Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?

 

Kwalitatief onderzoek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doctoraalscriptie

 

Capaciteitsgroep

Kinder- en Jeugdstudies

 

Opleiding

Pedagogiek

 

Universiteit

Utrecht

 

Studenten

Annemarie Zander

Ellen van de Locht

 

Studentnummers

0008311

0141879

 

Begeleiders

Dr. Karel J. Mulderij

Dr. Ben Baarda

 

Utrecht, augustus 2004

 

 

 

 

Voorwoord

Voor u ligt het verslag van ons afstudeeronderzoek over hoe onder toezicht gestelde jongeren hun uithuisplaatsing beleven. Graag willen wij alle mensen bedanken die ons geholpen hebben bij het tot stand komen van dit onderzoeksverslag. Een aantal mensen willen wij ook bij naam noemen;

 

Allereerst willen wij Dr. Karel J. Mulderij en Dr. Ben Baarda bedanken voor de begeleiding.Jullie feedback en positieve reacties hebben er mede toe bijgedragen dat dit onderzoekgeworden is tot wat het nu is.

 

Uiteraard willen wij Kim, Anet, Fernando, Bas, Marykate, Max, Chantal, Beppie, Sanne en Annemie bedanken voor het vertellen van jullie indrukwekkende verhalen. Wij hebben het afnemen van de interviews als zeer positief ervaren en zijn blij dat jullie bereid waren om aan ons, voor jullie eigenlijk vreemde mensen, zoveel te vertellen.

 

Ook willen we degenen bedanken, die ons in contact hebben gebracht met de jongeren, namelijk Jelis van Leeuwen, Yvonne Kool, Paulien Harmelink, Albert Flint, Amy Tijssen, Angelique Mooren, Jan Bos, Liesbeth Singor, Sabrina Sanne en Zuleya Gokce en tenslotte ook de ouders en verzorgers van de jongeren voor hun toestemming en gastvrijheid.

 

 

Veel leesplezier!

 

Annemarie Zanderen Ellen van de Locht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave

 

1.     Inleiding

 

2.     Literatuuronderzoek

2.1 Vrijwillige of gedwongen hulpverlening2

2.2 De gedwongen hulpverlening2

2.2.1 De ondertoezichtstelling

2.2.1.1 Wat is een ondertoezichtstelling?

2.2.1.2 De doelmatigheid van de ondertoezichtstelling

2.2.2 De ontheffing en ontzetting

2.2.3 Het ontstaan van de ondertoezichtstelling, de ontheffing en de ontzetting

2.3 Prevalentie

2.4. Uithuisplaatsing

2.4.1 Wat is een uithuisplaatsing?

2.4.2. Opname en beslissingsprocedure

2.4.3 Het welzijn van kinderen

2.4.3.1 Het welzijn van kinderen met betrekking tot uithuisplaatsing

2.4.3.2 Het welzijn van kinderen met betrekking tot de plek

2.4.3.3 Het welzijn van kinderen met betrekking tot het aantal plaatsingen

2.4.4 Inclusieve pleegzorg

2.5. Risicofactoren

2.5.1 Problemen in het gezinsverleden

2.5.2 Onveilige hechting

2.5.3 Gezinsinstabiliteit

2.5.4 Nog meer risicofactoren

2.6 Kenmerken van uit huis geplaatste kinderen

2.6.1 Achtergronden en veel voorkomend gedrag

2.6.2 Een problematische ontwikkeling door stress en ingrijpende gebeurtenissen

2.6.3 Traumatische ervaringen

2.6.4 Problemen in de ouder – kind relatie

2.6.5 Gedragsproblemen

2.6.6 Cognitieve groei

2.6.7 Overvriendelijke reacties tegen vreemden

2.7 Samenvatting literatuuronderzoek

 

3. Onderzoeksopzet

3.1 Theorie

3.1.1 Doelstelling

3.1.2 Ethische verantwoording

3.1.3 Probleemstelling

3.1.5 Eenheden en kenmerken

3.1.6 Verantwoording keuze kwalitatief onderzoek

3.1.7 Keuze dataverzamelingstechniek

3.1.8  Controlevariabelen

3.1.9 Attenderende begrippen

3.2 Methode

3.2.1 Design

3.2.2 Populatie en steekproef

3.2.3 Definitie en operationalisatie kenmerken

3.2.4 Kwalitatieve analyse

 

4. Resultaten

4.1 Gezin van herkomst

4.1.1 Kim

4.1.2 Anet

4.1.3 Fernando

4.1.4 Bas

4.1.5 Marykate

4.1.6 Max

4.1.7 Chantal

4.1.8 Beppie

4.1.9 Sanne

4.1.10 Annemie

4.2 Uithuisplaatsing

4.2.1 Reden uithuisplaatsing

4.2.2 Het uit huis geplaatst worden

4.2.3 Beleving uithuisplaatsing

4.3 Plaatsingen jongeren

4.3.1 Plaatsingsgeschiedenis

4.3.2 Plaatsing in een pleeggezin

4.3.2.1 Kenmerken pleeggezin

4.3.2.2 Beleving pleeggezin

4.3.3 Plaatsing in een gezinshuis

4.3.3.1 Kenmerken gezinshuis

4.3.4. Plaatsing in een leefgroep

4.3.4.1 Kenmerken leefgroep

4.3.4.2 Beleving leefgroep

4.3.5 Gastgezin

4.4 Gevoelens

4.4.1 Gevoelens jongeren begin plaatsing

4.4.2 Gevoelens jongere in de loop van de plaatsing

4.4.3 Gevoelens van machteloosheid

4.5 Contact jongere

4.5.1 Hechting

4.5.2 Hulpverleners

4.5.2.1 Gezinsvoogd

4.5.2.2 Pleegzorgwerker

4.5.3 Beroepsopvoeders

4.5.3.1 Pleegouders

4.5.3.2 Gezinshuisouders

4.5.3.3 Groepsleiding

4.5.4 Groepsgenootjes

4.5.5 Leeftijdsgenootjes

4.5.6 Gezin van herkomst

4.5.6.1 Contact biologische ouders

4.5.6.3 Contact familie

4.6 Daginvulling

4.6.1 Dagelijkse structuur

4.6.2 School

4.6.3 Taken

4.6.5 Weekend

4.7. Toekomstverwachtingen

4.7.1 Wensen

4.7.2 Toekomst

4.8 Visie jongere

4.8.1 Beleving eigen leven

4.8.2 Levensvisie

4.8.3 Klacht over hulpverlening

4.9 Belangrijk om te weten

4.9.1 Ligt niet alleen aan jongere

4.9.2 Niet oordelen

4.9.3 Rekening houden met jongeren

4.9.4 Hoe het voelt

4.9.5 Eigen ouders blijven belangrijk

 

5. Discussie en conclusie

5.1 Discussie

5.2 Conclusie

5.3 Suggesties en aanbevelingen

 

6. Samenvatting

 

Literatuurlijst

Overige bronnen

 

Bijlagen

Bijlage 1: Voorbereiding interview

Bijlage 2: Uitwerking interview Marykate

Bijlage 3: Analyse interview Kim stap 1

Bijlage 4: Analyse interview Kim stap 2

Bijlage 5: Analyse interview Kim stap 3

Bijlage 6: Analyse interview Kim stap 4

Bijlage 7: Kernlabels en labels

 


1.      Inleiding

 

Wij zijn Annemarie Zander en Ellen van de Locht en studeren pedagogiek aan de Universiteit Utrecht. In het kader van ons afstudeeronderzoek hebben wij een kwalitatief onderzoek gedaan naar de beleving van onder toezicht gestelde jongeren. We hebben ons verdiept in hoe zij tegen hun uithuisplaatsing aankijken. Hieronder zullen wij allebei kort toelichten waar de interesse voor dit onderwerp vandaan komt. 

“Zelf heb ik nog geen ervaring met uit huis geplaatste kinderen. Dit onderzoeksgebied is nog geheel nieuw voor mij. Ik zou er graag meer over willen weten. Niet voor alle kinderen is het vanzelfsprekend dat ze een onbezorgde jeugd ervaren, zonder problemen. Voor een aantal van deze kinderen lopen de problemen soms zo erg op dat ze niet meer thuis kunnen of mogen wonen. Deze kinderen zullen in een heel andere leefomgeving opgroeien als voor de meeste kinderen gebruikelijk is. Het lijkt mij heel interessant om erachter te komen hoe deze kinderen die nieuwe leefomgeving ervaren en meer nog hoe ze het ervaren om niet meer thuis te wonen” (Annemarie).

“Toen ik acht jaar was, kregen mijn ouders, broertje en ik ons eerste pleegzusje. In de jaren erna, volgden er nog ongeveer twintig pleegkinderen. Na vijf jaar crisis opvang, zijn we ermee gestopt, omdat mijn moeder als pleegzorgwerker ging werken. Een aantal jaren later kwam ik tijdens mijn stage van de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) te werken op een residentiële crisisopvang- en observatiegroep. Ook hier kwam ik in aanraking met kinderen die uit huis geplaatst waren. Ondanks deze ervaring heb ik me niet echt verdiept in hoe deze kinderen het beleven om niet meer thuis te wonen. Als groepsopvoedster was mijn aandacht meer gericht op het verlenen van zorg. En als eigen kind in ons pleeggezin was het vanzelfsprekend voor mij dat kinderen soms niet meer thuis wonen. Door dit onderzoek hoop ik meer inzicht te krijgen in de beleving van de uit huis geplaatste kinderen en hoop ik deze kennis te kunnen gebruiken in mijn toekomstige werk” (Ellen).

 

Hierna kunt u in hoofdstuk 2 de theoretische achtergrond van het onderzoek lezen. De methodische achtergrond van het onderzoek wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 kunt u de resultaten vinden. De conclusie van het onderzoek staat in hoofdstuk 5. Tenslotte volgt in hoofdstuk 6 een samenvatting.

 

Annemarie Zander& Ellen van de Locht.

Utrecht, augustus 2004.

2.      Literatuuronderzoek

 

2.1 Vrijwillige of gedwongen hulpverlening

 

Hulpverlening vindt meestal vrijwillig plaats. Kinderen, jongeren en/of hun ouders melden zich dan vrijwillig aan bij een hulpverlenende instantie, zoals Bureau Jeugdzorg. Soms ziet de hulpverlening echter geen mogelijkheid om op vrijwillige basis ouders en hun kinderen te helpen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de opvoedingssituatie zodanig is, dat er moreel en/of lichamelijk gezien risico’s zijn voor het kind of de jongere. Er moet dan een juridische maatregel genomen worden (Matthijs & Vincken, 1997).

Via Bureau Jeugdzorg of het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling kan de Raad voor de Kinderbescherming een melding krijgen dat een kind of jongere ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De melding die bij Bureau Jeugdzorg of het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling binnenkomt, kan bijvoorbeeld gedaan worden door school, politie of bezorgde buren (Veldkamp, 1995, in Reith, 2003). De Raad kan dan een onderzoek verrichten naar de opvoedingssituatie van het kind of de jongere. Op basis van het onderzoek verwijst de Raad naar de vrijwillige hulpverlening, of verzoekt de Raad de kinderrechter om een "kinderbeschermende maatregel" op te leggen. Bij een kinderbeschermende maatregel betreft het hulp met een gedwongen karakter. Er zijn drie vormen te onderscheiden; een ondertoezichtstelling, een ontheffing of een ontzetting (Van Lieshout, 2003). Deze drie vormen zullen hieronder worden toegelicht.

2.2 De gedwongen hulpverlening

 

Allereerst zal de ondertoezichtstelling beschreven worden, omdat dat de minst ingrijpende maatregel is. Vervolgens zullen de ingrijpendere ontheffing en ontzetting aan bod komen. Historisch gezien zou het logischer zijn om een andere volgorde aan te houden. Dit zal  duidelijk worden in paragraaf 2.2.3 over het ontstaan.

 

2.2.1 De ondertoezichtstelling

 

Deze paragraaf over de ondertoezichtstelling zal beginnen met de uitleg wat een ondertoezichtstelling inhoudt. Daarna zal de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling beschreven worden.

2.2.1.1 Wat is een ondertoezichtstelling?

 

De ondertoezichtstelling is dus, zoals blijkt uit paragraaf 2.1, een maatregel in het belang van het kind of de jongere. Hieronder volgt een beschrijving met betrekking tot deze maatregel, die voor een belangrijk deel geïnspireerd is door Van der Linden, Ten Siethoff & Zeijlstra-Rijpstra (2001, p.83-91) en de website van postbus 51 (www.postbus 51.nl).

Elke minderjarige kan onder toezicht worden gesteld, behalve de kinderen en/of jongeren die onder gezag staan van een rechtspersoon. De ondertoezichtstelling kan worden aangevraagd bij de kinderrechter door de Raad voor de Kinderbescherming en de Officier van Justitie. Een ouder of een ander die het kind of de jongere verzorgt kan ook een ondertoezichtstelling aanvragen. Daarvoor hebben ze wel een advocaat nodig.

In artikel 254 van het Burgerlijk Wetboek 1 wordt aangegeven wanneer een kinderrechter een ondertoezichtstelling kan uitspreken, namelijk “Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien zullen falen” (p.317).

De gevallen waarin een maatregel uitgesproken kan worden zijn divers en worden meestal gekenmerkt door complexe problematiek, waarbij vaak sprake is van een problematische voorgeschiedenis, zoals gedrags- en opvoedingsstoornissen, kindermishandeling, verslaving, crimineel gedrag en ernstige problemen van ouders die hun weerslag hebben op de kinderen, al dan niet in combinatie met elkaar.

Als de ouders de zorg voor hun kind niet alleen aan kunnen en de ontwikkeling van het kind of de jongere in gevaar komt, kan de kinderrechter dus een ondertoezichtstelling uitspreken. Dit kan ook tegen de wil van de ouders in. Bij een ondertoezichtstelling kan de kinderrechter het gezag van één of beide ouders, of van de voogd beperken door een kind of jongere onder toezicht te stellen van een gezinsvoogdij-instelling. De kinderrechter benoemt dan een gezinsvoogdij-instelling. De gezinsvoogdij-instelling wijst vervolgens een gezinsvoogd aan. Deze gezinsvoogd begeleidt het kind of de jongere en helpt de ouders bij de opvoeding. Van der Linden e.a. (2001) definiëren een gezinsvoogd als “een professionele hulpverlener in dienst bij een gezinsvoogdij-instelling, die ouders hulp en steun geeft bij de verzorging en opvoeding” (p.83). Deze definitie komt overeen met de omschrijving van een gezinsvoogd zoals die op de website van kinderhulp wordt aangegeven, namelijk "een hulpverlener die de bevoegdheid heeft in te grijpen in de gezinssituatie". Een gezinsvoogd stelt een hulpverleningsplan op en bespreekt dit met de ouders. De gezinsvoogd bewaakt samen met de ouders de belangen van het kind of de jongere. De kern van het werk van een gezinsvoogd is dus het zo goed mogelijk waarborgen van de belangen van de onder toezicht gestelde kinderen of jongeren. Verder probeert de gezinsvoogd een uithuisplaatsing zo lang mogelijk uit te stellen en de relatie met de met gezag belaste ouder zo goed mogelijk te houden. Hiermee is echter niet altijd het belang van het kind of de jongere gediend. In sommige gevallen zou het voor het kind of de jongere beter zijn als het eerder uit huis geplaatst werd, wat dus ten koste kan gaan van de relatie tussen de gezinsvoogd en de met gezag belaste ouder. Het waarborgen van het belang van het kind of de jongere wordt ook bemoeilijkt doordat het werk van een gezinsvoogd gekenmerkt wordt door een hoge werkdruk en een groot personeelsverloop (Overmeer, 2002).

Een gezinsvoogd is dus een hulpverlener die in dienst is van een gezinsvoogdij-instelling. Deze vorm van voogdij is een door de kantonrechter of rechtbank opgedragen voogdij en wordt ook wel datieve voogdij genoemd. Naast deze datieve voogdij bestaat ook nog een andere, tweede vorm van voogdij, namelijk een testamentaire voogdij. Testamentaire voogdij vindt plaats wanneer een ouder met gezag overlijdt. Deze ouder(s) hebben bepaald wie na het overlijden voortaan als voogd het gezag over hun kind zal uitoefenen. Deze voogd wordt dus niet door de kantonrechter of rechtbank benoemd.

