dat er niets aan de leiding verandert. Ze zijn
tevreden met hoe zij zijn. Fleur zegt hierover:
‘De leiders en de kinderen in de
groep.
I: Ja? Waarom?
R: Nou we hebben een hele leuke groep
en ook hele lieve leidsters dus…’
De overige wensen van de kinderen gaan uit naar het intact houden van het
speelgoedaanbod. Hierbij wordt genoemd dat de voetbaltafel, de computer, de banken, de voetballen, de skippybal, de
mat en het speelgoed in het algemeen hetzelfde moeten blijven.
Nadat besproken is hoe de BSO aantrekkelijk(er) gemaakt kan worden door te
toveren, werd gevraagd hoe je dat kan doen als je niet over toverkracht beschikt. Stel dat je nieuw bent op de BSO.
Wat moet je dan doen om je verblijf plezierig te maken? De meeste respondenten geven aan dat het hebben van
vrienden het verblijf op de BSO aangenaam maakt. Voor sommigen is het zelfs essentieel.
Het wordt dan ook door de kinderen aangeraden om een BSO te zoeken waar
vriendjes van je opzitten, of zo snel mogelijk proberen nieuwe vriendschappen te sluiten. Lucia zou een BSO zoeken
waar ze al kinderen kent:
‘dat je ook wel een beetje met je vriendinnetjes gaat. Want als als je daar in je eentje zit met
kinderen die je helemaal niet kent… Dan is het wel vervelend.’
En Loes legt uit hoe je op een BSO waar je niemand kent je draai kan
vinden:
‘eerst voorstellen en dan met de kinderen van jouw leeftijd gaan spelen, dan lukt het wel om echt
vriendschap te sluiten.’
Vriendschap sluiten is de raad die het meest door de kinderen wordt gegeven.
Zonder vriendschap is het verblijf op de BSO een stuk minder leuk. Naast vriendschap wordt ook belang gehecht aan
het eigen gedrag van het kind. Je kan er volgens de respondenten zelf
voor zorgen dat je het leuk hebt op de BSO. Je moet je dan wel goed gedragen, zelf initiatief tonen en rekening
houden met andere kinderen.
Het tonen van initiatief wordt vooral genoemd in verband met het maken van
vrienden. Patrick geeft echter aan dat je bij speelactiviteiten ook initiatief moet tonen om het verblijf
plezieriger te maken:
‘……nou eh… een tip is dat je eigenlijk
probeert zo veel mogelijk lol te hebben.
I: Ok, en hoe kunnen ze dat dan
proberen?
R: ………nou aardig tegen iedereen zijn,
spelletjes te spelen. En dingen die ze graag doen zoals voetballen of zo.’
Als je je goed gedraagt en rekening met andere kinderen houdt, is het verblijf
op de BSO plezieriger. De respondenten geven hiermee aan dat je aardig tegen andere kinderen moet zijn, maar ook
dat je je moet realiseren dat je niet alleen bent. Fleur zegt het volgende over het deel uit maken van een grote
groep kinderen:
‘En dat je niet altijd alleen kan zijn,
dus daar moet je je wel een beetje op voorbereiden. En dat je als je wilt computeren moet je soms best wel lang
wachten tot iemand klaar is ofzo. En dat je niet te vaak boos moet zijn want anders is het niet
leuk.
………… ja dat de leidsters niet altijd
tijd voor jou alleen hebben, maar ook voor andere kinderen.’
Naast de eigen verantwoordelijkheid die de kinderen zichzelf toekennen,
bepaalt de BSO volgens hen mede het plezier in het verblijf. Ze geven aan dat het belangrijk is om een leuke BSO
uit te kiezen. Sommige respondenten duiden hierbij op de inrichting van de BSO, anderen op de gemiddelde leeftijd
van de kinderen. Lucia duidt op het activiteiten aanbod van de leiding:
‘Dat je op een leuke leuke BSO zit met leuke leidsters. Niet dat je op een hele vervelende gaat,
waar het heel saai is.’
Hoofdstuk 5 Conclusie,
discussie en aanbevelingen
Allereerst zullen in dit hoofdstuk de resultaten van de interviews per
onderzoeksvraag weergegeven worden. Deze resultaten monden uit in een antwoord op de vraagstelling van dit
onderzoek. Vervolgens worden in de discussie de beperkingen van het onderzoek en de implicaties van de conclusies
voor de theorie en de praktijk besproken. Tot slot zullen suggesties worden gegeven voor vervolgonderzoek en voor
het werkveld.
§ 5.1 Conclusie
De antwoorden op de onderzoeksvragen vormen de conclusies van dit onderzoek. De vier gestelde
onderzoeksvragen zullen achtereenvolgens besproken worden.