De ondertoezichtstelling wordt door de kinderrechter voor ten hoogste één jaar uitgesproken over een kind. Tot de meerderjarigheid van de jongere kan telkens aan het einde van de termijn, waarvoor de ondertoezichtstelling bepaald is, een verzoek ingediend worden bij de kinderrechter tot verlenging van de maatregel. Ook bij verlenging geldt een duur van ten hoogste één jaar. Verlengen kan de kinderrechter onder andere doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de (pleeg-)ouders of de Raad voor de Kinderbescherming. Bij een eventuele verlenging vraagt de kinderrechter wel eerst de mening van alle betrokkenen en ook de mening van het kind of de jongere, in ieder geval als hij of zij twaalf jaar of ouder is.

Indien acute hulpverlening noodzakelijk is en een onderzoek in verband met een aangevraagde ondertoezichtstelling te lang duurt, kan de kinderrechter het desbetreffende kind of de jongere voorlopig onder toezicht stellen. Deze voorlopige maatregel duurt maximaal drie maanden.

De hulpverlening is gericht op het gezin waartoe het kind of de jongere behoort en waar het in principe tijdens de ondertoezichtstelling ook verblijft. De ouders blijven bij deze maatregel het ouderlijk gezag over hun kind houden, maar moeten bij belangrijke beslissingen overleggen met de gezinsvoogd. De beperking van het gezag is dus gelegen in het feit dat de gezagsdragers zich niet vrijblijvend kunnen opstellen tegenover deze hulpverlening. Ouders moeten de aanwijzingen van de gezinsvoogd opvolgen. Een gezinsvoogd kan de ouders en het kind of de jongere een schriftelijke aanwijzing geven, bijvoorbeeld over de opleiding, de huisregels of een specialistisch onderzoek van het kind of de jongere. Het niet opvolgen van de aanwijzing kan vergaande gevolgen hebben. Het kan leiden tot een uithuisplaatsing of, in zeer ernstige gevallen, tot een ontheffing of ontzetting van de ouder(s) uit het gezag. Wel kunnen ouders en jongeren vanaf twaalf jaar bij bezwaren naar de kinderrechter gaan.

De ondertoezichtstelling is dus bedoeld om een aanvaardbare opvoedingssituatie te creëren. Dat betekent dat ouders, kind of jongere en gezinsvoogd samenwerken om de problemen op te lossen, die de ontwikkeling van het kind of de jongere belemmeren. Het is de bedoeling dat de ouders zelf zoveel mogelijk voor hun kind blijven zorgen en dat zij op den duur weer zonder ondertoezichtstelling verder kunnen.

De maatregel is preventief van aard. Men acht het mogelijk dat door een ondertoezichtstelling de verderstrekkende ontheffing of ontzetting met de onvermijdelijke uithuisplaatsing voorkomen kan worden, mits goede hulpverlening op gang gebracht wordt. In principe blijft het kind of de jongere tijdens de ondertoezichtstelling dus zoveel mogelijk in het eigen gezin.

In sommige situaties echter vindt de gezinsvoogd een uithuisplaatsing voor een kind of jongere noodzakelijk. De gezinsvoogdij-instelling vraagt dan een machtiging aan bij de kinderrechter. Hierbij gaat het om een situatie waarbij de gezinsvoogdij-instelling constateert dat de hulp die geboden kan worden, terwijl het kind of de jongere in het eigen gezin verblijft, niet de meest wenselijke is of niet langer voldoende waarborgen biedt voor het verminderen van de bedreiging van de belangen van het kind of de jongere.

Een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling heeft per definitie een tijdelijk karakter. Een machtiging voor uithuisplaatsing wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met een zelfde termijn verlengd worden. Indien echter tijdens de uithuisplaatsing geen enkel zicht is op plaatsing thuis en er ook niet meer aan thuisplaatsing gewerkt wordt, is de ondertoezichtstelling wettelijk gezien niet meer de juiste maatregel, tenzij het verblijf buiten het gezin vrijwillig is. Kenmerk van de ondertoezichtstelling is immers dat verantwoordelijkheid van de ouders voor hun kind, zij het beperkt, blijft bestaan. De ondertoezichtstelling is dus de minst ingrijpende justitiële maatregel. Het kind of de jongere verblijft in principe in zijn eigen omgeving en de hulp die geboden wordt is gericht op het versterken van de band in het gezin. In de praktijk blijkt dat uithuisplaatsingen vaak voorkomen. In de volgende paragraaf zal dat aan de orde komen. Ook in paragraaf 2.3 over prevalentie, komt aan de orde dat ongeveer de helft van de onder toezicht gestelde kinderen en jongeren niet meer thuis woont.De ondertoezichtstelling kan op drie manieren stoppen; het eindigt ten eerste als niemand na één jaar om verlenging vraagt of ten tweede wanneer de jongere meerderjarig wordt of ten derde bij een ontheffing of ontzetting.

 

2.2.1.2 De doelmatigheid van de ondertoezichtstelling

 

De doelmatigheid van de ondertoezichtstelling is in 2002 onderzocht door Slot e.a. In dat onderzoek werden 103 dossiers geanalyseerd in opdracht van het ministerie van justitie en werden kinderrechters, stafmedewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogden, ouders en kinderen geïnterviewd. Uit de interviews met de gezinsvoogden kwam naar voren dat er sprake is van wachtlijstproblematiek en dat de beschikbare contacttijd ontoereikend zou zijn. Daarnaast bleek dat de gezinsvoogden behoefte hadden aan meer ondersteuning door de instelling en aan meer tijd voor collegiaal overleg (Slot e.a., 2002, in Dullens (2002) en in Van Hout & Spinder, 2002).

Uit het totale onderzoek kwamen 909 zorgpunten naar voren. Zo blijkt dat na twee jaar ondertoezichtstelling de situatie van 28% van de kinderen verbeterde, bij 38% bleef de situatie hetzelfde en van 33% verslechterde de situatie. Het blijkt dat een derde deel van de kinderen tijdens de ondertoezichtstelling meer dan twee keer was verhuisd. Bij de groep waar verbetering was opgetreden, hebben zich minder vaak wisselingen van de verblijfplaats voorgedaan dan bij de verslechterde groep. Verder blijkt dat bijna tweederde van de kinderen uit huis geplaatst was en dat de kinderen zo’n twee tot drie keer een andere gezinsvoogd hebben gehad. Ook kwam naar voren dat er, in tegenstelling tot wat de gezinsvoogden hadden aangegeven, geen sprake was van wachtlijstproblematiek. Tenslotte bleek dat de meeste kinderen ingrijpende gebeurtenissen hadden meegemaakt, dat er bij één op de zes gevallen sprake was van communicatieproblemen en dat bijna acht keer zoveel kinderen als gemiddeld in Nederland naar het speciaal onderwijs gingen (Slot e.a., 2002, in Dullens (2002) en in Van Hout & Spinder, 2002). 

Slot e.a. (2002) concluderen in hun onderzoek dat kinderen die de zwaarste problematiek hebben en kinderen die minstens één ouder hebben die niet in Nederland geboren is, het meeste baat hebben bij een ondertoezichtstelling. De aanbevelingen die de onderzoekers hebben gedaan zijn allereerst dat gezinsvoogden bijgeschoold moeten worden en ten tweede dat hulp aan ouders en kind beter afgestemd moet worden op de jeugdzorg (Slot e.a., 2002 in Dullens, 2002). Deze tweede aanbeveling wordt ook beschreven in onderzoeken van Palmer (1996), Thomlison (1991, in Jivanjee, 1999) en Van Hout en Spinder (2002), die verderop in dit verslag beschreven zullen worden.

2.2.2 De ontheffing en ontzetting

 

Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven zijn er naast de ondertoezichtstelling nog twee andere kinderbeschermende maatregelen die de kinderrechter kan opleggen, namelijk ontheffing en ontzetting. Dit zijn dus ook maatregelen die worden genomen in het belang van het kind of de jongere. Hieronder volgt een beschrijving van de ontheffing en ontzetting. Hierbij is gebruikt gemaakt van het boek van Van der Linden e.a. (2001), pagina 6, 8, 83 en  91-93.

Een ontheffing en een ontzetting hebben veel verderstrekkende gevolgen dan de ondertoezichtstelling. Deze maatregelen zijn namelijk gericht op het verbreken van de gezagsrelatie en de feitelijke band. De gevolgen hiervan zijn opvoeding buiten het gezin en benoeming van een gezinsvoogd, doorgaans een instelling. Deze maatregelen worden pas toegepast als de gevolgen hiervan minder ernstig voor het kind of de jongere worden geacht dan continuering van de gezinssituatie.

Ontheffing wordt als maatregel toegepast als er sprake is van onmacht of ongeschiktheid van de ouders tot de verzorging en opvoeding van hun kind(eren). De oorzaken van de onmacht en ongeschiktheid kunnen verschillend zijn. Kenmerkend is dat er niet op de eerste plaats verwijtbaar gedrag aan ten grondslag ligt, wat bij ontzetting wel het geval is.

Redenen voor ontzetting zijn onder andere misbruik van ouderlijk gezag of grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding, slecht levensgedrag zoals chronisch alcoholmisbruik en prostitutie, en een onherroepelijke veroordeling wegens het plegen van een misdrijf samen met of tegen de minderjarige.

 

2.2.3 Het ontstaan van de ondertoezichtstelling, de ontheffing en de ontzetting

 

Voor 1901 was de vaderlijke macht onaantastbaar. Dat betekende dat de hulpverlening aan kinderen of jongeren slechts mogelijk was als de vader zich er niet tegen verzette. In 1901 werden er een aantal wetswijzigingen doorgevoerd met betrekking tot het gezag over minderjarigen. Bijvoorbeeld, de vaderlijke macht werd ouderlijke macht. Deze ouderlijke macht was niet onaantastbaar; hulpverlening aan kinderen of jongeren werd mogelijk tegen de wil van ouders door de ontheffing of de ontzetting.

De ontheffing en ontzetting zijn maatregelen die eerder bestonden dan de ondertoezichtstelling. Hoewel de ontheffing en de ontzetting effectieve maatregelen waren, ontstond er behoefte aan een preventieve maatregel die minder ingrijpend zou zijn. In 1921 is daarom de ondertoezichtstelling opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Bij de ondertoezichtstelling werd door middel van hulpverlening in het gezin geprobeerd om een escalatie van problemen te voorkomen. In 1995 werd de wet met betrekking tot de ondertoezichtstelling aangepast (Van Hout & Spinder, 2002). Een belangrijke wijziging betreft de scheiding tussen de rechtsprekende en de uitvoerende taak. Voorheen vielen beide taken onder verantwoordelijkheid van de kinderrechter, maar vanaf 1995 valt de uitvoering van de maatregel onder verantwoordelijkheid van de gezinsvoogdij-instelling. Daarnaast heeft de met gezag belaste ouder of verzorger meer zeggenschap en grip gekregen op de inhoud van de hulpverlening (Overmeer, 2002).

 

2.3 Prevalentie

 

De meest recente cijfers met betrekking tot ondertoezichtstelling staan op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Volgens het CBS zijn er in 2002 in totaal 20429 kinderen en jongeren onder toezicht gesteld. Daaronder vallen 10903 jongens en 9526 meisjes. Het totaal aantal onder toezicht gestelde kinderen of jongeren wordt door het CBS ook aangegeven in verschillende leeftijdsgroepen. In 2002 zijn 2095 kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar onder toezicht gesteld, 4575 kinderen in de leeftijd van 5 tot 9 jaar, 6893 kinderen en/of jongeren in de leeftijd van 10-14 jaar en 6966 jongeren in de leeftijd van 15 tot 17 jaar (www.cbs.nl). In de leeftijd van 10 tot 14 jaar bevindt zich dus het grootste percentage onder toezicht gestelde kinderen en/of jongeren.

Bij het CBS zijn geen cijfers bekend over het aantal uithuisplaatsingen, in het kader van de ondertoezichtstelling. Cijfers hierover zijn wel te vinden op de website van kinderhulp. Hoewel op deze website niet wordt aangegeven op welk jaar de cijfers van toepassing zijn, worden ze hieronder toch genoemd omdat de cijfers over de ondertoezichtstelling overeenkomen met de hierboven genoemde, recente cijfers van het CBS.

Volgens de website van kinderhulp vallen in Nederland zo'n 25.000 kinderen of jongeren onder de jeugdbescherming. Het merendeel van de kinderen of jongeren (20.000) heeft door de kinderrechter een gezinsvoogd toegewezen gekregen, omdat er ernstige problemen in het gezin zijn. Verder wordt genoemd dat van de 20.000 kinderen of jongeren die onder toezicht van een gezinsvoogd staan, ruim 50 % thuis woont. Het gaat dus om ongeveer 10.000 kinderen of jongeren. De andere helft verblijft voor korte of langere tijd in een pleeggezin of internaat. Bijna 5.000 kinderen of jongeren staan onder voogdij en worden niet meer door de eigen ouders opgevoed. Zij wonen in een pleeggezin, internaat of op kamers (www.kinderhulp.nl).

Naast deze cijfers van kinderhulp worden er overeenkomstige cijfers genoemd in verslagen van de directie kinderbescherming van het ministerie van justitie (Nijnatten, 1999). Er wordt aangegeven dat er in 1998 in totaal 19.444 kinderen of jongeren onder toezicht zijn gesteld. Van dit aantal zijn er 10.661 kinderen of jongeren niet uit huis geplaatst. Ruim 8.000 kinderen of jongeren zijn dus uit huis geplaatst.  Het merendeel van de kinderen of jongeren is in een inrichting geplaatst.

Uit vroeger onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) blijkt dat er meestal voorafgaand aan een uithuisplaatsing langere tijd (meer dan een jaar) contact is geweest met de ambulante hulpverlening (Haagen, Van Hecke & Van Ooyen-Houben, 1983; “Het hulpverleningsbeeld”, 1989; Van Ooyen-Houben, De Kort & Stolp-Keuzenkamp, 1987; Van der Ploeg & Scholte, 1988, in Van Ooyen-Houben, 1991). Dit gegeven suggereert dat er niet snel tot een uithuisplaatsing wordt overgegaan, maar dat er eerst geprobeerd wordt of ambulante hulpverlening voldoende is (Van Ooyen-Houben, 1991).

In tegenstelling tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is er veel minder onderzoek gedaan naar ontheffing en ontzetting. Cijfers daarover zijn dan ook schaars. Bij het CBS zijn tot en met 1995 cijfers bekend over het aantal ontheffingen en ontzettingen die er per jaar plaats vinden. In dat jaar werden 308 ouders ontheven en 11 ouders ontzet uit de ouderlijke macht.

2.4. Uithuisplaatsing

 

2.4.1 Wat is een uithuisplaatsing?

 

Van Ooyen-Houben (1991) spreekt van uithuisplaatsing wanneer “ het kind zowel overdag als ‘s nachts zonder zijn ouder(s) is opgenomen in een tehuis- of in een pleeggezinsituatie, waarbij de opvoedings- en verzorgingstaak van de ouders voor het grootste deel door anderen (groepsleiders of pleegouders) wordt uitgevoerd” (p.15).

Aanleiding van een uithuisplaatsing kan onder andere een problematische situatie thuis zijn, een indicatie voor specifieke behandeling of de noodzaak van een observatie van het kind of de jongere. De plaatsing van het kind of de jongere kan bijvoorbeeld in het gezin van de ouder die geen gezag heeft, in een pleeggezin, een tehuis voor jeugdhulpverlening (leefgroep), gezinshuis, een gesloten inrichting, een kliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie of in een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (Van der Linden e.a. (2001).

Een uithuisplaatsing wordt door de betrokkenen meestal als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis ervaren (Van Ooyen-Houben, 1991). Bij de uithuisplaatsing kan het kind of de jongere gevoelens van rusteloosheid, onzekerheid en schaamte ervaren. Dit laatste gevoel kan ook bij ouders en hulpverleners naar voren komen, evenals gevoelens van droefheid, verbittering, ongerustheid en schuld (Fanshel & Shinn, 1978; Van Harten-Oudijk, 1988; Junger-Tas, 1983a; Klüppel & Slijkerman, 1983; Van Ooyen-Houben e.a., 1987; Rice & McFadden, 1988; Spaans, Berben & Reeuwijk, 1989, in Van Ooyen-Houben, 1991). De uithuisplaatsing wordt dus vaak als iets negatiefs gezien, terwijl, zoals eerder beschreven is, de intentie is om een verbetering voor het kind of de jongere te bewerkstelligen. De beslissing tot uithuisplaatsing wordt immers genomen, nadat er negatieve signalen zijn over de ontwikkeling van een kind of jongere (Van Ooyen-Houben, 1991).