Opgemerkt moet worden dat de weergegeven conclusies soms tegenstrijdig kunnen lijken. Dit kan
verklaard worden door het feit dat ieder kind zijn eigen beleving en ervaringen heeft, welke in dit onderzoek
centraal staan. Deze kunnen elkaar echter tegenspreken.
1.
Wat vinden de kinderen positief aan het verblijf op de
BSO?
Over het algemeen zijn de kinderen zeer positief over het verblijf op de BSO.
De kinderen geven aan dat ze het verblijf leuk vinden omdat ze er veel verschillende dingen kunnen doen en omdat er
andere kinderen zijn om mee te spelen. Aan deze twee aspecten hechten de kinderen veel waarde.
De kinderen vinden het leuk dat er een grote diversiteit aan spelmateriaal
aanwezig is. Er is spelmateriaal aanwezig voor verschillende leeftijden. Dit wordt gewaardeerd. Hiernaast ervaren
de kinderen het als positief dat er veel activiteiten te doen zijn, waaruit ze zelf een keuze kunnen
maken.
De kinderen vinden het prettig om ruimte om hen heen te hebben. Zo kunnen ze zich vrij bewegen en
eventueel terugtrekken.
De kinderen vinden het fijn dat er kinderen zijn van hun eigen leeftijd. Zo hebben ze altijd iemand
om mee te spelen. De leiders van de groepen worden ervaren als aardig en actief. Over het algemeen heerst er
een gezellige sfeer op de BSO.
2.
Wat vinden de kinderen negatief aan het verblijf op de BSO?
Het grootste nadeel van het verblijf op de BSO vinden de kinderen het einde van de middag. De
kinderen vinden het niet leuk dat ze, voordat hun ouders komen, alles opgeruimd moeten hebben en niet meer
alles mogen doen waar ze zin in hebben. Dan vervelen ze zich.
Daarnaast ervaren kinderen het als onprettig als hun speelkameraadjes eerder worden opgehaald. De
overgebleven kinderen geven aan zich op die momenten te vervelen. Dit is een belangrijk aspect voor de
kinderen.
De kinderen vinden niet alle activiteiten op de BSO leuk. Een aantal spelmaterialen en activiteiten
wordt door de kinderen als saai ervaren. Dit is echter persoonsgebonden. Er zijn geen spellen of activiteiten
te noemen, die herhaaldelijk terugkomen.
Sommige kinderen vinden het jammer dat er niet altijd genoeg te doen is. Daardoor gaan ze zich soms
vervelen en vinden ze de BSO saai. Een andere factor waardoor sommige kinderen zich gaan vervelen is het
gebrek aan speelkameraadjes. De kinderen geven aan dat ze niet altijd zin hebben om met een jonger of ouder
kind te spelen. Bij de BSO’s waar de kinderen geen vriendjes mee mogen nemen, ervaren de kinderen dit als
negatief.
Op het moment dat er te veel kinderen tegelijk zijn, vinden de kinderen deze drukte onprettig. Het
is zo lastig om een rustig speelplekje te vinden, zeker als er te weinig ruimte is.
Op het moment dat kinderen niet alleen naar buiten mogen, maar alleen met leiding, ervaren ze dit
als negatief. De kinderen vinden de leiding niet leuk op het moment dat ze streng zijn. Daarnaast vinden de
kinderen het moeilijk dat ze niet altijd alle aandacht van de leiding krijgen; ze moeten rekening houden met
de andere kinderen in de groep.
3. Wensen de kinderen veranderingen aan te brengen aan het
verblijf op de BSO? Zo
ja, welke?
Als de kinderen veranderingen willen aanbrengen aan het verblijf op de opvang, willen ze dat de BSO
groter wordt en dat het speelgoedaanbod uitgebreid wordt. De computer en bijbehorende spelletjes zijn erg
geliefd. Daarnaast zouden ze meer attributen op de buitenspeelplaats willen hebben.
Tevens willen ze graag dat hun vriendjes en vriendinnetjes ook op de BSO zouden zitten of zouden
mogen komen spelen.
Een grotere BSO behoort tot de wensen van de kinderen. Ze hebben behoefte aan
ruimte om eens een keer alleen te zijn, maar ook om bijvoorbeeld gemakkelijk te kunnen knutselen.
Minder boosheid en ruzie zouden de kinderen tevens als prettig ervaren.
Waarschijnlijk hoeft de leiding dan minder streng op te treden.
Naast deze veranderingen zijn er ook aspecten van de BSO te noemen die de kinderen graag hetzelfde
willen houden. Hierbij moet gedacht worden aan de binnenruimte en het ruime speelgoedaanbod. De kinderen
willen de binnenruimte in het algemeen hetzelfde houden, maar vinden het ook belangrijk om de aparte ruimtes
(zoals bijvoorbeeld een gymzaal of knutselhoek) te behouden.