 

2.4.2. Opname en beslissingsprocedure

 

In 1983 heeft Knorth een onderzoek gedaan naar de ervaringen van jongeren met residentiële opnameprocedures in de jeugdbescherming. Hoewel dit onderzoek gedateerd is, wordt het hieronder toch kort beschreven, omdat Knorth gezien kan worden als een deskundige op het gebied van uithuisplaatsing en in recente literatuur nog vaak aangehaald wordt. Het onderzoek naar de ervaringen met de opnameprocedures vormde een deelonderzoek binnen het langlopende onderzoek ‘Opnames in Jeugdbescherming’. In dit deelonderzoek is gekeken naar de beleving van jongeren van de opnameprocedure, zoals gehanteerd in het tehuis waar zij werden opgenomen. Knorth (1983, p.2) schreef het volgende over het uit huis plaatsen van jongeren: “Het opnemen van jeugdigen in een tehuis, om welke redenen dan ook, is een zeer ingrijpende gebeurtenis voor alle betrokkenen. De nood moet dan ook wel zeer hoog gestegen zijn, wil plaatsing in een internaat overwogen worden. Het is een gebeurtenis, die erg veel spanning met zich meebrengt (Van der Ploeg, 1980) en waarvan de uiteindelijke resultaten op z’n minst twijfelachtig moeten worden genoemd (zie b.v. Van Acker, 1981). Bekend is het risico, zeker in de jeugdbescherming, dat tehuisbewoners tot zondebok in het gezin van herkomst worden, dat ze gestigmatiseerd worden in de maatschappij, of dat ze afhankelijk worden van het tehuis (hospitalisatie) dan wel worden doorgeplaatst bij ‘te moeilijk gedrag”.

Bovenstaande geeft het belang aan van onderzoek over uithuisplaatsing. Vanwege gebrek aan empirische bevindingen over de opnameprocedure heeft Knorth (1983) hier dus een onderzoek naar verricht. Andere deelonderwerpen van dit langlopende onderzoek waren de beslissingsprocedure bij uithuisplaatsing, de fasering van de opnameprocedure, de in de praktijk voorkomende opnamemodellen, het gebruik van schriftelijk voorlichtingsmateriaal en de rol van ouders in het opnameproces.

Voorafgaand aan de opname van een kind of jongere moet de beslissing worden genomen om een kind of jongere uit huis te plaatsen. De keuze om een kind of jongere uit huis te plaatsen of thuis te houden blijft altijd een moeilijk dilemma. De beslissing die genomen wordt grijpt namelijk in op de meest fundamentele en gevoelige gebieden van het menselijk leven; aan de ene kant hebben ouders het recht om hun kind op te voeden, maar aan de andere kant hebben kinderen en/of jongeren het recht om op te groeien in een gezin dat bijdraagt aan een gezonde ontwikkeling (Davidson-Arad, Englechin-Segal & Wozner, 2003).

Het ingrijpen van een gezinsvoogd heeft een geweldige impact op de privacy van een gezin. Van gezinsvoogden wordt verwacht dat zij de juiste beslissing nemen in overeenstemming met de wet. Daarnaast moeten beslissingen vaak gemaakt worden onder omstandigheden die niet ideaal zijn; de beslissingen moeten onder druk genomen worden en er is vaak sprake van onvoldoende en ambivalente informatie. Dit laatste komt met name, omdat bijvoorbeeld verwaarlozing en mishandeling vaak achter gesloten deuren plaatsvinden (Munro, 1996; Rossi, Schuerman & Budde, 1991, in Davidson-Arad e.a., 2003). Verder maken gezinsvoogden over het algemeen hun beslissing over de uithuisplaatsing zonder dat ze van tevoren weten waar het kind of de jongere geplaatst zal worden. (Meddin, 1984, in Davidson-Arad e.a., 2003). Gezinsvoogden kunnen van tevoren dus nooit met zekerheid overzien of de beslissing die ze hebben genomen de juiste is. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat kinderen en/of jongeren die thuis verwaarloosd of misbruikt werden, ook verwaarloosd of misbruikt worden in een pleeggezin of instelling. Of kinderen en/of jongeren in deze situatie nu thuis blijven wonen of uit huis geplaatst worden, de situatie is nooit ideaal (Davidson-Arad e.a., 2003).

 

2.4.3 Het welzijn van kinderen

 

Het grote belang van de beslissing over uithuisplaatsing, de moeilijkheden bij het maken van de keuze, de zwaarwegende reacties en de grote schade die aangebracht kan worden bij het nemen van een verkeerde beslissing, maken het essentieel dat het welzijn van de kinderen gevolgd moeten worden nadat een beslissing is genomen.

Sastre en Ferriere (2000) hebben een onderzoek gedaan om te bepalen in welke mate het welzijn van een adolescent is aangetast, wanneer veranderingen in de gezinsstructuur het punt bereiken dat het kind in een instelling wordt geplaatst. Verder is onderzocht wat de invloed is van de plaatsing in een instelling op de verschillende aspecten van het welzijn. Uit het onderzoek is gebleken dat het welzijn van de adolescent sterk wordt aangetast wanneer de gezinsstructuur het punt bereikt dat de adolescent in een instelling moet worden geplaatst.

 

2.4.3.1 Het welzijn van kinderen met betrekking tot uithuisplaatsing

 

Ook Davidson-Arad e.a. (2003) hebben een onderzoek gedaan naar het welzijn van drie groepen kinderen (zogenaamde risico kinderen) bij wie uithuisplaatsing in overweging was genomen door een gezinsvoogd. De eerste groep kinderen is daadwerkelijk uit huis geplaatst, de tweede groep hoefde niet uit huis geplaatst te worden, maar kon thuis blijven wonen volgens de gezinsvoogd en de derde groep kinderen bleef thuis wonen ondanks dat de gezinsvoogd had beslist dat ze het beste uit huis geplaatst konden worden. Zes maanden nadat de beslissing was gemaakt werd bij deze kinderen onderzocht wat de invloed was van de uithuisplaatsing versus het thuis blijven wonen. De invloed werd onderzocht aan de hand van het model QOL: quality of life. Dit concept is gebaseerd op het Systemic Quality of Life Model wat ontwikkeld is door Shye (1979, 1985, 1989, in Davidson-Arad e.a., 2003). Het model bestaat uit vier velden; psychologisch, fysiek, sociaal en cultureel. Verder zijn er per veld vier schalen die aangeven hoe een individu functioneert in een bepaald veld. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de uithuisplaatsing de kwaliteit van kinderen op korte termijn significant verbeterde. Op alle velden van het model van de kwaliteit van leven werd een verbetering gevonden, vooral op het fysieke en psychologische veld, terwijl er bij kinderen die thuis bleven wonen nauwelijks verandering werd gevonden. Bij kinderen die thuis bleven wonen ondanks dat de keuze was dat ze uit huis geplaatst moesten worden was er zelfs sprake van een significante achteruitgang op de psychologische en fysieke velden. Bij deze groep kinderen werd de laagste kwaliteit van leven gevonden, in vergelijking tot de andere twee groepen.

Uit bovenstaand onderzoek is dus gebleken dat risicokinderen het best uit huis geplaatst kunnen worden. Bij de kinderen die uit huis geplaatst waren is er namelijk een verbetering opgetreden, terwijl dit bij de andere twee groepen kinderen niet het geval was (Davidson-Arad e.a., 2003). Uit het onderzoek wat hierna besproken zal worden, blijkt ook dat een uithuisplaatsing het ontwikkelingsverloop van de jongeren, volgens de ouders en de jongeren zelf, positief beïnvloedt.

Het Instituut voor Orthopedagogiek in Leiden heeft in de jaren van 1989 tot 1992 een onderzoek gedaan naar de residentiele hulpverlening; “Residentiele hulpverlening geëvalueerd”. Het onderzoek had drie doelstellingen, namelijk het vastleggen van het ontwikkelingsverloop voor, tijdens en na het verblijf in een residentiele setting, het uitvoerig beschrijven van de behandeling die jeugdigen krijgen en het slotte het verband bekijken tussen de twee hiervoor genoemde doelen. Het onderzoek is uitgevoerd bij jongeren in de leeftijd van negen tot en met vijftien jaar (Jansen & Oud, 1993). Hieronder zal worden besproken wat het resultaat is van het onderzoek over het ontwikkelingsverloop van jongeren in een residentiele setting. De andere twee onderwerpen van het onderzoek zullen niet besproken worden, omdat die hier niet relevant zijn.

Bij het ontwikkelingsverloop is gekeken naar welke veranderingen er bij de jongeren optreden tijdens het verblijf in een tehuis. Om de ontwikkeling van jongeren te beschrijven is er gekeken naar verschillende variabelen, namelijk de problemen die de jongeren hebben, de persoonlijkheidsontwikkeling en de beleving van relaties met de gezinsleden en de verandering van de beleving tijdens het verblijf. Bij de problemen die jongeren kunnen hebben is een onderscheid gemaakt tussen “geïnternaliseerde problematiek” (hierbij valt te denken aan neurotische gedragskenmerken, depressieve klachten, psychosomatische klachten en sociale teruggetrokkenheid, p.37) en “geëxternaliseerde problematiek” (ook wel “acting out-gedrag” genoemd, waar onder andere hyperactiviteit, agressief gedrag en delinquent gedrag onder valt, p.37). De persoonlijkheidsontwikkeling is onderzocht aan de hand van het algemeen psychisch welbevinden van de jongere, doorzettingsvermogen, houding in sociale contacten, recalcitrantie en zelfvertrouwen/ dominantie (Jansen & Oud, 1993).

Bij het vergelijken van de voor- en nameting is er volgens de ouders sprake van een afname van zowel internaliserende als externaliserende problemen. Volgens de ouders is er bij 68% van de jongeren een afname van de problemen, bij 17% procent van de jongeren blijft het aantal problemen gelijk en bij 16% is er sprake van een toename. Dit lijkt heel gunstig, maar er moet wel bij vermeld worden dat het aantal problemen dat deze jongeren hebben hoog blijft, vergeleken bij andere jongeren. Bovendien vindt de groepsleiding, in tegenstelling tot wat de ouders vinden, niet dat er sprake is van een afname van het gemiddelde aantal problemen. Volgens hen is bij 37% van de jongeren aan afname te zien van het aantal problemen, maar daartegenover is er ook bij 37% van de jongeren sprake van een toename. Hierbij moet vermeld worden dat de groepsleiding bij aanvang van de hulpverlening minder problemen waarneemt dan de ouders. De jongeren zelf geven aan minder gespannen en angstig te zijn en minder last te hebben van insufficiëntiegevoelens, te beschikken over een betere taakopvatting en meer doorzettingsvermogen en verder zelfverzekerder, minder beïnvloedbaar en dominanter te zijn na het verblijf in het tehuis. De manier waarop jongeren hun gezinsrelaties beleven is niet erg veranderd tijdens het verblijf in het tehuis. Het enige wat eigenlijk veranderd is, is dat de affectieve band tussen de jongere en de natuurlijke ouders iets minder sterk is geworden. Maar dit verschijnsel is ook vaak waar te nemen bij ontwikkelende adolescenten die niet uit huis geplaatst zijn (Jansen & Oud, 1993).

 

2.4.3.2 Het welzijn van kinderen met betrekking tot de plek

 

Uit bovengenoemde onderzoeken blijkt dat een uithuisplaatsing een positieve uitwerking kan hebben. Maar behalve de uithuisplaatsing zelf, is de plek waar het kind of de jongere moet verblijven ook van grote invloed. Het is voor kinderen en/of jongeren van groot belang dat ze op de juiste plek terechtkomen en daar blijven. Davidson-Arad e.a. (2003) hebben onderzocht welke invloed de plek heeft, waar het uit huis geplaatste kind terechtkomt, op de kwaliteit van leven. Uit het onderzoek kwam naar voren dat kinderen in pleeggezinnen een hogere kwaliteit van leven hadden op drie gebieden (psychologisch, sociaal en cultureel) in vergelijking tot kinderen die in een instelling geplaatst werden. Hieruit blijkt dus dat het welzijn van kinderen in pleeggezinnen beter is dan kinderen in instellingen.

Junger-Tas (1983b, in Van Ooyen-Houben, 1991) komt deels tot een zelfde conclusie. Zij geeft een overzicht van empirisch onderzoek naar uit huis geplaatste kinderen, waaruit inderdaad geconcludeerd kan worden dat een pleeggezin voor jonge kinderen op sociaal-emotioneel niveau betere kansen biedt in verband met de grotere stabiliteit en betere hechtingsmogelijkheden. Op cognitief niveau zou een tehuis echter stimulerend werken. Een kanttekening is hier echter op zijn plaats; de resultaten zijn gebaseerd op ouder onderzoek, waardoor het niet zomaar te generaliseren is naar de huidige situatie in Nederland.

Ook Usher, Randolph en Gogan (1999) hebben onderzoek gedaan naar de plek waar kinderen na uithuisplaatsing terechtkomen. Uit hun onderzoek blijkt dat kinderen die hun eerste plaatsing hebben bij familie meer stabiele ervaringen hebben dan kinderen die hun eerste plaatsing hebben in een pleeggezin.

Rutter en Quinton (1981, in Van Ooyen-Houben, 1991) deden onderzoek waarin drie groepen kinderen van 5-8 jaar vergeleken werden, namelijk een groep die vanaf het eerste levensjaar in een tehuis verbleef, een groep die vanaf het eerste levensjaar in een pleeggezin verbleef en een controlegroep die opgroeide bij hun ouders. Uit de resultaten blijkt dat de tehuiskinderen de meeste afwijkingen vertoonden wat betreft rusteloosheid, concentratieproblemen, aandachtvragend gedrag en storend gedrag. De kinderen die bij hun ouders opgroeiden vertoonden de minste afwijkingen en pleegkinderen zaten er tussenin.

Concluderend kan dus gezegd worden dat kinderen en/of jongeren over het algemeen het beste bij familie geplaatst kunnen worden, indien dit niet mogelijk is kunnen ze beter geplaatst worden in een pleeggezin dan in een instelling.

Larsson e.a. (1986, in Van Ooyen-Houben, 1991) geven echter een nuancering aan op de hierboven beschreven conclusie. Zij concluderen na dossieronderzoek dat de stabiliteit van de zorg en de vaardigheden van de opvoeders bepalend is voor de ontwikkeling van kinderen en dus niet het verblijf in een tehuis op zich.

Daarnaast kan gesteld worden dat ook kindkenmerken een rol spelen bij de keuze voor een bepaald verblijf. Van Ooyen-Houben (1991) heeft een aantal kindkenmerken onderzocht en heeft gekeken welke verschillen en overeenkomsten er zijn in het begin van de plaatsing tussen kinderen in pleeggezin- en tehuissituaties. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen in een pleeggezin gemiddeld jonger zijn dan kinderen die in een tehuis wonen. Daarnaast zijn er relatief meer jongens in medische kindertehuizen, observatie- en behandelingshuizen en zijn er relatief meer meisjes in tehuizen voor normaal begaafde jeugd. In de pleegzorg is het aantal jongens en meisjes meer gelijk verdeeld. Deze resultaten komen overeen met die van Deboutte (1989, in Van Ooyen-Houben, 1991). Verder blijkt dat met de toename van de zwaarte van de voorziening de problemen van het kind vaker reden zijn van de uithuisplaatsing en de problemen in de thuissituatie minder vaak een rol spelen. Kinderen in pleeggezinnen zouden meer sociaal wenselijk gedrag vertonen dan kinderen in een tehuis en zouden volgens opvoeders intelligenter reageren. Er is dus qua probleemgedrag een oplopende lijn van pleeggezin naar tehuizen voor normaal begaafde jeugd, medische kindertehuizen en observatie- en behandelingshuizen (Van Ooyen-Houben, 1991).

 

2.4.3.3 Het welzijn van kinderen met betrekking tot het aantal plaatsingen

 

Het welzijn van de kinderen en/of jongeren hangt echter niet alleen af van de plek waar het kind terechtkomt, maar ook van het aantal plaatsingen dat een kind of jongere meemaakt. In de praktijk komt het vaak voor dat de plaatsing van kinderen of jongeren in een pleeggezin niet eenmalig is, maar dat kinderen of jongeren na deze eerste plaatsing nog een aantal keer naar een andere plek worden overgeplaatst. Verschillende onderzoeken hebben dit uitgewezen. In gemiddeld tweeënhalf jaar tijd heeft 22% van de kinderen al meer dan drie of meer plaatsingen meegemaakt (Pardeck, 1984, in Palmer, 1996); na twee jaar heeft 56% van de kinderen al drie of meer plaatsingen meegemaakt (Millham, Bullock, Hosie & Haak, 1986, in Palmer, 1996).