4. Ervaren de kinderen verschillen tussen ‘s middags thuis zijn en op de BSO
zijn?
Zo ja, wat is de aard van deze
verschillen?
De kinderen ervaren verschillen tussen het verblijf op de BSO en het thuis zijn. Deze verschillen
hebben te maken met de regels die thuis of op de BSO gehanteerd worden en met verveling. De meningen lopen
hierover sterk uiteen.
Er zijn kinderen die ervaren dat er thuis meer regels zijn en er zijn kinderen die ervaren dat er
op de BSO meer regels zijn. Sommige kinderen vervelen zich eerder thuis of eerder op de BSO.
Als de kinderen een keuze zouden moeten maken tussen een middag op de BSO of thuis kiezen vijf
kinderen voor de BSO. Zes kinderen kiezen ervoor om de middag thuis door te brengen. Acht kinderen geven aan
dat ze het erg moeilijk vinden om een keuze te maken. Vier hiervan neigen ernaar om voor thuis te
kiezen.
Uit voorgaande kan het antwoord op de vraagstelling afgeleid worden:
Hoe beleven kinderen van acht en negen jaar, die minstens twee keer per
week naar de Buiten Schoolse Opvang gaan, het verblijf op deze opvang?
Over het geheel genomen zijn de kinderen in de leeftijd van acht en negen
jaar, die minstens twee keer per week naar de BSO gaan, positief over deze opvang. Vooral de diversiteit aan
speelmateriaal en de aanwezigheid van speelkameraadjes wordt als positief ervaren. De materiële behoefte van de
kinderen is groot en deze kan, zo wordt door hen aangegeven, altijd
aangevuld worden. Het is duidelijk dat er een goede balans moet zijn tussen het aantal kinderen en de ruimte waar
de kinderen zich in bevinden.
De gang van zaken aan het einde van de middag wordt negatief beleefd. Hier
speelt verveling een grote rol. De meerderheid van de kinderen zou, wanneer ze mochten kiezen tussen een middag BSO
of thuis, toch kiezen om liever een middag thuis te zijn.
§ 5.2 Discussie en aanbevelingen
Discussie
Reeds eerder is het doel van de half open interviews genoemd. Het verkrijgen
van inzicht in hoe een specifieke groep kinderen het verblijf op de Buiten Schoolse Opvang beleeft.
Omdat op dit terrein nog niet eerder wetenschappelijk onderzoek is uitgevoerd, is gekozen is voor
deze onderzoeksmethode. Door open interviews af te nemen wordt een oriënterend beeld verkregen over een tot
dan toe niet eerder onderzochte situatie. Het antwoord op de vraagstelling, inzicht krijgen in de beleving
van het verblijf op de BSO, is voor deze onderzoekspopulatie duidelijk geworden. Bij deze is de
maatschappelijke relevantie bereikt; opvoeders kunnen de kennis die uit dit onderzoek voortkomt in de
praktijk gebruiken. De wetenschappelijke relevantie is voor een deel bereikt; de start met het vergaren van
kennis over de betekenis van het bezoeken van de BSO voor een specifieke groep is gemaakt.
Bij de uitspraken van de kinderen moet een kanttekening worden geplaatst, aangezien zij hier en
daar verdeeld zijn. Wanneer de kinderen bij de start van het interview werd gevraagd wat ze van de BSO
vonden, antwoordden bijna alle kinderen met ‘leuk’. Naarmate de gesprekken vorderden, bleek dat het toch niet
alleen maar ‘leuk’ was en een meerderheid van de kinderen de middag liever thuis doorbrengt. Er zou bij dit
onderzoek dan ook mogelijk sprake kunnen zijn van sociaal wenselijke antwoorden van de
respondenten.
Misschien hebben kinderen de neiging om de nadruk op positieve aspecten van de BSO te leggen.
Mogelijk denken zij zo een goede indruk te maken. Baarda en de Goede (2001) geven aan dat de sociale
wenselijkheid een grote invloed kan hebben op de antwoorden die de onderzoekers van kinderen krijgen. Daarom
is niet met zekerheid vast te stellen dat de uitspraken uit de interviews goed weergeven wat er bij de
kinderen leeft. Hierdoor is het van belang de interne validiteit in verder onderzoek na te gaan.
Aanbevelingen voor de Buiten Schoolse Opvang
Gedurende het onderzoek hebben de onderzoekers inzicht gekregen in het verblijf op de BSO. De
antwoorden op de verschillende onderzoeksvragen konden, volgens de onderzoekers, naar behoren worden
beantwoord.
De onderzoekers zijn tot de volgende aanbevelingen gekomen:
· Uit de resultaten komt naar voren dat het einde van de middag op een BSO voor veel kinderen
onprettig verloopt. De kinderen moeten ruim voordat ze opgehaald worden hebben opgeruimd en zijn daarna
beperkt in de keuze voor activiteiten. Tevens zijn er aan het einde van de middag steeds minder kinderen. De
verveling slaat toe en de dag wordt negatief afgesloten.
Wellicht zou de leiding met de kinderen kunnen overleggen en oplossingen kunnen bedenken voor het
verloop van het einde van de middag.
· Tijdens het onderzoek is gebleken dat veel kinderen behoefte hebben aan ruimte om zich heen en voor
zichzelf. Op sommige van de onderzochte BSO’s hebben kinderen bijvoorbeeld een eigen knutselhoekje of
leeshoekje. Voor de BSO’s die hier niet over beschikken wordt aanbevolen deze ruimte te creëren. Dit is
belangrijk voor kinderen. Zo hebben ze meer rust en kunnen ze zich zonodig terugtrekken. Op deze manier kan
in grote groepen een zekere mate van balans tussen de grootte van de ruimte en de rust aan worden
gebracht.
· Uit de interviews is gebleken dat de kinderen heel goed weten wat ze van de BSO vinden. Het wordt
dan ook aanbevolen om hun mening gehoord te laten worden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een zogenaamde
ideeënbox of tussentijdse evaluaties.
Aanbevelingen voor vervolgonderzoek
Zoals bij ieder onderzoek geldt, kan ook dit onderzoek aanleiding voor een vervolgonderzoek zijn.
Bij het uitvoeren van vervolgonderzoek valt te denken aan de grootte van de onderzoeksgroep, de samenstelling
van de onderzoeksgroep, de context en de omgeving van de onderzochte groep.
Hieronder zal verder ingegaan worden op de mogelijkheden van vervolgonderzoek zoals die naar voren
komen uit dit onderzoek.
· Bij dit onderzoek is ervoor gekozen om 24 kinderen van zes verschillende BSO’s in Utrecht, Nijmegen
en Wijchen te onderzoeken. Voor vervolgonderzoek zou het mogelijk zijn om meer kinderen op verschillende
plaatsen in Nederland te onderzoeken. Zo kunnen de resultaten op grote schaal met elkaar vergeleken worden en
zal blijken of deze resultaten naar een grotere onderzoeksgroep kunnen worden gegeneraliseerd.
· De wens om verschillende leeftijdsgroepen te onderzoeken in plaats van alleen acht en negen jarigen
kan een reden voor vervolgonderzoek zijn. Hoe zien de resultaten er uit wanneer kinderen met uiteenlopende
leeftijden worden onderzocht? Komt er een unaniem beeld naar voren of zit er toch verschil tussen de
leeftijden? Wat is vervolgens de aard van die verschillen?
· Aangezien de interne validiteit van dit onderzoek ter discussie staat, is vervolgonderzoek gewenst.
Het gebruik van andere onderzoeksmethoden zal aanvullende informatie opleveren. Aan de kinderen kan gevraagd
worden een vragenlijst in te vullen of een opstel over de BSO te schrijven. Door het laten schrijven van een
opstel zal op een minder gestructureerde manier informatie over de beleving van de BSO door de kinderen
verzameld worden. Tevens is de kans op een negatieve invloed van sociale wenselijkheid op de resultaten
verkleind.
Literatuur
-
Baarda, D.B., Goede de, M.P.M., Teunissen, J. (2000). Basisboek kwalitatief onderzoek. Houten: Educatieve Partners Nederland
BV.
-
Baarda, D.B., Goede de, M.P.M., Teunissen, J. (2001). Basisboek kwalitatief onderzoek.
Praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek. Groningen: Stenfert
Kroese.
-
Belsky, J. (1984). The determiants of Parenting: a Proces Model. Child development, vol.55, 83-96.
-
Berk, L. (2000). Child Development. Massachusetts:
Allyn & Bacon.
-
Bois-Reymond du, M., Belt, J. e.a. (1998). Samenwerken aan opvang buiten schooltijd. Assen: Van Gorcum & Comp B.V.
-
Boomman, I. (1999). Ouders over kwaliteit in de kinderopvang. Spectrum kinderopvang, jrg.10,
nr.2, p.8-9.
-
Dijk van, M. (1998). Een begeleidende rol in de opvoeding. Triangel, jrg.14,
nr. 3, p.14-16.
-
Dijk van, M., Nieuwenhuizen van, P.J.C.M. (2002). Info
Buitenschoolse opvang en brede school 2002/2003. ‘s Gravenhage: Elsevier Overheid.