Als kinderen of jongeren eenmaal geplaatst zijn, is het dus belangrijk dat ze zoveel mogelijk op één en dezelfde plek blijven. Bij het ene kind lukt dit beter dan bij het andere kind. Er zijn overeenkomsten gevonden tussen de karakteristieken van een kind of jongere en een breuk bij een plaatsing, met name bij kinderen of jongeren met gedrags- en emotionele problemen. Kinderen of jongeren die ook verhoogd risico hebben om meer verhuizingen mee te maken, zijn kinderen of jongeren die niet of moeilijk in staat zijn tot hechting (Walsh & Walsh, 1990, in Palmer, 1996), kinderen of jongeren die geen ouderlijke controle gewend zijn (Palmer, 1983, in Palmer, 1996), oudere kinderen (Pardeck, 1984, in Palmer, 1996) en tenslotte kinderen of jongeren die al een geschiedenis achter de rug hebben van een aantal plaatsingen (Walsh & Matule, 1984, in Palmer, 1996). Ook Pardeck (1982, in Van Ooyen-Houben, 1991) noemt een aantal factoren die zouden samenhangen met het aantal overplaatsingen, namelijk de etniciteit van een kind of jongere, de duur van de uithuisplaatsing en het aantal wisselingen van maatschappelijk werker.

Volgens Usher e.a. (1999) is het aantal plaatsingen een belangrijke indicator voor de kwaliteit van de residentiële zorg. Zij geven hiervoor vier redenen, waarvan er drie belangrijk zijn om hier te noemen. De eerste reden is dat met het ervaren van meer plaatsingen de mogelijkheid tot terugplaatsing naar huis daalt. Een andere reden is dat meer plaatsingen leiden tot onstabiele relaties. Dit heeft een negatieve invloed op de hechting van kinderen of jongeren aan belangrijke anderen. Deze instabiliteit kan leiden tot langdurige persoonlijkheidsproblemen. Dat de plaatsing van kinderen of jongeren in strengere en duurdere settings vaak samengaat met een ontwrichtende plaatsingsgeschiedenis wordt als derde reden aangegeven.

Kinderen of jongeren die uit huis geplaatst zijn kunnen, zoals hiervoor beschreven is, verschillende “pathways” ervaren. Pathways (het verloop) wordt door Barth (1994, in Usher e.a., 1999) gedefineerd als “flow of children in and out of the child abuse en child welfare system” (p.9). Wanneer gekeken wordt naar dat verloop kan een onderscheid gemaakt worden tussen kinderen of jongeren waarvan de plaatsingservaring geleidelijk minder beperkend wordt (bijvoorbeeld de overgang van een leefgroep naar een pleeggezin en vervolgens naar het huis van een familielid) en kinderen of jongeren  waarvan de plaatsing meer beperkend wordt (bijvoorbeeld een verandering van een pleeggezin naar een leefgroep) (Usher e.a., 1999).

De kinderen of jongeren die wisselingen in plaatsingen hebben ervaren worden door Fanshel (1976, in Usher e.a, 1999) “turnovers” (p.24) genoemd. Bij deze groep kinderen of jongeren kan een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds kinderen of jongeren die aanvankelijk de zorg al hadden verlaten, maar weer terugkomen in de hulpverlening en anderzijds kinderen of jongeren die veranderen van plaatsing naar een andere plaatsing gedurende hun eerste periode van zorg, ook wel aangeduid met de term “spell” (p.24). In deze context kan spell omschreven worden als een continue periode van gezinsvoogdij wat een enkele plaatsing omvat, of een serie plaatsingen van verschillende types (bijvoorbeeld een leefgroep en een pleeggezin) óf plaatsingen van hetzelfde type in verschillende settings (bijvoorbeeld twee pleeggezinnen). Met continu wordt bedoeld dat er niet meer dan één dag zit tussen het einde van de ene plaatsing en het begin van de volgende plaatsing. Bij de eerste groep kinderen of jongeren is het gat tussen hulpverlening groter dan één dag (Usher e.a., 1999).

Het overplaatsen van een kind of jongere is niet zonder gevolgen. Telkens als de plaatsing in een pleeggezin wordt afgebroken zal het kind of de jongere zich meer afgewezen voelen en zal het zich meer teruggetrokken of juist rebellerend gedragen. Dit heeft dan weer een negatieve invloed op de volgende plaatsing (Fahlberg, 1985, in Palmer, 1996). Gegeven dit feit is het belangrijk dat gezinsvoogden methoden bij de interventie betrekken die het risico minimaliseren om een plaatsing van een kind of jongere in een pleeggezin af te breken (Palmer, 1996).

 

2.4.4 Inclusieve pleegzorg

 

Ideaal voor kinderen of jongeren zou inclusieve pleegzorg zijn, wat betekent dat ouders betrokken worden bij het plaatsingsproces. Dat wil zeggen dat de ouders het kind of de jongere voorbereiden en begeleiden bij het vertrek naar hun nieuwe thuis. Palmer (1996) heeft een onderzoek gedaan naar de mate waarin ouders betrokken worden bij de uithuisplaatsing van hun kinderen en welke manieren van betrokkenheid bijdragen aan stabiliteit van de plaatsing. Uit het onderzoek kwam allereerst naar voren dat bijna de helft van de kinderen niet in het eerste pleeggezin blijft waar ze worden geplaatst. Verder bleek dat slechts een minderheid van de ouders was betrokken bij het voorbereiden van de kinderen op de scheiding met hun ouders. Kinderen die enige voorbereiding van hun ouders kregen over de ‘verhuizing’ hadden de zekerheid dat hun ouders wisten waar ze waren, hun ouders genoeg om ze gaven om de verhuizing uit te leggen of dat ouders met de kinderen meegingen naar hun onbekende nieuwe huis. Hierdoor hadden kinderen minder het gevoel ontvoerd te worden. Dit leverde dan ook een bijdrage aan de acceptatie van kinderen over de plaatsing, wat het rebellerende gedrag van kinderen, wat leidt tot het afbreken van een plaatsing, minimaliseerde.  

Ook Thomlison (1991, in Jivanjee, 1999) heeft aangegeven dat betrokkenheid van ouders bij de hulpverlening aan hun kind kan bijdragen aan het waarborgen van gezinscontinuïteit en stabiliteit. Hoewel er in het algemeen steeds meer nadruk is gaan liggen op de betrokkenheid van het gezin bij de behandeling van een kind, heeft dit, volgens Jivanjee (1999), weinig aandacht gehad in relatie tot uithuisplaatsingen. Dit is de reden waarom Jivanjee (1999) een kwalitatief onderzoek heeft verricht naar gezinsbetrokkenheid vanuit het perspectief van ouders waarvan hun kind in een therapeutisch pleeggezin is geplaatst. 

Het betrekken van ouders bij de hulpverlening aan hun kind kan dus enerzijds bijdragen aan de acceptatie van kinderen of jongeren met betrekking tot de plaatsing en kan anderzijds ook bijdragen aan het waarborgen van gezinscontinuïteit en stabiliteit.  Daarnaast blijkt uit een enquête die de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) in 2002 onder haar leden heeft gehouden, dat een goede samenwerking en afstemming tussen alle betrokkenen rondom een plaatsing ook de doelmatigheid van een ondertoezichtstelling positief zou beïnvloeden (Van Hout & Spinder, 2002).

 

2.5. Risicofactoren

 

De ontwikkeling van uit huis geplaatste kinderen of jongeren wordt door verschillende factoren beïnvloed. Er zijn zowel factoren die de ontwikkeling van een kind of jongere positief kunnen beïnvloeden als factoren die de ontwikkeling negatief kunnen beïnvloeden. Risicofactoren zijn factoren die de ontwikkeling van een kind of jongere negatief kunnen beïnvloeden. Hieronder zullen een aantal risicofactoren beschreven worden, waarbij met name twee onderzoeken aangehaald zullen worden.

Het ene onderzoek is van Van Ooyen-Houben (1991, p.43). Zij heeft onderzoek gedaan naar factoren die van invloed zijn op de richting en de sterkte van de ontwikkeling van een kind of jongere na een uithuisplaatsing. Hoewel het onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) gedateerd is, worden de factoren uit dat onderzoek hier toch beschreven, omdat blijkt dat een aantal factoren overeenkomt met factoren die ook door andere onderzoekers genoemd worden.

Het andere onderzoek is van Brady en Caraway (2002). In dat onderzoek wordt uitleg gegeven over factoren die het huidige functioneren van uit huis geplaatste kinderen of jongeren beïnvloeden. Brady en Caraway (2002) hebben zich gericht op uit huis geplaatste kinderen van 7 tot 12 jaar en hebben de volgende factoren onderzocht: geslacht, het aantal en het type trauma’s dat een kind heeft meegemaakt, het aantal plaatsingen in een pleeggezin of en/of residentiële instelling, het aantal verschillende verzorgers, de lengte van het huidige verblijf in de residentiële behandelsetting, de mate waarin het kind zeker is over zijn toekomst en tevreden is met de behandeling. Op de factor “de lengte van het huidige verblijf in de residentiële behandelsetting” na blijken alle factoren van invloed te zijn op het huidige functioneren van het kind.

 

2.5.1 Problemen in het gezinsverleden

 

Voorjans (1996) heeft een onderzoek verricht naar de psychosociale- en gezinsproblematiek van residentiële jongeren. Bij dit onderzoek is er gekeken of de gezinsproblematiek uit het verleden van residentieel geplaatste jongens en meisjes samenhangt met de huidige psychosociale problematiek. Residentiele jongeren hebben vaak last van gedragsproblemen en, hoewel in mindere mate, ook van emotionele problemen. Uit het onderzoek blijkt dat er een relatie is tussen de aanwezigheid van ontwikkelingsbedreigende gezinsproblemen uit het verleden van de uit huis geplaatste jongeren en het vaker voorkomen van psychosociale problemen in de adolescentiefase. De ontwikkelingsbedreigende problemen die in veel van de natuurlijke gezinnen van de jongeren voorkwamen waren: een problematische opvoedingsstijl, ernstige gezinsconflicten, gebrekkige gezinscommunicatie, een onveilig opvoedingsklimaat en de afwezigheid van toezicht op het doen en laten van het kind (p. 49). De problematische opvoedingsstijl wordt gekenmerkt door ouders die of weinig affectie tonen en veel controle uitoefenen of ouders die zowel weinig affectie tonen als weinig controle uitoefenen. Deze opvoedingsstijlen worden respectievelijk ‘autoritair’ en ‘verwaarlozend’ genoemd (Maccoby & Martin, 1983, in Rispens, Goudena & Groenendaal, 2001, p.183). Kortom, er is dus sprake van een relatie tussen de psychosociale problemen van jongeren en hun problematische gezinssituatie in het verleden. Anders gezegd: de relatie die jongeren hebben met het gezin waar ze uit komen is dus van invloed op de lange termijn uitkomsten bij plaatsingen van jongeren. Ook Fanshel e.a. (1989, in Van Ooyen-Houben, 1991) beschrijven dat “de situatie thuis” een belangrijke factor is. Zij geven aan dat met name het aantal problemen in de thuissituatie die direct hun weerslag kunnen hebben op het kind of de jongere en het aantal ingrijpende gebeurtenissen of omstandigheden van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van het kind of de jongere. De factor “reden van uithuisplaatsing” wordt door een aantal auteurs genoemd (Fanshel & Shinn. 1978; Lawder e.a., 1986; Triseliotis, 1980 in Van Ooyen-Houben, 1991). De aanleiding tot uithuisplaatsing is bij het ene kind of de ene jongere veel heftiger dan bij het andere kind of de andere jongere.

2.5.2 Onveilige hechting

 

Bij het merendeel van de jongeren, die relatief veel psychosociale problemen hebben, is sprake van een zwakke emotionele band met de ouders. Als er een goede hechtingsrelatie is tussen ouders en kind, zijn kinderen of jongeren beter in staat intieme relaties te ontwikkelen met anderen (Bowlby, 1973, in Palmer, 1996). De hechting tussen ouders en kind is ook van grote invloed op de psychologische zekerheid van het kind of de jongere. Als een kind of jongere bij zijn ouders weggehaald wordt zal het separatie angst hebben. Bij plaatsing in bijvoorbeeld een pleeggezin zal deze angst echter afnemen als de ouder aanwezig is tijdens de plaatsing (Palmer, 1996).

Het belang van gezinsrelaties op het succes van plaatsingen is ook te zien bij kinderen of jongeren die niet veilig gehecht zijn aan hun ouders. Kinderen of jongeren die door hun ouders misbruikt, verwaarloosd of genegeerd zijn, zijn vaak angstig gehecht (Egelang & Sroufe, 1981, in Palmer, 1996). Dit heeft een negatieve invloed op de hechting met bijvoorbeeld pleegouders. Deze kinderen of jongeren zullen het moeilijk vinden om een relatie aan te gaan met hun nieuwe verzorgers en daardoor wordt de kans op meerdere plaatsingen vergroot (Palmer, 1996).

Zoals hierboven vermeld staat, is er dus vaak, zowel vóór de uithuisplaatsing als daarna, sprake van een problematische en instabiele opvoedingssituatie. In zulke situaties, waarbij de uithuisplaatsing zelf ook een separatie ervaring is, ontbreken vaak de voorwaarden als stabiliteit, continuïteit en sensitiviteit, waardoor een veilige hechting niet of nauwelijks tot stand kan komen. Van Ooyen-Houben (1991) geeft aan dat speciale aandacht voor de hechting van uit huis geplaatste kinderen of jongeren noodzakelijk is, omdat een veilige hechting essentieel zou zijn voor een gezonde ontwikkeling. Zoals ook al eerder is beschreven, zou de aan- of afwezigheid van een veilige hechting dus gevolgen hebben voor zowel de sociaal-emotionele als de cognitieve aspecten van het functioneren van kinderen of jongeren op korte en lange termijn. Hechtingsmogelijkheden zijn dus een belangrijke factor voor het ontwikkelingsverloop van kinderen of jongeren na een uithuisplaatsing. Een pleeggezin wordt, in tegenstelling tot een tehuis, gezien als een opvoedingssituatie met hechtingsmogelijkheden. Dit zou kunnen verklaren dat kinderen of jongeren zich in een pleeggezin beter ontwikkelen dan in een tehuis (Van Ooyen-Houben, 1991). Hierbij kan nog een kanttekening geplaatst worden. De ontwikkeling van een kind of jongere wordt naast de plek dus ook bepaald door het wel of niet in staat zijn om zich te kunnen hechten in een gezin.

Aansluitend op het bovenstaande over hechting kan ook de factor “verblijfplaats van het kind of de jongere” genoemd worden. Hierbij zijn namelijk met name de mogelijkheden die de verblijfplaats biedt tot het aangaan van hechtingen van belang. Zoals al eerder genoemd is zouden de voorwaarden voor het aangaan van hechtingen in een pleeggezin beter zijn dan in een tehuis; hierdoor zouden kinderen of jongeren in een pleeggezin zich ook beter ontwikkelen dan kinderen of jongeren in een tehuis. Verder zouden ook andere kenmerken van de verblijfplaats een rol spelen, bijvoorbeeld de sfeer of het klimaat in de leefgroep of in het pleeggezin, de leeftijd en ervaring van de opvoeders en de grootte en de leeftijdsopbouw van de leefgroep of het pleeggezin (Fanshel & Shinn, 1978; Hodges & Tizard, 1989a, 1989b; Junger-Tas, 1981, 1983b; Larsson e.a., 1986; Tizard e.a., 1971, 1974, 1975, 1978, in Van Ooyen-Houben, 1991).

Een andere factor die in het verlengde van de risicofactor met betrekking tot de hechtingsmogelijkheden genoemd kan worden is de factor “wisselingen van verblijfplaats, verzorger en van begeleider”. De wisselingen zouden een negatief effect hebben op de kinderen of jongeren (Fanshel e.a., 1989; Junger-Tas, 1983b; Pardeck, 1982; Tizard e.a., 1971, 1974, 1975, 1978, in Van Ooyen-Houben, 1991).

 

2.5.3 Gezinsinstabiliteit

 

De gezinsomgeving speelt dus een centrale rol bij de emotionele ontwikkeling (waaronder de hechting), maar ook bij de cognitieve en gedragsontwikkeling van jonge kinderen (Bradley, Caldwell, & Rock, 1988; Bradley e.a., 1989, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Het gezin blijft ook in de adolescentie een belangrijke invloed uitoefenen (Maccoby, 1992, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). De effecten van verschillende aspecten van de gezinsomgeving zijn onderwerp van onderzoek geweest. Er is, hoewel in mindere mate, bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar gezinsinstabiliteit. Het blijkt dat instabiliteit in de gezinsomgeving tot acute stress leidt bij kinderen of jongeren. Daarnaast beïnvloedt gezinsinstabiliteit ook het gevoel van veiligheid van het kind of de jongere en de mogelijkheden van het kind of de jongere om met veranderingen in zijn latere leven om te gaan (Simmons, Burgeson, Carlton-Ford, & Blyth, 1987, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). De mate van gezinsinstabiliteit zou dus van invloed kunnen zijn op hoe een kind of jongere omgaat met een uithuisplaatsing.