-
Dries, H. (2002). Een vertrouwd dak voor uw kind. Spectrum kinderopvang, jrg. 13, nr 2, p.66.
-
Eijkeren van, M. (1998). Het sociaal drama van het buitenschoolse-opvangkind. Kinderopvang, jrg.31, nr. 7-8, p.6-9.
-
Evers, C., Jacobs, F. (2003). De eeuw van het kind- het jaar van het gezin- de dag van de vrouw. In E. Heijerman, F. Jacobs, M. Korthals, P. Wouters: Vuile Handen. Basisboek praktische filosofie. Utrecht: De Tijdstroom
Uitgeverij.
-
Feddema, G. (2003). Doe je dat thuis ook? Normen en waarden in de opvoeding.
Houten:Bohn Stafleu Van Loghum.
-
Hart ‘t, H., Dijk van, J., Goede de, M., Jansen, W. en Teunissen, J. (1998). Onderzoeksmethoden. Amsterdam: Boom.
-
Hoex, J. & Jongepier, N. (2001). Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: resultaten
van tien ontwikkelingsjaren. Tijdschrift voor onderwijs en
opvoeding, jrg. 60, nr. 10, p.25-27.
-
Kerkhof, van M.P.N. (2003). Onrust op de crèche: leidsters kinderopvang vinden volle agenda’s
ouders slecht voor het kind. Zorg en Welzijn, jrg. 8, nr. 7,
p.9.
-
Kievit, Th., De Witt, J., Groenendaal, J.H.A., Tak, J.A. (1998). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen. Maarssen:
Elsevier/ De Tijdstroom.
-
Kroon, T. (2003). Normen en waarden in de kinderopvang. Kinderen leren normen en waarden al
doende. Kiddo, nr.4, p.10-15.
-
Kohnstam, R. (1992). Kleine ontwikkelingspsychologie
II. De schoolleeftijd. Houten/ Diegem: Bohn Stafleu Van
Loghum.
-
Kugel, J. (2003). Ontwikkelingspsychologie
voor opvoeders, leraren en hulpverleners. Denklijnen en modellen, de ontwikkeling van het gedrag van kinderen en
jeugdigen. Utrecht: uitgeverij Agiel.
-
Langeveld, M.J. (1969). De opvoeding van zuigelingen en
kleuters: een boek voor ouders en opvoeders. Amsterdam: Elsevier.
-
Meijvogel, M.C. (1991). Geen kruimels tussen de boeken.
Schooltijden, overblijven en de ontwikkeling van de buitenschoolse
opvang in Nederland. Proefschrift. VUGA.
-
Meijvogel, R., Petrie, P. (1996). School-age childcare In the European Union.
London: European Network for School-age childcare.
-
Meijvogel, R., Schreuder, L. (1997). Buitenschoolse
opvang basisinformatie. Rijswijk: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
-
Meijvogel, R. (1996). Ervaringen in de BSO in vijf
Europese landen. NIZW.
-
Oosterlaan, J. (2004). Gedragsproblemen en kinderopvang. Pedagogiek in Praktijk Magazine, jrg. 10, nr.17, p.35.
-
Ploeg, van der J. (1998). Had me dat eerder
verteld. Opvoedkundige antwoorden op veel voorkomende problemen. Utrecht: B.V. uitgeverij SWP.
-
Portegijs, W., Boelens, A., Keuzenkamp, S. (2002). Emancipatiemonitor 2002. Den Haag: Sociaal en Cultureel
Planbureau.
-
Rispen, J., Hermanns, J.M.A. & Meeus, M.H.J. (1996). Opvoeden in Nederland. Assen: Van Gorcum.
-
Riksen-Walraven, M. (2000). Tijd voor kwaliteit in de
kinderopvang. Rede. Amsterdam: Vossiuspers AUP.
-
Schaffer, R.H. (1996). Social development. Cornwall: Blackwell Publishers.
-
Singer, E. (1993). Kinderopvang: goed of slecht?
Een literatuurstudie naar de effecten van kinderopvang. Utrecht: SWP.
-
Tavecchio, L. (2002). Van opvang naar opvoeding.
Amsterdam: Vossiuspes UVA.
-
Tavecchio, L. (2003). Van opvang naar opvoeding. De emancipatie van een uniek opvoedingsmilieu.
Tijdschrift voor orthopedagogiek, jrg. 42, nr. 5,
p.211-230.
-
Timmers-Huigens, D. (1992). Van acht tot twaalf.
Praktische tips voor de opvoeding. Nijkerk: uitgeverij
Intro.
-
Traas, M. (1997). Opvoeding in verandering. Een
veranderende maatschappij en de opvoeding van jongeren. Baarn: uitgeverij Intro.
-
Wenar C, Kerig, P. (2000). Developmental Psychopathology. From infancy through adolescence. Singapore: International editions.
-
Weijenberg, van de A. (2002). Tavecchio ondezoekt uniek opvoedingsmilieu van kinderopvang
naar kinderopvoeding. Management kinderopvang jrg. 8, nr. 8/9, p.
14-17.
-
Winter de, M. (1995). Kinderen als medeburgers.
Kinder- en jeugdparticipatie als maatschappelijk
opvoedingsperspectief. Utrecht: De Tijdstroom.
Bijlage 1: Brief aan BSO’s
Utrecht, 06-08-03
Adres 1
Adres 2
Betreft: onderzoek Pedagogische Wetenschappen Universiteit Utrecht
L.S,
Wanneer het in de literatuur en de media over Buiten Schoolse Opvang gaat,
komen vrijwel alleen ouders, leiders en leerkrachten aan het woord. Wat wij willen weten is hoe de kinderen zelf
over de Buiten Schoolse Opvang denken. Wat zijn hun ervaringen met en hun gedachten en gevoelens over de BSO? Zij
zijn immers de personen waar het in de BSO om gaat. Daarom willen wij een onderzoek doen waarin naar de mening van
de kinderen over de BSO wordt gevraagd. Onze interesse komt overigens mede voort uit de werkervaring die we zelf in
de kinderopvang hebben.
Wij zijn daarom op zoek naar kinderen in de leeftijd van zeven tot elf jaar,
die minstens twee dagen per week gebruik maken van een BSO. Bij deze kinderen willen wij een interview van ongeveer
twintig minuten gaan afnemen waarin hun beleving centraal staat. Uiteraard wordt hun en uw anonimiteit gewaarborgd.
Indien u geïnteresseerd bent om mee te werken aan dit onderzoek, zullen we de onderzoeksprocedure nader toelichten.
Via uw instelling willen wij tevens de ouders informeren en om toestemming vragen voor medewerking van hun
kind.
De praktische kennis die uit dit onderzoek naar voren komt zal voor u
beschikbaar zijn. Eind augustus zullen wij telefonisch contact met u opnemen. We hopen dat we u enthousiast hebben
gemaakt en dat samenwerking mogelijk zal zijn.
Met vriendelijke groeten,
Mariken Janssen
Wineke van Ravenstein Bijlage 2: Brief aan ouders
Utrecht, november 2003
Geachte ouders/ verzorgers,
De Buitenschoolse Opvang (BSO) staat de laatste tijd erg in de belangstelling.
In de media komen voornamelijk de meningen van ouders/ verzorgers, leidsters en leerkrachten naar voren. Wat ons
vooral interesseert is hoe de kinderen zèlf deze opvang beleven.
Wij studeren pedagogiek aan de universiteit Utrecht. Daarnaast hebben wij
ervaring in de kinderopvang. Mede daaruit is onze interesse gegroeid in de mening van het kind.
Daarom werken wij aan een onderzoek waarin de mening van het kind betreffende
de BSO centraal staat. Wij hebben een aantal BSO’s benaderd die toestemming hebben gegeven voor het onderzoek. Op
elke BSO interviewen wij op basis van toeval vier kinderen. Uw kind valt in de selectie van deze BSO. Daarom willen
wij u om toestemming vragen voor de medewerking van uw kind in ons onderzoek. Het interview zal niet langer dan
twintig minuten duren. Het zal gehouden worden op de BSO van uw kind. Uiteraard wordt de anonimiteit van uw kind en
u gewaarborgd. Mocht u nadere informatie willen hebben dan kunt u ons bereiken op nummer 000-0000000.
Indien u en uw kind mee willen werken aan het onderzoek, wilt u dan uw
gegevens op de invulstrook invullen en bij de leider van uw kind afgeven. Mocht u geïnteresseerd zijn in de
resultaten van het onderzoek dan sturen wij u te zijner tijd een samenvatting van ons verslag, vermeld dan wel uw
adres op de strook.