Adam en Chase-Landsdale (2002) gebruiken in hun onderzoek twee indicatoren voor gezinsinstabiliteit. De eerste indicator is “parental separations” (p.792). Bij separaties van ouders gaat het om het aantal separaties of verliezen van belangrijke volwassen verzorgers in het leven van het kind of de jongere. “Residential mobility” (p.792) is de tweede indicator en heeft betrekking op het aantal verhuizingen. Het blijkt dat een verleden met frequente separaties van belangrijke ouderfiguren erg schadelijk kan zijn voor het welzijn van het kind of de jongere. Naast veranderingen van ouderfiguren brengen ook veranderingen van woonplek ontwrichting van de dagelijkse relaties en routines met zich mee. Separaties van ouders en verhuizingen zijn dus gerelateerd aan negatieve kinduitkomsten (Adam & Chase-Landsdale, 2002).

Interesse in het effect van separaties van ouders komt voort uit de literatuur met betrekking tot echtscheiding. Bij onderzoek naar het effect van echtscheiding is gebleken dat het belangrijk is in welke ontwikkelingsperiode van het kind of de jongere de scheiding heeft plaatsgevonden. Echtscheiding in de vroege kinderjaren zou het meest schadelijk zijn, omdat een kind in die periode een hoge mate van contact heeft met en ook afhankelijk is van zijn verzorgers (Kobak,1999, in Adam & Chase-Landsdale, 2002).

De negatieve kinduitkomsten, die gerelateerd zijn aan een groot aantal verhuizingen, hebben dus betrekking op problemen in het sociaal, emotioneel en schools functioneren (Brown & Orthner, 1990; Haveman & Wolfe, 1995; Humke & Schaefer, 1995, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Mogelijke mediatoren die hierbij een rol spelen zijn het verliezen van een bekende omgeving, activiteiten, routines, sociale steun netwerken, vermindering van het welzijn van ouders en de kwaliteit van de ouder-kind relatie (Cohen, Johnson, Struening, & Brook, 1989; Hagan, MacMillann, & Wheaton, 1996; Hendershott, 1989; Pittman & Bowen, 1994, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Daarnaast kunnen bepaalde gezinskenmerken, zoals de gezinsstructuur en het niveau van ouderlijke steun, als ook de leeftijd en/of sekse van het kind of de jongere de effecten van verhuizingen matigen (Simmons e.a., 1987; Swanson & Schneider, 1999; Tucker, Marx, & Long, 1998, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Verder kunnen er verschillende redenen zijn waarom iemand gaat verhuizen. Aangenomen wordt dat het verhuizen op zich al een bron van spanning is, los van de spanning behorende bij de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot het verhuizen (Adam & Chase-Landsdale, 2002).

Veel onderzoek naar separaties van ouders, verhuizingen en kinduitkomsten kregen als kritiek te verduren dat gezins- en ouderkenmerken bijdragen aan zowel de gezinsinstabiliteit als de negatieve kinduitkomsten. Met deze kenmerken worden onder andere het gezinsinkomen, leeftijd en opleidingsniveau van de ouders bedoeld. In recent onderzoek naar verhuizingen heeft men voor een aantal van deze kenmerken gecontroleerd. Onderzoeken naar separaties van ouders zijn niet zo systematisch gedaan. (Adam & Chase-Landsdale, 2002).

Uit het onderzoek van Adam en Chase-Landsdale (2002) naar het effect van separaties van ouders en verhuizingen op ontwikkelingsuitkomsten van de adolescent blijkt dat er sterke verbanden bestaan tussen de aanpassingsproblemen van een adolescent en zijn verleden ten aanzien van gezinsinstabiliteit en ontwrichting. Dit effect is ook waarneembaar wanneer gecontroleerd wordt op demografische gezinskenmerken en het effect van de perceptie van de adolescent met betrekking tot de kwaliteit van de huidige relatie met moeder- en vaderfiguren, volwassen en peer steun netwerken en de huidige buurt. De effecten zijn aanwezig voor zowel separatie van moeder- en vaderfiguren, langdurige en tijdelijke ouderfiguren en gedurende elke ontwikkelingsperiode.

Aspecten uit bovengenoemd onderzoek, zoals gezinsinstabiliteit, separatie van ouders en verhuizingen spelen ook een rol bij kinderen of jongeren die uit huis geplaatst zijn. De effecten van deze aspecten zouden dus mogelijkerwijs ook van invloed kunnen zijn op uit huis geplaatste kinderen of jongeren.

 

2.5.4 Nog meer risicofactoren

 

Uit literatuuronderzoek door Van Ooyen-Houben (1991) blijkt dat “de leeftijd van het kind of de jongere ten tijde van de uithuisplaatsing” een factor is die ook van invloed is op de ontwikkeling van kinderen of jongeren na uithuisplaatsing. Oudere kinderen lijken het minder goed te doen dan de kinderen die op jongere leeftijd geplaatst worden (Fanshel & Shinn, 1978; Reeuwijk & Berben, 1988). In haar eigen onderzoek komt Van Ooyen-Houben (1991) zelfs tot de conclusie dat leeftijd de belangrijkste factor die de kans op een wenselijk of ongewenst verloop van de ontwikkeling op een termijn van twee jaar vergroten of verkleinen. Jonge kinderen lijken een meer wenselijke ontwikkeling door te maken dan kinderen die wat ouder zijn wanneer ze uit huis geplaatst worden.

De factor “de ontwikkelingsstand bij entree” voorspelt volgens Fanshel en Shinn (1978, in Van Ooyen-Houben, 1991) de ontwikkelingsstand bij vervolgmetingen. Zij vonden in het algemeen redelijke correlaties tussen de scores op verschillende meetmomenten. Dit duidt op stabiliteit van de betreffende kenmerken van de kinderen of jongeren. Ook “intelligentie” wordt genoemd als risicofactor.

Aansluitend bij de factor over de ontwikkelingsstand kan de factor “het aantal stoornissen van een kind of jongere ten tijde van de uithuisplaatsing” genoemd worden. Hoe meer stoornissen een kind of jongere heeft aan het begin van de uithuisplaatsing, hoe groter het risico is dat de ontwikkeling van het kind of de jongere negatief verloopt.

Uit het onderzoek van Brady en Caraway (2002) komt naar voren dat er een significant negatieve relatie is tussen het aantal en type trauma’s én zelfgerapporteerde angst. Dit wil zeggen dat kinderen die verschillende type trauma’s hadden doorgemaakt minder angst rapporteerden dan kinderen die minder trauma’s hadden meegemaakt.

Een ander onderzoeksresultaat met betrekking tot het aantal trauma’s is dat het aantal trauma’s significant positief gecorreleerd is aan de behandelduur. Kinderen die dus meer type trauma’s hebben meegemaakt moeten langer opgenomen blijven dan kinderen die minder trauma’s hebben ervaren.

Daarnaast is “egoveerkracht” ook een factor die invloed heeft op de ontwikkeling van kinderen of jongeren na de uithuisplaatsing. Egoveerkracht verwijst naar de eigenschap “flexibel maar ook vasthoudend te reageren in probleemsituaties” (Kievit, Wit, Groenendaal & Tak, 1998, p.563). Met behulp van deze vaardigheid kunnen kinderen of jongeren problemen zelfstandig het hoofd bieden. Kinderen met een goede egoveerkracht beschikken over meer strategieën om problemen op te lossen. Een goede egoveerkracht bij uit huis geplaatste kinderen of jongeren kan hun ontwikkeling dan ook positief beïnvloeden. Indien uit huis geplaatste kinderen of jongeren geen goede egoveerkracht hebben kan dit gezien worden als een risicofactor.

Rutter (1990, in Wenar & Kerig, 2000) geeft aan dat ook geslacht een risicofactor is. Hij geeft aan dat jongens en meisjes verschillend reageren op stress in het gezin; jongens laten meer gedragsproblemen zien dan meisjes. Maccoby and Jacklin (1974, in Craig, 2002) concludeerden al eerder dat jongens agressiever zijn dan meisjes. Het externaliserende gedrag van jongens wordt vaker als moeilijk en storend ervaren, waardoor jongens mogelijk sneller onder toezicht gesteld worden. In hoofdstuk 3 over prevalentie is deze tendens terug te zien. Jongens worden vaker onder toezicht gesteld dan meisjes, hoewel het verschil niet heel groot is.

Verder is “de bezoekfrequentie van de ouders” een factor die van invloed is op het kind of de jongere. De conclusies met betrekking tot deze factor zijn echter wel tegenstrijdig. Bij het ene onderzoek wordt een lage bezoekfrequentie als risicofactor gezien: naarmate de ouders of andere personen uit de thuissituatie een kind vaker bezoeken, lijkt de ontwikkeling van een kind of de jongere beter te verlopen en gaat het kind of de jongere eerder terug naar huis (Fanshel & Shinn, 1978; Hessle, 1989; Junger-Tas, 1983b; Lawder e.a., 1986; Vissers, 1989, in Van Ooyen-Houben, 1991). De emotionele inpassing in de uithuisplaatsing kan echter ook bij frequent bezoek minder goed verlopen (Fanshel & Shinn, 1978, in Van Ooyen-Houben, 1991).

Bij het andere onderzoek, van Van Ooyen-Houben (1991), blijkt de frequentie van oudercontacten slechts in geringe mate samen te hangen met de ontwikkeling van het kind of de jongere. Waar er wel samenhang is, lijkt deze negatief te zijn; hoe meer oudercontacten hoe meer ongewenste gedragingen het kind of de jongere vertoont. Dit staat dus in tegenstelling tot de algemeen aanvaarde opvatting, dat regelmatig oudercontact goed is. Beide onderzoeken zijn echter gedateerd, waardoor de resultaten moeilijk te generaliseren zijn naar deze tijd.

Uit het onderzoek van Brady en Caraway (2002) is gebleken dat er een positieve relatie is tussen het niveau van zekerheid over het huidige behandelplan en het niveau van tevredenheid hiermee. Dit geeft aan dat kinderen die meer zekerheid rapporteerden ook meer tevreden zijn. Daarnaast werd er een significant negatieve relatie gevonden tussen tevredenheid met het huidige behandelplan en zelfgerapporteerde depressie. Dit betekent dat kinderen die meer ontevreden waren over hun behandelplan een hoger niveau van depressie hebben aangegeven.

 

2.6 Kenmerken van uit huis geplaatste kinderen

 

2.6.1 Achtergronden en veel voorkomend gedrag

 

Van Ooyen-Houben (1991) heeft een onderzoek verricht naar kinderen die op het moment van de uithuisplaatsing tussen de nul en elf jaar oud zijn, om inzicht te krijgen in de achtergronden en de gedragskenmerken van deze kinderen in verschillende verblijfplaatsen en in het verloop van hun ontwikkeling. Dit onderzoek zal hieronder, ondanks de gedateerdheid, kort worden toegelicht, omdat dit één van de weinige onderzoeken is, waar zo uitgebreid onderzoek is gedaan naar de ontwikkeling van kinderen die uit huis geplaatst zijn. Daarnaast geeft het een beeld van uit huis geplaatste kinderen, wat daarna aangevuld wordt met kenmerken uit andere literatuur.

In het onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) worden vijf onderzoeksvragen aan de orde gesteld. De eerste onderzoeksvraag betreft de vraag wat de achtergrond van de kinderen en van de plaatsingen is. Omdat de andere onderzoeksvragen hier niet van belang zijn, worden alleen de resultaten van de eerste vraag besproken. Uit het onderzoek komt naar voren dat verhoudingsgewijs meer jongens dan meisjes uit huis geplaatst worden. Dit resultaat wordt ook in andere onderzoeken gevonden (Haagen e.a., 1983; Van Ooyen-Houben, e.a., 1987 in Van Ooyen-Houben, 1991). Verder blijkt dat de leeftijd van de kinderen bij de eerste uithuisplaatsing varieert van nul tot elf jaar. Het grootste deel van de onderzoeksgroep is echter jonger dan zeven jaar. De meeste kinderen uit het onderzoek hebben een Nederlandse achtergrond en volgen normaal basisonderwijs. Daarnaast vertonen de meeste kinderen stoornissen van sociaal-emotionele aard. Hoewel de problematiek van het kind wel mede een reden kan zijn tot uithuisplaatsing, zijn ongunstige gezinsomstandigheden vaker de oorzaak van uithuisplaatsing (Knorth, 1984 in Van Ooyen-Houben, 1991). Het betreft vaak éénoudergezinnen, waarbij de kostwinner geen beroep uitoefent of tot de lagere beroepsklassen behoort (Haagen, e.a., 1983; Hessle, 1989; Knorth e.a., 1984; Van Ooyen-Houben e.a., 1987 in Van Ooyen-Houben, 1991). Doordat er in de gezinnen vaak meerdere en complexe problemen spelen, is er vaak al voorafgaand aan de uithuisplaatsing ambulante hulp verleend (Knorth, 1984, Wetering, 1987, Haagen, e.a., 1983, Van Ooyen-Houben, e.a., 1987 in Van Ooyen-Houben, 1991). De eerste uithuisplaatsing is bijna altijd als tijdelijk bedoeld en justitiële plaatsingen zijn in de meerderheid. Uit het onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) blijkt dat tweederde van de kinderen binnen twee jaar vertrokken is uit de voorziening waar zij het eerst verbleven na uithuisplaatsing. Iets minder dan de helft van de kinderen gaat binnen twee jaar terug naar huis. Daarnaast zijn er kinderen die twee jaar in een pleeggezin of leefgroep verbleven of die gekenmerkt worden door een gemengd plaatsingspatroon (Van Ooyen-Houben, 1991).

 

Gedragingen die door diverse auteurs zijn waargenomen bij kinderen na uithuisplaatsing zijn door Van Ooyen-Houben (1991) op een rijtje gezet (p.42):

 

·        Aspecten van het sociaal-emotionele functioneren;

-         Het vertonen van het “acute distress syndrome” (protest, wanhoop, onthechting) op zeer korte termijn. Daarna verdwijnt dit weer.

-         Problemen hebben met het aangaan van relaties (teruggetrokken gedrag, niet in staat zijn tot het aangaan van bindingen; ongespecificeerde vriendelijkheid, die snel vervalt in onverschilligheid).

-         Aandachtvragend en vastklampend gedrag, maar ook bitterheid en jaloezie.

-         Psychische onevenwichtigheid.

-         Agressief gedrag en driftbuien.

-         Deviant gedrag.

-         Gedragsproblemen.

-         Gering incasseringsvermogen, geringe egoveerkracht.

 

·        Aspecten van het cognitief functioneren;

-         Cognitieve voor- of achteruitgang.

-         Gebrek aan concentratievermogen.

-         Teruggang in exploratie, alertheid en activiteit.

 

2.6.2 Een problematische ontwikkeling door stress en ingrijpende gebeurtenissen

 

Een uithuisplaatsing kan gezien worden als een stressvolle levensgebeurtenis voor een kind, omdat het gepaard gaat met een aantal ingrijpende veranderingen. Er wordt aangenomen dat ingrijpende gebeurtenissen samenhangen met veranderingen in het functioneren (Van Ooyen-Houben, 1991). Johnson (1986, in Van Ooyen-Houben, 1991) geeft aan dat er sprake is van een wederkerige relatie; de aanwezigheid van problemen kan leiden tot het ervaren van negatieve gebeurtenissen die weer problemen met zich mee kunnen brengen. Na een uithuisplaatsing zouden dus mogelijk veranderingen kunnen optreden in het lichamelijk, sociaal-emotioneel en cognitief functioneren van het kind. In de periode voor de uithuisplaatsing hebben de kinderen echter vaak al andere stressvolle gebeurtenissen meegemaakt of in stressvolle omstandigheden geleefd. De kinderen die uit huis geplaatst worden zijn dus blootgesteld aan meer stressoren, waardoor de effecten van een uithuisplaatsing moeilijk te scheiden zijn van de effecten van de opvoedingssituatie die aan de uithuisplaatsing vooraf is gegaan. Daarnaast is ook de periode na de uithuisplaatsing vaak niet stabiel. Uit onderzoek van Haagen e.a. (1983), Van Ooyen-Houben e.a. (1987, in Van Ooyen-Houben, 1991) en reeds eerder beschreven onderzoek blijkt dat jonge kinderen vaak meerdere keren ergens geplaatst worden. Ook na terugplaatsingen naar huis volgt vaak weer een nieuwe plaatsing (Van Ooyen-Houben, 1991). Gezien de meervoudige stressvolle omstandigheden waar ze mee te maken hebben, lopen deze kinderen wel een bijzonder risico op een problematische ontwikkeling (Van Ooyen-Houben, 1991). Dit wordt bevestigd in onderzoek, waaruit blijkt dat naarmate iemand meer stressvolle gebeurtenissen heeft meegemaakt er een grotere kans bestaat op problemen en stoornissen (Van der Ploeg, 1990; Rutter, 1981; Veerman, 1990, in Van Ooyen-Houben, 1991).