Met vriendelijke groeten,
Wineke van Ravenstein en Mariken Janssen
Antwoordstrook- Onderzoek
BSO
Naam kind:
Geslacht:
Leeftijd:
Leeftijden broertjes/ zusjes:
Aantal dagen BSO:
Werk vader/ verzorger:
… uur per week
Werk moeder/ verzorgster:
… uur per week
Bijzonderheden/ Opmerkingen
Indien u een samenvatting wenst te ontvangen, vermeld dan hier uw
adres:
Bijlage 3: Beschrijving
BSO’s
BSO 1
Deze BSO is in 2000 gestart met tieneropvang en vanaf zomer 2003 begonnen met
opvang voor kinderen van 8 tot 12 jaar. Momenteel bestaat de opvang uit 1 groep van 11 kinderen. Op de groep werken
2 vaste leiders. De kinderen worden opgehaald van school en kunnen tot 18.00 uur op de BSO blijven. De BSO bevindt
zich op de 3e verdieping van een gebouw voor kinderopvang. De kinderen hebben 2 grote ruimten waar ze
kunnen spelen, werken, knutselen en eten. De BSO zelf biedt weinig speelruimte voor buiten. Aan het lokaal zit een
groot balkon vast met tegels. Daarom gaan ze vaak naar de speeltuin of het park. Dit gebeurt bijna dagelijks. De
kinderen mogen vriendjes of vriendinnetjes meenemen naar de BSO. Meestal wordt dat van tevoren afgesproken, maar
dat hoeft niet.
BSO 2
Deze BSO bestaat sinds oktober 1999 en maakt deel uit van KION (Stichting
kinderopvang Nijmegen). Er kunnen per dag maximaal 40 kinderen opvangen worden in de leeftijd van vier tot dertien
jaar. In hetzelfde gebouw van de BSO bevindt zich tevens een basisschool. De BSO beschikt over eigen ruimtes en
deelt de aula/speelzaal met de school. Rondom het gebouw ligt een groot en gevarieerd buitenspeelterrein waar de
BSO gebruik van maakt. Hier valt o.a. een natuurpark en een voetbalveld onder. De kinderen worden uit school
gehaald door de leiding van de BSO. Dit gebeurt lopend. In overleg met de groepsleiding kunnen vriendjes of
vriendinnetjes meekomen naar de opvang.
Tijdens de schoolvakanties clustert deze BSO met twee andere BSO’s.
Afhanklelijk van het aantal kinderen wordt er voor één van de lokaties gekozen.
BSO 3
Deze BSO biedt dagelijks opvang aan 40 kinderen in de leeftijd van vier tot
dertien jaar. Ook deze BSO maakt deel uit van KION. Het team van de BSO bestaat uit vier beroepskrachten en
eventueel een stagiaire. Het gebouw wordt gedeeld met de kinderopvang. Zij maken er ‘s ochtends gebruik van, de BSO
‘s middags. De kinderen komen minimaal twee dagdelen per week naar de opvang. Met een dagdeel wordt de tijd na
school bij een hele schooldag bedoeld. De woensdagmiddag, als de school eerder uit gaat, telt voor twee dagdelen.
De kinderen worden lopend bij school opgehaald door de groepsleiding. Als de ouders vinden dat de kinderen
zelfstandig naar de BSO mogen komen, wordt hen gevraagd een schriftelijke verklaring hiervoor te tekenen. Hierop
kan ook aangegeven worden of het kind zelfstandig buiten mag spelen en alleen naar huis mag.
BSO 4
Deze BSO bevindt zich op de eerste verdieping van een gebouw waar tevens een kinderopvangcentrum in
gehuisvest is. Er is een zeer ruime buitenspeelplaats met verschillende attributen aanwezig. De kinderen die
hier verblijven zijn tussen de vier en dertien jaar oud. Er zijn drie groepen die elk ongeveer twintig
kinderen ontvangen per dag. Per groep zijn twee leiders aanwezig. De kinderen kunnen om half acht worden
gebracht en om uiterlijk zes uur weer worden opgehaald. De leiding vervoert de kinderen in busjes naar school
en haalt ze ’s middags weer op. In de schoolvakanties is deze BSO tevens van half acht tot zes uur
open.
BSO 5
Deze BSO heeft verschillende lokaties in Utrecht. Deze lokatie bevindt zich
tussen andere kinderopvangcentra voor jongere kinderen en bestaat ongeveer 5 jaar. De BSO groep bestaat op dit
moment de ene dag uit 19 kinderen en de andere dag uit 17 kinderen in de leeftijd van 6 tot 12 jaar. Er mogen
maximaal 20 kinderen op de groep. Op de groep staan 2 vaste leiders met 1 groepshulp of stagiaire. De tijden waarop
de kinderen komen verschillen per school. Tussen 16.00 en 18.00 kunnen de kinderen gehaald worden. De kinderen
hebbeb heel veel buitenruimte om te spelen. De BSO zit ver weg van drukke of onveilige straten. Alle kinderen
worden lopend of fietsend van school opgehaald. Er mogen op afspraak vriendjes of vriendinnetjes
meekomen.