 

2.6.3 Traumatische ervaringen

 

Hoewel er veel kinderen of jongeren zijn die uit huis geplaatst worden, ontbreekt er, volgens Brady en Caraway (2002), informatie over de specifieke kenmerken van deze kinderen of jongeren zelf. Er is namelijk weinig aandacht geweest voor de ervaringen van deze kinderen of jongeren.

Brady en Caraway (2002) hadden zich als doel gesteld beschrijvende informatie te verzamelen over kinderen of jongeren uit een residentiële behandelsetting om zo de unieke ervaringen van deze populatie beter te kunnen begrijpen. Uit hun onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kinderen of jongeren die uit huis geplaatst zijn in hun kindertijd minstens één traumatische gebeurtenis hebben ervaren. Vaak is er sprake van meer trauma’s en andere stressoren, zoals verschillende plaatsingen en wisselende verzorgers. Deze kinderen of jongeren ervaren dus een chaotische kindertijd, die gekenmerkt wordt door ervaringen van significante stress en trauma. Verder blijkt dat de meerderheid van de kinderen of jongeren de huidige plaatsing aan zijn eigen acties toeschrijft. Deze kinderen of jongeren hebben echter wel het gevoel een sterker persoon te zijn geworden door de ervaringen in hun leven. De uit huis geplaatste kinderen of jongeren hebben ook het gevoel dat er tenminste één volwassene is in hun leven die zij kunnen vertrouwen.

Kinderen of jongeren die gedwongen zijn om uit huis geplaatst te worden kunnen traumatische ervaringen opdoen (Leslie, Landsverk, Ezzet-Lofstrom, Tschann, Slymen & Garland, 2000, in Davidson-Arad e.a., 2003). Het gescheiden worden van hun gezin en verlies van hun ouders kan het gevoel van kinderen of jongeren dat ze ergens bij horen ondermijnen. Ook het gevoel van zelfrespect kan nog verder beschadigd worden. Uit huis geplaatste kinderen of jongeren voelen zich vaak afgewezen, niet geliefd en waardeloos. Ze hebben het gevoel dat ze mislukkelingen zijn en zien het feit dat ze uit huis gehaald worden als straf voor slecht gedrag. Verder is uit onderzoek gebleken dat uit huis geplaatste kinderen of jongeren hevige problemen hebben in interpersoonlijke relaties en een verhoogd risico hebben voor het ontwikkelen van psychopathologie en antisociaal gedrag (Buehler, Orme, Post, & Patterson, 2000; Clausen, Landsverk, Ganger, Chadwick & Litrownik, 1998; Levine, 1998; Moss & Moss, 1984; Orme & Buehler, 2001; Thompson, 1985; Wilkes, 1992, in Davidson-Arad e.a., 2003).

Een uithuisplaatsing brengt veel verwarring voor de kinderen of jongeren met zich mee. Dit komt doordat er van tevoren weinig voorbereiding en uitleg is van de ouders over de uithuisplaatsing. Verwarring wordt ook veroorzaakt doordat kinderen of jongeren meemaken dat er in een pleeggezin een ander kind of jongere ineens zonder verklaring vertrekt (Palmer, 1996).

Kinderen die alleen opvang hebben gehad bij familie zijn jong. Ze hebben de afwezigheid van hun ouders gemerkt en voelen zich soms verwaarloosd Jongere kinderen die verschillende typen mishandeling hebben ervaren, blijken na een pleegzorgplaatsing vaak geplaatst te zijn bij een ander pleeggezin of bij familie. Kinderen in restrictievere settings zijn ouder en hebben vaak allerlei types van mishandeling meegemaakt (Leslie, Landsverk, Horton, Ganger, & Newton, 2000).

 

2.6.4 Problemen in de ouder – kind relatie

 

De problemen en moeilijkheden van onder toezicht gestelde jongeren blijken zeer divers te zijn. De meest voorkomende serieuze problemen zijn problemen rondom het ouderlijk gezag en de ouder-kind relatie. Er is vaak sprake van pedagogische verwaarlozing. Verder hebben ouders vaak relationele, psychische en financiële problemen en/ of problemen met de huisvesting. De problemen waar de jongeren zelf mee te kampen hebben, hebben vaak betrekking op hun ontwikkeling, scholing en vrijetijdsbesteding. Ook zijn er vaak psychische problemen (Mertens 1996, in Reith, 2003). 

 

2.6.5 Gedragsproblemen

 

Ook Fanshel en Shinn (1978, in Van Ooyen-Houben, 1991) hebben een longitudinaal onderzoek gedaan. Zij concluderen dat uit huis geplaatste kinderen of jongeren in de loop van het vijf jaar durende onderzoek meer gedragsproblemen lieten zien; ze werden minder meegaand en aardig, koppiger, meer teruggetrokken en meer gespannen. Dit betreft met name de kinderen of jongeren die weinig bezoek van hun ouders kregen en die pas na hun zesde jaar uit huis geplaatst werden. Wat betreft schoolprestaties en emotionele aanpassing (nervositeit en slaapproblemen) werd er bij de uit huis geplaatste kinderen of jongeren geen verslechtering geconstateerd; het beeld bleek ook niet af te wijken van het beeld van de kinderen of jongeren die weer terug naar huis geplaatst waren.

 

2.6.6 Cognitieve groei

 

De cognitieve ontwikkeling ging bij de uit huis geplaatste kinderen of jongeren in de eerste tweeëneenhalf jaar vooruit, maar daarna was er sprake van een lichte achteruitgang. Na vijf jaar lieten uit huis geplaatste kinderen of jongeren nog wel een beter beeld zien wat betreft cognitief functioneren dan de kinderen of jongeren die weer thuis geplaatst waren. Evenals in het hierboven beschreven onderzoek van Tizard (1971, 1974, 1975, 1978, 1989a en 1989b) komen Fanshel en Shinn (1978, in Van Ooyen-Houben, 1991) ook tot de conclusie dat de verandering op cognitief gebied vooral in de eerste jaren van de plaatsing inzet.

 

2.6.7 Overvriendelijke reacties tegen vreemden

 

Tizard e.a. (1971, 1974, 1975, 1978, 1989a en 1989b, in Van Ooyen-Houben, 1991) hebben een longitudinaal onderzoek gedaan, waaruit zij concluderen dat de ontwikkeling van kinderen of jongeren met een vroege tehuiservaring sterk afhangt van de omgevingscondities waarin ze later worden geplaatst. Als de condities gunstig zijn, kunnen de kinderen of jongeren zich ondanks de tehuiservaring goed ontwikkelen. De onderzoekers zien echter overvriendelijke reacties tegen vreemden als atypisch hechtingsgedrag, wat een blijvend effect is en ook niet verdwijnt onder gunstige omstandigheden.

 

2.7 Samenvatting literatuuronderzoek

 

Als de ontwikkeling van een jongere in gevaar komt, kan de kinderrechter het gezag van ouders beperken door de jongere onder toezicht te stellen van een gezinsvoogdij-instelling, die een gezinsvoogd aanwijst. De gezinsvoogd begeleidt de jongere en helpt de ouders bij de opvoeding. In 2002 zijn in totaal 20429 jongeren onder toezicht gesteld. Daaronder vallen 13859 jongeren van 10 tot 17 jaar. Iets minder dan 10.000 jongeren zijn uit huis geplaatst. Uit onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling is gebleken dat jongeren die de zwaarste problematiek hebben en jongeren die minstens één ouder hebben die niet in Nederland geboren is, het meeste baat hebben bij een ondertoezichtstelling. In sommige situaties vindt de gezinsvoogd het noodzakelijk dat de jongere uit huis geplaatst wordt. Een uithuisplaatsing wordt meestal als een ingrijpende gebeurtenis ervaren. Dit wordt ook aangegeven in ander onderzoek waarin geconcludeerd wordt dat uit huis geplaatste jongeren onder andere het risico lopen om in de maatschappij gestigmatiseerd te worden. Het welzijn van jongeren wordt aangetast als blijkt dat de jongere in een instelling moet worden geplaatst. Uit eenzelfde soort onderzoek bleek echter ook dat de uithuisplaatsing de kwaliteit van jongeren op korte termijn significant verbeterde en dat risicokinderen dus het best uit huis geplaatst kunnen worden. Het gaat dan om jongeren bij wie de thuissituatie zo ernstig is dat uithuisplaatsing in overweging wordt genomen. Ook blijkt dat een uithuisplaatsing het ontwikkelingsverloop van de jongeren positief beïnvloedt. Daarnaast is het aantal plaatsingen dat jongeren meemaken en de plek waar de jongeren terecht komen ook bepalend voor hun welzijn. Uit verschillende onderzoeken naar de invloed van de plek waar een uit huis geplaatste jongere terechtkomt kan gezegd worden dat jongeren over het algemeen het beste bij familie geplaatst kunnen worden en indien dit niet mogelijk is kunnen ze beter geplaatst worden in een pleeggezin dan in een instelling. De stabiliteit van de zorg en de vaardigheden van de opvoeders is echter ook bepalend voor de ontwikkeling van kinderen. Daarnaast spelen kindkenmerken een rol bij de keuze voor een bepaald verblijf. Ideaal voor jongeren zou inclusieve pleegzorg zijn, wat betekent dat ouders betrokken worden bij het plaatsingsproces. Risicofactoren zijn factoren die de ontwikkeling van een jongere negatief kunnen beïnvloeden. Uit onderzoek blijkt dat er een relatie is tussen de psychosociale problemen van jongeren en hun problematische gezinsverleden. Daarnaast noemen een aantal auteurs de risicofactor “reden van uithuisplaatsing”. Verder is de hechting tussen ouders en jongeren van invloed op het aangaan van intieme relaties met andere verzorgers. Aansluitend bij hechting kunnen de risicofactoren “verblijfplaats van de jongere” en “wisselingen van verblijfplaats en verzorger” genoemd worden. Ook zou de mate van gezinsinstabiliteit van invloed kunnen zijn op de manier waarop jongeren met hun uithuisplaatsing omgaan. Tenslotte zijn er nog een aantal andere risicofactoren te noemen, namelijk “de leeftijd van de jongere ten tijde van de uithuisplaatsing”, “de ontwikkelingsstand bij entree”, “intelligentie”, “het aantal stoornissen van een jongere ten tijde van de uithuisplaatsing”, “egoveerkracht” en “geslacht van de jongere”. Uit onderzoek blijkt dat de meeste jongeren binnen twee jaar vertrokken zijn uit de voorziening waar zij het eerst verbleven na uithuisplaatsing. Een uithuisplaatsing gaat gepaard met ingrijpende veranderingen die samenhangen met veranderingen in het lichamelijk, sociaal-emotioneel en cognitief functioneren. Uit ander onderzoek blijkt dat jongeren die uit huis geplaatst zijn in hun kindertijd minstens één traumatische gebeurtenis hebben ervaren en dat zij de huidige plaatsing aan hun eigen acties toeschrijven. Jongeren die uit huis geplaatst zijn maken vaak meer trauma’s en stressoren mee in hun leven, zowel voor, tijdens als na de uithuisplaatsing. Ze hebben daarom een verhoogd risico op een problematische ontwikkeling. Uit huis geplaatste jongeren laten dan ook meer gedragsproblemen zien. De meest voorkomende problemen van onder toezicht gestelde jongeren zijn problemen in de ouder-kind relatie. De ontwikkeling van jongeren met een vroege tehuiservaring hangt sterk af van de omgevingscondities waarin ze later worden geplaatst. Hoewel er redelijk veel informatie is over de kenmerken en achtergronden van uit huis geplaatste jongeren is er zeer weinig bekend over de belevingen van de uit huis geplaatste jongeren zelf. Hoe ervaren zij het om uit huis geplaatst te zijn en om niet meer thuis te wonen. Daar zal het onderhavige onderzoek dan ook over gaan.

3. Onderzoeksopzet

 

3.1 Theorie

 

3.1.1 Doelstelling

 

Dit onderzoek is een afstudeeronderzoek van twee pedagogiek studenten aan de Universiteit Utrecht. Het onderzoek heeft dus in eerste instantie het leerproces van de studenten tot doel, namelijk het leren verrichten en rapporteren van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoek heeft daarnaast voornamelijk een praktische relevantie. De resultaten van het onderzoek kunnen mogelijk gebruikt worden door hulpverleners die te maken hebben met onder toezicht gestelde jongeren, zoals groepsopvoeders, pleegouders en gezinsvoogden. Door inzicht te krijgen in de beleving van uit huis geplaatste jongeren zullen deze hulpverleners die jongeren wellicht beter kunnen begeleiden. Verder kunnen andere mensen, die weinig weten over uit huis geplaatste jongeren, door het lezen van de resultaten van dit onderzoek meer te weten komen over hoe het is om uit huis geplaatst te zijn.

Uit de prevalentiecijfers, die genoemd zijn in paragraaf 2.3 blijkt dat het gaat om ongeveer 10.000 jongeren die onder toezicht gesteld staan en uit huis geplaatst zijn. Dit grote aantal jongeren benadrukt nogmaals het belang van onderzoek naar hun beleving. Hoewel er dus veel jongeren zijn die uit huis geplaatst worden, ontbreekt er, volgens Brady en Caraway (2002), informatie over de specifieke kenmerken van deze jongeren zelf. Er is volgens hen weinig aandacht geweest voor de ervaringen van deze jongeren. Naast deze cijfers blijkt het belang van dit onderzoek ook uit onderzoek van bijvoorbeeld Knorth (1983). Hij geeft aan dat uit huis geplaatste jongeren onder andere het risico lopen om in het gezin van herkomst een zondebok te worden en in de maatschappij gestigmatiseerd te worden.

De kennis die dit onderzoek oplevert over hoe onder toezicht gestelde jongeren hun uithuisplaatsing beleven, kan gezien worden als de theoretische relevantie van dit onderzoek.

Hoewel verschillende aspecten van onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn onderzocht zijn, zoals de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling door Slot e.a. (2002), het welzijn van jongeren na uithuisplaatsing (Jansen & Oud, 1993; Sastre & Ferriere, 2000; Davidson-Arad e.a., 2003), de ervaringen van jongeren met residentiële opnameprocedures in de jeugdbescherming (Knorth, 1983), de invloed van de plek op de kwaliteit van leven (Davidson-Arad e.a., 2003; Junger-Tas, 1983b; Usher, Randolph & Gogan, 1999 en Rutter & Quinton, 1981), kindkenmerken bij jongeren in pleeggezin- en tehuissituaties (Van Ooyen-Houben, 1991) en onderzoek naar de gezinsbetrokkenheid vanuit het perspectief van ouders (Jivanjee, 1999), is er nog geen onderzoek gedaan naar hoe onder toezicht gestelde jongeren het ervaren om uit huis geplaatst te zijn. Dit onderzoek stelt zich dan ook als doel door middel van kwalitatief onderzoek aan de hand van open interviews inzicht te geven in hoe onder toezicht gestelde jongeren in de leeftijd van 10 tot 18 jaar het beleven om uit huis geplaatst te zijn.

Doordat er nog weinig kennis is over hoe jongeren het beleven om uit huis geplaatst te zijn gaat het hier om een explorerend onderzoek. Het betreft dus niet een toetsend onderzoek waarbij bestaande kennis of oplossingen getoetst worden (Baarda & De Goede, 2001; Baarda, De Goede & Teunissen, 2001; ’t Hart, Van Dijk, De Goede, Jansen & Teunissen, 2001).

 

3.1.2 Ethische verantwoording

 

Dit onderzoek is allereerst ethisch verantwoord, omdat de onder toezicht gestelde jongeren die geïnterviewd zijn op de hoogte zijn gesteld van het onderzoek en de bedoeling ervan. Daarnaast hebben deze jongeren vrijwillig deelgenomen aan het onderzoek. Ook is er toestemming gevraagd aan de betreffende gezinsvoogden en/of hun biologische ouders of deze jongeren aan dit onderzoek mochten deelnemen. De anonimiteit van deze jongeren is gewaarborgd door fictieve namen te gebruiken. Verder worden strikt persoonlijke gegevens niet aan derden verstrekt zonder toestemming van de onderzochten; in dit onderzoek de onder toezicht gestelde jongeren, hun gezinsvoogd en/of biologische ouders. Tenslotte brengt het afnemen van een interview geen schade toe aan de onderzochten. De jongeren hebben in het interview alleen datgene verteld wat zij zelf wilden vertellen (Baarda, e.a., 2001).

 

3.1.3 Probleemstelling

 

Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van 10 tot 18 jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?

 

3.1.4 Onderzoeksvragen

 

De beschrijvende vraagstelling die in dit kwalitatieve onderzoek centraal staat is: "Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van 10 tot 18 jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?".

De onderzoeksvragen behorende bij deze vraagstelling zijn:

 

1.      Welke redenen van uithuisplaatsing worden door de onder toezicht gestelde jongeren aangegeven?

2.      Hoe hebben de onder toezicht gestelde jongeren hun uithuisplaatsing beleefd?

3.      Waar hebben de onder toezicht gestelde jongeren gewoond na hun uithuisplaatsing, waar wonen zij nu en hoe beleven zij deze plekken?

4.      Welke gevoelens spelen een rol bij onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren?

5.      Met welke hulpverleners hebben de onder toezicht gestelde jongeren contact en hoe beleven zij deze contacten?

6.      Hoe beleven de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren het contact met de beroepsopvoeders?

7.      Hoe beleven de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren (het contact met) hun gezin van herkomst?

8.      Hoe zien de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren hun toekomst en wat voor wensen hebben ze?

9.      Wat vinden de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren belangrijk dat andere mensen weten over onder toezicht gestelde jongeren?

 

3.1.5 Eenheden en kenmerken

 

In eerste instantie was het onderzoek gericht op kinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar. Omdat het werven van respondenten in de praktijk zeer moeilijk is gebleken, is ervoor gekozen om af te wijken van die leeftijdscategorie. De leeftijdscategorie is uiteindelijk dus bepaald door de beschikbare respondenten. In hoofdstuk 3.2 zal dit nader worden toegelicht. De leeftijd van de respondenten in dit onderzoek varieert van 10 tot 18 jaar.

Daarnaast richt dit onderzoek zich op jongeren van zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht. De jongeren wonen in Nederland, in de provincie Gelderland.

Zoals uit hoofdstuk 2 al duidelijk is geworden, kan de hulpverlening aan jongeren vrijwillig plaatsvinden of een gedwongen karakter hebben. In het laatste geval legt de kinderrechter een kinderbeschermende maatregel op. Deze maatregel bestaat uit drie vormen, namelijk een ondertoezichtstelling, een ontheffing en een ontzetting (Van Lieshout, 2003). De hulpverlening, rondom de jongeren die aan dit onderzoek hebben deelgenomen, heeft zo'n gedwongen karakter. De kinderrechter heeft bij deze jongeren de kinderbeschermings-maatregel van een ondertoezichtstelling opgelegd. De ontheffing of ontzetting worden in ditonderzoek buiten beschouwing gelaten.

De ondertoezichtstelling wordt door de kinderrechter opgelegd als de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van een minderjarige ernstig bedreigd worden en andere middelen om deze bedreiging af te wenden hebben gefaald, of zullen falen (Van Lieshout, 2003; Voorjans, 1996). De onder toezicht gestelde jongeren hebben een gezinsvoogd toegewezen gekregen. Indien de gezinsvoogd dat nodig acht kan hij een machtiging bij de kinderrechter aanvragen om de jongere uit huis te laten plaatsen. Een belangrijk kenmerk van deze jongeren is naast het onder toezicht gesteld zijn, dus het feit dat zij uit huis geplaatst zijn vanwege een problematische gezinssituatie. Een problematische gezinssituatie kan omschreven worden als: het voorkomen van gedrags- en/ of opvoedingsstoornissen, kindermishandeling, verslaving, crimineel gedrag, ernstige problemen van ouders die hun weerslag hebben op de jongeren, al dan niet in combinatie met elkaar. Een aantal risicofactoren die tot probleemgedrag zouden kunnen leiden zijn: weinig emotionele bindingen tussen de gezinsleden, ernstige conflicten tussen de gezinsleden, gebrekkige gezinscommunicatie, een onveilig opvoedingsklimaat, een gebrekkige begeleiding van de gedragsontwikkeling van de jongere en een problematische opvoedingsstijl. Deze problematische opvoedingsstijl houdt in dat ouders te weinig affectie tonen en te veel controle uitoefenen (Voorjans, 1996).

De jongeren wonen dus niet meer thuis bij hun natuurlijke of adoptief ouders, maar in een pleeggezin, een gezinshuis, een tehuis voor jeugdhulpverlening, een gesloten inrichting, een kliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie of in een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. In dit onderzoek betreft het alleen kinderen die uit huis geplaatst zijn naar een pleeggezin, gezinshuis of een leefgroep. De kinderen van adoptief ouders die uit huis geplaatst zijn en kinderen die geplaatst zijn in een gesloten inrichting, een kliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie of in een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis worden in dit onderzoek dus buitengesloten.

Kort samengevat richt het onderzoek zich dus op de volgende eenheden; In Nederland in de provincie Gelderland wonende, onder toezicht gestelde jongeren (jongens en meisjes) die bij hun natuurlijke ouder(s) woonden, maar in verband met een problematische gezinssituatie uit huis geplaatst zijn.

De kenmerken van deze eenheden zijn; leeftijd (van 10 tot 18 jaar) en woonsituatie (een pleeggezin, gezinshuis of een tehuis voor jeugdhulpverlening).

 

 

3.1.6 Verantwoording keuze kwalitatief onderzoek

 

Bij dit belevingsonderzoek is een kwalitatieve benadering beter dan een kwantitatieve benadering, omdat het bij dit onderzoek gaat om het achterhalen van de beleving en de betekenisgeving van de jongeren. Eén van de belangrijkste principes van kwalitatief onderzoek is juist dat het gericht is op een beschrijving van de betekenisverlening van betrokkenen. Verder zou het onderzoek kunnen bijdragen aan verbetering van de hulpverleningspraktijk. In deze situatie is het gebruik van kwalitatieve onderzoeksmethoden ook bij uitstek geschikt (Wester & Hak, 2003).Daarnaast is er sprake van een open vraag, weinig voorkennis en een beperkt aantal proefpersonen (Baarda e.a., 2001; Wester & Hak, 2003). Het onderzoeksprobleem wordt als een omvattend, samenhangend geheel benaderd, wat wordt aangeduid met de term ‘holisme’. In dit onderzoek wordt naar verschillende belevingen van uit huis geplaatste jongeren gekeken, onder andere hoe ze de uithuisplaatsing zelf hebben beleefd, hoe ze hun nieuwe woonplek beleven en hoe ze het contact met hulpverleners en beroepsopvoeders beleven. Uitgaande van het holistische principe wordt er onder andere geprobeerd om alle facetten van de beleving van de uit huis geplaatste jongeren in het onderzoek te betrekken (Baarda e.a., 2001).

 

3.1.7 Keuze dataverzamelingstechniek

 

Kwalitatief onderzoek richt zich op het verzamelen van meningen, opvattingen en ideeën van de onderzochten (’t Hart e.a., 1996). Dit onderzoek verzamelt gegevens met betrekking tot de beleving van onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn.

Om deze informatie te kunnen verzamelen is het stellen van vragen als dataverzamelings-methode gebruikt. Dit betreft dus een vraagmethode. De techniek die binnen de vraagmethode gebruikt is, is het mondeling stellen van vragen. Het instrument wat binnen deze techniek past is een interview en wel een open interview (’t Hart e.a., 1996). De open interviews zijn in de meeste gevallen gehouden op de huidige woonplek van de respondenten. Alleen Kim is geïnterviewd bij één van de onderzoekers thuis.

In een open interview bepaalt degene die geïnterviewd wordt het verloop van het gesprek. De rol, die de onderzoekers in dit onderzoek op zich hebben genomen, is die van interviewer. De interviewer stelt aan het begin van het gesprek een open vraag om de richting van het gesprek te bepalen en stelt slechts tijdens het gesprek vragen om het gesprek op gang te houden. De open vraag die in het begin van het interview aan de respondenten gesteld is, luidt als volgt; “Als ik straks een verslag ga schrijven over uit huis geplaatste jongeren, heb jij dan een idee wat ik daarin kan zetten? Wat vind jij belangrijk dat anderen weten over uit huis geplaatste jongeren”. 

Omdat de interviewer in een dergelijk gesprek ook nog enkele gespreksthema’s of topics gebruikt, wordt het open interview ook wel een topic interview genoemd. Deze topiclijst is slechts richtinggevend. Het verloop van het gesprek wordt, zoals eerder gezegd, voor het belangrijkste deel door de respondenten bepaald. Dit is ook kenmerkend voor kwalitatief onderzoek, waar de beleving van de respondent centraal gesteld wordt (Baarda, e.a., 2001).

Daarnaast past de dataverzamelingstechniek open interviewen bij de leeftijd van de onderzochten. Kinderen vanaf een jaar of zes hebben taalgebruik wat veel lijkt op dat van een volwassene. Het kind bevat de basale kennis van de grammaticale structuur van de moedertaal. De taalontwikkeling is op deze leeftijd voornamelijk een kwestie van verfijning en de taalschat wordt verder uitgebreid (Van Beemen, 1995).

 

3.1.8 Controlevariabelen

 

Het grootste deel van de ‘controlevariabelen’ zijn uitvoerig beschreven in het literatuur gedeelte van dit verslag (hoofdstuk 2). Hieronder zullen alle controle variabelen nogmaals genoemd worden om een overzicht te geven van de verschillende factoren. Ook zullen een aantal controlevariabelen worden genoemd die niet in het literatuur gedeelte terug te vinden zijn, maar die mogelijk wel van invloed zijn. De controlevariabelen die in dit onderzoek mogelijk naar voren komen zijn: geslacht (jongen of meisje); huidige leeftijd (10 tot 18 jaar); leeftijd bij uithuisplaatsing; verblijfplaats van de jongere na uithuisplaatsing (pleeggezin, gezinshuis, leefgroep); reden van uithuisplaatsing; de situatie thuis; het aantal en het type ontwikkelingsbedreigende gezinsproblemen (een problematische opvoedingsstijl, ernstige gezinsconflicten, gebrekkige gezinscommunicatie, een onveilig opvoedingsklimaat en de afwezigheid van toezicht op het doen en laten van de jongere); egoveerkracht; etnische achtergrond (autochtoon of allochtoon); intelligentie (beneden gemiddeld, gemiddeld, boven gemiddeld); het aantal en het type trauma’s dat een jongere heeft meegemaakt (lichamelijke mishandeling, ernstige verwaarlozing, seksueel misbruik, getuige van huiselijk geweld); het aantal plaatsingen in een pleeggezin, gezinshuis en/of residentiële instelling (anders gezegd het aantal wisselingen van verblijfplaats); het aantal verschillende verzorgers; de lengte van het huidige verblijf in het pleeggezin, het gezinshuis of de residentiële behandelsetting; de mate waarin de jongere zeker is over zijn toekomst (de jongere heeft geen idee wat de toekomst zal zijn, de jongere kan een aantal mogelijkheden noemen, de jongere denkt het te weten, de jongere weet het in die zin dat het denkt dat het niet zal veranderen, de jongere weet het precies in die zin dat het zeker niet zal veranderen); de mate waarin de jongere tevreden is met de eventuele behandeling (de jongere heeft er een hekel aan, heeft er twijfels over, voelt zich er goed over, is er blij mee, is erg gelukkig); mate van sociale steun (veel of weinig); aard van de hulpverlening (vrijwillig of gedwongen); de bezoekfrequentie van ouders; type problemen van de jongere (geïnternaliseerd of geëxternaliseerd) en de aan- of afwezigheid van veilige hechting (Brady & Caraway, 2002; Jansen & Oud, 1993; Palmer, 1996; Van Ooyen-Houben, 1991; Voorjans, 1996).

In dit onderzoek is geen rekening gehouden met controlevariabelen. Kwalitatief onderzoek leent zich hier ook minder dan experimenteel onderzoek, waarbij controlevariabelen van belang zijn om het effect van een externe stimulus te bepalen (’t Hart e.a., 1996). De controlevariabelen worden daarom ook niet nader beschreven.

 

3.1.9 Attenderende begrippen

 

De attenderende begrippen die in de doelstelling naar voren komen zijn: beleving, ondertoezichtstelling, jongeren en uithuisplaatsing.

 

3.2 Methode

 

3.2.1 Design

 

Het design van dit onderzoek is een survey. Bij een survey worden gegevens verzameld over de onderzoekseenheden door gebruik te maken van een interview. Deze gegevens worden meestal op één bepaald tijdstip of in één bepaalde periode verzameld. Het komt echter ook voor dat op meerdere tijdstippen gegevens worden verzameld. In dit onderzoek zijn de data verzameld door open interviews af te nemen bij onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn. De interviews zijn eenmalig afgenomen in de periode tussen december 2003 en juni 2004. In de meeste gevallen, ook bij dit onderzoek, worden gegevens verzameld bij een steekproef van onderzoekseenheden uit een nader omschreven populatie. Hoewel bij survey-onderzoek in de regel een groot aantal onderzoekseenheden worden betrokken, is het aantal respondenten in dit kwalitatieve onderzoek minder groot. Binnen dit onderzoek wordt niet gezocht naar oorzakelijke verbanden zoals bij een experiment, dus ligt survey-onderzoek echter wel voor de hand. Ook past dit design bij de beschrijvende vraagstelling van dit type onderzoek (Baarda & De Goede, 1995).

 

3.2.2 Populatie en steekproef

 

Dit onderzoek richt zich op in Gelderland wonende, onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongens en meisjes in de leeftijd van 10 tot 18 jaar. In dit onderzoek zal niet die hele populatie onderzocht worden, maar slechts een deel ervan. Het gaat hier dan ook om een steekproef. Het betreft een selecte steekproef, omdat de onderzoekers respondenten toegewezen hebben gekregen via gezinsvoogden van Bureau Jeugdzorg in Zutphen en één gezinsvoogd uit Doetinchem. De contacten met deze gezinsvoogden zijn voortgekomen uit de contacten die de onderzoekers hebben gelegd met drie gezinsvoogden naar aanleiding van een ander, kleinschalig onderzoek. In dat onderzoek is de beleving van gezinsvoogden over uithuisplaatsing onderzocht. Deze gezinsvoogden hadden toegezegd de onderzoekers te helpen bij het werven van de respondenten. Via deze drie gezinsvoogden zijn dan ook andere gezinsvoogden benaderd. Deze steekproef is dus ook voor een deel een sneeuwbalsteekproef.

Uit de praktijk zou blijken dat na 25 tot 30 interviews geen nieuwe informatie over het onderwerp naar voren komt. Dan is dus het punt van verzadiging bereikt. Bij onderzoeken met specifiekere probleemstellingen zou het verzadigingspunt al bereikt worden bij 15 tot 25 interviews. Het aantal respondenten hangt dus af van de verzadiging. Als er bij de dataverzameling sprake is van verzadiging en dus geen nieuwe informatie meer wordt gevonden kan de steekproef over het algemeen als representatief worden beschouwd De steekproefgrootte in dit onderzoek betreft 10 respondenten (Baarda e.a., 2001; ’t Hart e.a., 1996). 

 

3.2.3 Definitie en operationalisatie kenmerken

 

Zoals al eerder vermeld is, richt dit onderzoek zich op de leeftijdscategorie van 10 tot 18 jaar. Deze leeftijdscategorie kan opgesplitst worden in twee groepen. Voor de respondenten van 10 tot 12 jaar wordt meestal in de literatuur de term kinderen gehanteerd. Deze kinderen volgen het basisonderwijs. De respondenten van 12 tot 18 jaar worden meestal aangeduid met de term jeugdigen of jongeren. Deze jongeren bevinden zich in de adolescentiefase en volgen het voortgezet onderwijs. In het onderzoeksverslag wordt steeds gesproken over jongeren vanwege het feit dat acht van de tien respondenten twaalf jaar of ouder zijn ten tijde van het interview.

Binnen de groep respondenten van 10 tot 18 jaar kan een verschil in beleving veroorzaakt worden doordat er na het twaalfde jaar psychologische veranderingen ontstaan, die kenmerkend zijn voor de adolescentiefase. Als gekeken wordt naar de cognitieve ontwikkeling en de stadia die Piaget onderscheidt, dan vallen de respondenten in twee verschillende stadia. De kinderen tot twaalf jaar zitten volgens Piaget in het concreet operationele stadium. De informatie die in de redenatie wordt toegepast heeft in dit stadium betrekking op realistische, concreet voorstelbare situaties. In het formeel operationele stadium maakt het denken zich los van de concrete inhoud en richt het zich op een abstract niveau. Dit laatste stadium begint rond elf á twaalf jaar. Er is echter kritiek op de stadia van Piaget. Het blijkt namelijk dat de ontwikkelingen meer geleidelijk verlopen op diverse tijdstippen en in verschillende volgorden. Wat de cognitieve ontwikkeling betreft zullen de respondenten van 10 tot 18 jaar dus niet zo veel van elkaar verschillen (Van Beemen, 1995).