BSO 6
Deze BSO bestaat ongeveer 5 jaar. Hier kunnen 20 kinderen per dag komen. De
meeste dagen zitten wel vol. Op de woensdag en de vrijdag zijn er ongeveer 15 kinderen. De tijden waarop de
kinderen komen variëren naar gelang de dag en het tijdstip, bijvoorbeeld vakanties. Dan kunnen kinderen er van 8.00
tot 18.00 uur verblijven. Bij de BSO is een klein buitenplaatsje. Ook wordt er
naar een park gegaan. Naast de groepsruimte is er een atelier, een keuken, gymzaal en t.v.ruimte. Er mogen ook
kinderen komen spelen die niet op de BSO zitten.
Bijlage 4: Codeboom
Activiteiten en spelmateriaal
-
gang van zaken [10:31]
-
leeftijdsgebonden activiteiten
goed [1:4]
veel [1:2]
weinig [2:11]
-
leuk om te doen [39:72]
leukst om te doen [8:15]
-
niet leuk om te doen [9:18]
kan niets bedenken [5:8]
-
opsomming mogelijkheden
binnen [48:104]
buiten [25:57]
-
thuis
leuk [5:5]
voordeel [12:32]
nadeel [7:18]
opsomming mogelijkheden
binnen
[20:51]
buiten
[6:9]
-
veel te doen [16:27]
-
weinig te doen [8:19]
BSO is leuk [17:30]
-
alles is leuk [4:14]
-
leuk spelen [2:4]
-
leuker dan elders [4:11]
-
rapportcijfer [3:8]
BSO is niet leuk
-
nadelen
buiten spelen [3:12]
onderhoud gebouw [1:1]
vervoer [2:13]
vriendjes [2:9]
-
nare ervaring [1:6]
-
saai [3:13]
-
tegenzin [3:19]
Gebouw
-
buitenspeelplaats [10:37]
-
inrichting [11:32]
-
klein [4:12]
-
groot [5:10]
-
mooi [7:7]
-
tiennerruimte [5:24]
Kiezen
-
BSO [6:15]
-
kan niet kiezen [7:21]
-
spelen liever op BSO [1:3]
-
spelen liever thuis [5:9]
-
thuis [11:25]
Leiding
-
aardig [11:21]
-
actieve leiding [4:15]
-
belangrijk [2:3]
-
geen aandacht [4:14]
-
ingrijpen [7:24]
-
inval [2:11]
-
leuk [6:15]
-
negatief [4:17]
-
spelen met leiding [6:15]
-
verschillend [2:6]
Niet veranderen
-
binnenruimte [12:22]
-
buitenspeelplaats [2:4]
-
leiding en kinderen [2:6]
-
speelgoed [7:9]
Perspectief nemen
-
BSO is leuk [4:17]
-
BSO is niet leuk [11:49]
-
jongens [1:3]
-
meisjes [1:2]
Regels
-
activiteiten [12:41]
negatief [2:9]
-
buiten [7:20]
negatief [3:11]
-
druk zijn [14:29]
-
eten [13:50]
negatief [2:5]
-
opruimen [1:6]
negatief [3:9]
-
positief [6:18]
-
samen spelen [11:42]
-
straf [5:17]
-
thuis [7:14]
anders dan thuis [1:5]
hetzelfde als thuis [1:4]
thuis minder regels [2:10]
-
tiennerruimte [2:6]
Speelkameraadjes
-
algemeen [5:13]
-
alleen zijn [12:38]
-
belangrijk [10:41]
-
niet belangrijk [2:12]
-
leeftijd
andere leeftijd [6:15]
kleine kinderen [11:47]
oudere kinderen [4:17]
zelfde leeftijd [1:3]
-
leuk [4:10]
-
niet leuk [13:54]
-
veel [7:24]
-
weinig [4:21]
-
vrienden [8:33]
Tijd
-
einde van de middag [20:83]
-
snel [4:8]
Tips
-
BSO is leuk [8:15]
-
je goed gedragen [3:10]
-
leuke BSO kiezen [2:11]
-
eerst wennen [3:14]
-
probeer je te vermaken [1:7]
-
rekening houden met anderen [2:10]
-
vrienden maken [7:18]
Toveren
-
dieren [1:1]
-
gebouw [3:5]
meer ruimte binnen [4:15]
-
kinderen [7:17]
-
minder regels [2:6]
-
minder ruzie [2:6]
-
niets toveren [3:10]
-
speelgoed [18:32]
-
speelplaats [6:12]
meer ruimte [3:10]
-
vervoer [1:7]
Vervelen
-
nooit [1:2]
-
reden [5:21]
-
soms [5:17]
-
thuis [5:10]
-
wat doen bij vervelen [8:39]
Werkende ouders
-
negatief [10:39]
-
neutraal [2:7]
-
oppas [1:4]
|