Het begrip beleving staat in dit onderzoek centraal. Onder beleven wordt ondervinden, meemaken verstaan (Van Haeringen, 1977). De Bruyn, Pameijer, Ruijssenaars & Van Aarle, (2001) definiëren beleving als volgt: "De persoonsgebonden emotionele (positieve of negatieve) waarde, die door de cliënt aan de situatie, gebeurtenis of gedrag wordt verbonden" (p.57). In de definitie van De Bruyn e.a. (2001) wordt beleven gezien als de redenen of motivatie voor gedrag in waarderende zin. Dit is een cognitief gebeuren, wat indirect plaatsvindt.

In dit onderzoek betreft het de beleving van onder toezicht gestelde jongeren. Naast de ondertoezichtstelling zijn de jongeren uit dit onderzoek ook uit huis geplaatst en wonen in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Hieronder volgen de definities van deze drie plekken.

Een pleeggezin is een plek in een ander gezin waar een kind kan wonen die wegens omstandigheden niet meer thuis kan wonen. Pleegouders nemen tijdelijk de zorg over van de ouders. Het kind blijft contact houden met zijn eigen familie voor zover dat mogelijk is (Landelijk Bureau Voorlichting Federatie Pleegzorg, 1998).

Een leefgroep wordt met verschillende termen aangegeven. Zo spreekt men bijvoorbeeld ook wel over een tehuis voor jeugdhulpverlening, een (kinder)tehuis of een residentiële instelling. In een leefgroep worden kinderen en jongeren van nul tot achttien jaar opgevangen, die niet meer thuis kunnen wonen, vanwege problemen en/of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die de ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig beïnvloeden. De jongeren verblijven dag en nacht op de leefgroep. Zij worden opgevoed en verzorgd door een team van hulpverleners die dag- en nachtdiensten draaien op de leefgroep (Van Well, 1998).

Een gezinshuis is een leefvorm die tussen pleegzorg en een leefgroep in zit. In een gezinshuis worden kinderen en jongeren opgevoed en begeleid door gezinshuisouders. De relatie tussen de gezinshuisouders en de kinderen die daar wonen is afstandelijker dan de relatie tussen pleegouders en pleegkinderen. Kinderen die moeite hebben om zich te hechten kunnen beter in een gezinshuis terecht dan in een pleeggezin. De gezinshuisouders bieden hun gezin(systeem) aan als professionele hulpverleningsvorm aan een instelling. Veelal is één, of zijn beide ouders in dienst van de instelling en wonen zij in een pand van de instelling dat beschikbaar is gesteld voor het werk dat zij doen. Ook krijgen de gezinshuisouders vaak professionele ondersteuning vanuit de instelling. Het aantal kinderen die gezinshuisouders op deze manier opvoeden kan uiteenlopen van 1 tot 8 met gemiddeld 3 tot 4 kinderen (www.gezinshuis.solcon.nl, www.mobiel-pleegzorg.nl). De beleving van de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren wordt gemeten door bij de jongeren open interviews af te nemen. In deze interviews komen verschillende dimensies, die bij de beleving van uithuisplaatsing te onderscheiden zijn, als (sub)topics aan de orde. De topiclijst (Baarda, De Goede & Van der Meer-Middelburg, 2000) van de open interviews ziet er als volgt uit:

 

1. Uitleg pleeggezin, gezinshuis en/of leefgroep.

- daginvulling

- eerste gedachte

- school / werk

- huisgenoten

- verschil “gewoon” gezin

- verblijf in weekend

 

2. Beleving woonplek

- leuk

- niet leuk

- sfeer

- contact huisgenoten

 

3. Uithuisplaatsing

- feiten

- gedachten

- gedrag

- reactie biologische ouders

 

4. Eerste periode huidige woonplek

 

5. Reden uithuisplaatsing

- andere woonplekken

- leeftijd

- verschil andere woonplekken

 

6. Denken aan biologische ouders

- huidig contact

- verandering contact

 

7. Biologisch broertjes en/of zusjes

- huidig contact

- verandering contact

 

8. Gezinsvoogd

- taken

- contact

 

9. Verandering huidige situatie

 

10. Toekomstperspectief

- wonen

- werken

- relatie

- kinderen

 

11. Drie wensen

 

De topiclijst is in de loop van het onderzoek steeds iets gewijzigd. De topiclijst zoals hierboven is weergegeven is zoals die uiteindelijk is geworden Na het vierde interview (het interview met Bas) is er explicieter aandacht gegeven aan het thema ondertoezichtstelling door “de gezinsvoogd” als topic toe te voegen. De subtopics zijn “de taken” van de gezinsvoogd en “het contact”. Verder is “school” toegevoegd als subtopic bij de topic “uitleg pleeggezin, gezinshuis en/of leefgroep”. De topic “reden van uithuisplaatsing” is in de loop van het onderzoek als vijfde op de topiclijst gezet in plaats van als derde. De reden is vaak een moeilijk en ingrijpend verhaal, wat beter iets later in het gesprek aangekaart kan worden tenzij de jongere er zelf eerder over begint.

De betrouwbaarheid van een open interview wordt in dit onderzoek vergroot doordat de interviews geregistreerd worden met behulp van een bandrecorder, zodat de gegevens zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd kunnen worden.

 

3.2.4 Kwalitatieve analyse

 

Kwalitatief onderzoek wordt door Wester en Hak (2003) als volgt gedefinieerd: “kwalitatief onderzoek is een proces van het stapsgewijs opbouwen van een theorie (begrippen en theoretische relaties daartussen) die betrekking heeft op (delen van) de geleefde wereld, waarin bij iedere stap in dat proces opnieuw het vinden van toegang tot de onderzochte wereld en de interpretatie van de daarbij verzamelde gegevens voortkomen uit een reflectie op het tot dan toe opgebouwde inzicht” (p.11). Binnen dit kwalitatief onderzoek worden kwalitatieve analysemethoden gebruikt (’t Hart e.a., 1996). Het doel van de kwalitatieve analyse in dit onderzoek is dus een bepaalde structuur of een bepaald patroon aan te brengen in de verzamelde data en te komen tot een zinvolle ordening. Tijdens het analyseren van de gegevens zullen er categorieën gevormd worden, die telkens aangepast worden naarmate er meer gegevens geanalyseerd zijn. Dit wordt een iteratief proces genoemd (Baarda, e.a, 2001). Deze iteratieve werkwijze draagt bij aan de betrouwbaarheid. Bij het analyseren van de gegevens zullen acht stappen als richtlijn gebruikt worden (Baarda, e.a., 2001). Deze stappen worden hieronder apart beschreven, maar zullen tijdens het analyseproces niet als strikt gescheiden stappen gehanteerd worden (Flick, 1998). 

 

Stap 1: Informatie selecteren op relevantie.

Nadat elk interview op een bandrecorder is opgenomen, heeft de onderzoeker die het interview gedaan had, het interview letterlijk uitgetypt. Wanneer de onderzoeker woorden niet kon verstaan heeft de andere onderzoeker geprobeerd die woorden te ontcijferen. Bij blijvende onduidelijkheid over bepaalde woorden, zijn die woorden met een kleurtje in de tekst van het interview aangegeven. Verder zijn niet alle ja’s van de interviewer, die bedoeld zijn om de respondent te stimuleren om verder te praten en om de respondent te laten horen dat de interviewer actief luistert, uitgetypt. Dit is namelijk niet relevant en zo is er tijd bespaard.

Nadat elke onderzoeker het interview heeft doorgelezen, is bekeken welke informatie irrelevant is. In deze stap is de irrelevante informatie geschrapt. Beide onderzoekers hebben deze stap ieder voor zich uitgevoerd. In de tekst zijn de irrelevante zinnen doorgestreept. Een voorbeeld hiervan is dat een jongere uitlegt waar haar school is: “Nou, dan hoef je alleen naar de stoplichten, daar rechtdoor en dan het bruggetjes over en dan zie je de school liggen”. De vraagstelling en de daarop gebaseerde onderzoeksvragen hebben het uitgangspunt gevormd bij het bepalen van wat relevant is en wat niet. Daarnaast is uiteindelijk bepaald of iets weggestreept moest worden, door te vergelijken wat beide onderzoekers hadden.

 

Stap 2: Relevante tekst opsplitsen in fragmenten.

Ieder fragment moet informatie geven over één onderwerp. Er is in dit onderzoek per regel bekeken of de tekst nog steeds over hetzelfde onderwerp ging. Het fragment is ten einde wanneer het onderwerp van de tekst verandert. In de tekst wordt een fragment aangegeven met gekleurde vlakken. Ook hier hebben de onderzoekers het eerst ieder voor zichzelf gefragmenteerd en daarna is het vergeleken.

 

Stap 3: Het labelen van de tekstfragmenten.

Labelen wil zeggen; de tekstfragmenten van een naam of namen voorzien. Dit vergemakkelijkt het opzoeken.

Omdat de vraagstelling beschrijvend van aard is, gaat het bij het labelen minder om feiten dan om indrukken en ervaringen. Sommige fragmenten gaan dan wel om hetzelfde, maar kunnen toch meer labels krijgen. Er zijn dus stukjes van een fragment gelabeld.

Met labelen is in dit onderzoek zo dicht mogelijk bij de tekst gebleven. Het is dus een zo letterlijk mogelijke weergave van wat er gezegd is. Bij het bepalen van de uiteindelijke labels, hebben de onderzoekers vergeleken wat elke onderzoeker voor zichzelf had bedacht.

 

 

 

Stap 4: Het ordenen en reduceren van de labels.

Het is mogelijk om te kiezen tussen een hiërarchische ordening om het verband duidelijk te maken, een ordening in tijd of een procesordening. Bij de laatste vorm van ordening is er de mogelijkheid om onderscheid te maken tussen labels die betrekking hebben op het proces zelf, op de context of op de intenties.

Er is in dit onderzoek gebruik gemaakt van procesordening. De labels die over hetzelfde onderwerp gaan zijn bij elkaar gezet met als kopje het onderwerp. Deze groepjes labels vormen een dimensie. De onderwerpen zijn zo chronologisch mogelijk onder elkaar gezet.

 

Stap 5: Het vaststellen van de geldigheid van de labeling.

Nadat van het eerste interview een voorlopig labelingssysteem was opgesteld, is die aangepast na feedback van de begeleider. Het is belangrijk om te controleren of dit schema geldig blijft. Nieuwe gegevens worden bij min of meer gelijkwaardige personen, situaties of processen verzameld. Vervolgens hebben de onderzoekers het tweede en derde interview ook van labels voorzien volgens de eerste vier stappen. Op deze nieuwe gegevens is dus een nieuwe labeling toegepast en is gekeken of dit dekkend is.

De labels van de eerste drie interviews zijn vervolgens samengevoegd. De labels behorende bij één respondent zijn met een bepaalde kleur aangegeven, zodat het gemakkelijk terug te vinden is welke labels uit welk interview afkomstig is. Vervolgens zijn interview vier tot en met zeven apart van elkaar gelabeld. Ook deze vier interviews zijn samengevoegd, elk interview met een eigen kleurtje. Daarna zijn de twee labelingssystemen, die van interview één tot en met drie en interview vier tot en met zeven, samengevoegd tot één labelingssysteem.

Bij de analyse van elk volgend interview zijn er een aantal nieuwe labels bijgekomen en een aantal labels zijn gesplitst, samengevoegd en/of weggehaald. Een aantal labels is weggelaten, omdat de betekenis onduidelijk blijkt. Een voorbeeld hiervan is het label “vanaf het begin af aan al zo geweest”. Dit label zegt niks over wat al vanaf het begin af aan zo is geweest en heeft op zichzelf weinig betekenis. Een andere reden om een label weg te laten is, omdat het geen antwoord geeft op de onderzoeksvraag. Het volgende label is weggelaten, omdat het eigenlijk niks met de onderzoeksvragen te maken heeft; “mensen kunnen het zelf niet meer, dus het zal toch iemand voor ze moeten doen”. De labels met betrekking tot het kamertrainingscentrum en het begeleid zelfstandig wonen zijn weggelaten in de uitwerking van de resultaten. Deze werden maar door één respondent genoemd. Bovendien heeft het onderzoek zich beperkt tot het pleeggezin, gezinshuis en de leefgroep.

Naast samenvoegen zijn ook een aantal labels opgesplitst in twee verschillende labels. Een voorbeeld hiervan is het label ”afspraken met mij maken wanneer ik naar mijn moeder ga, een weekend er slapen”. Dit label is uitgesplitst in het label “afspraken met mij maken” en “afspreken wanneer ik weekend bij moeder ga slapen”. Door het uitsplitsen zijn de labels wat korter geworden. Maar er zijn ook labels korter gemaakt. Het korter maken heeft als doel ze overzichtelijker te maken. Dit is gedaan, nadat de eerste zeven interviews gelabeld waren. Wel is steeds zo dicht mogelijk bij de tekst van de respondent gebleven.

Naast het aanpassen van de labels door splitsen, samenvoegen en weghalen, zijn ook een aantal dimensies veranderd. De dimensie “leuke dingen in gezinshuis” is weggelaten en de labels behorende bij deze dimensie zijn ondergebracht bij een andere dimensie. Zo is de label “pretpark” ondergebracht bij de dimensie “beleving gezinshuis” als “naar pretpark is leuk” en de label “paardrijden” bij de dimensie “gezinshuis” als “op paardrijden”.

De geldigheid van de definitieve labeling komt tot uitdrukking in de vraag of die alleen geldt voor de interview- en observatiegegevens op basis waarvan de labeling tot stand is gekomen, of dat de labeling ook geldt voor nieuwe interview- en observatiegegevens.

 

Stap 6: Het definiëren van kernlabels.

Voor iedere kernlabel moet uit de definitie duidelijk worden wat er onder verstaan wordt. Een voorbeeld van een kernlabel is “uithuisplaatsing”. Een kernlabel omvat een aantal dimensies. Onder het kernlabel “uithuisplaatsing” vallen bijvoorbeeld de dimensies “op straat leven”, “reden uithuisplaatsing”, “het uit huis geplaatst worden”en “beleving uithuisplaatsing”. Een kernlabel omvat een aantal dimensies. Het is een soort overkoepelend begrip dus. Dimensies zijn groepjes labels die over hetzelfde onderwerp gaan. Ook hier is geprobeerd zo dicht mogelijk bij de tekst te blijven. Door eerst ieder voor zich een kernlabel te bepalen en die vervolgens te vergelijken, zijn de kernlabels geformuleerd.

 

Stap 7: Het vaststellen van de intersubjectiviteit.

Bij intersubjectiviteit gaat het om de vraag in hoeverre onderzoeksresultaten afhankelijk zijn van toevallige kenmerken van een onderzoeker. In het kader van de vraag naar de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten is het belangrijk om vast te stellen in hoeverre de gevonden resultaten afhankelijk zijn van de persoon van de onderzoeker. Het kan zijn dat de onderzoeker zich bij het interpreteren van het onderzoeksmateriaal sterk heeft laten leiden door zijn eigen ervaringen. De betrouwbaarheid is in dit onderzoek gecontroleerd door steeds alle twee onafhankelijk van elkaar te fragmenteren en te labelen en dat te vergelijken op overeenkomsten.

 

Stap 8: Het beantwoorden van de vraagstelling.

Hier is gekeken welke labels belangrijk zijn bij beantwoording van de vraagstelling.

 

Het proces van de eerste drie hierboven beschreven stappen wordt ook wel open coderen genoemd, stap vier axiaal coderen en de laatste drie stappen selectief coderen. Het open, axiaal en selectief coderen wordt tezamen theoretisch coderen genoemd (Flick, 1998). 

Het analyseren van de gegevens kan handmatig gebeuren of met behulp van het computerprogramma Winmax. De onderzoekers hebben in eerdere onderzoeken ervaring opgedaan met beide vormen van analyse. De voorkeur van beide onderzoekers is om interviews handmatig te analyseren. Deze voorkeur heeft ertoe geleid dat in dit onderzoek ook voor deze methode is gekozen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. Resultaten

 

Voor dit onderzoek hebben de onderzoekers tien onder toezicht gestelde jongeren gesproken over hun uithuisplaatsing. Voordat de resultaten besproken worden, zullen in paragraaf 4.1 eerst alle respondenten aan de lezer voorgesteld worden, zodat de lezer zich een beeld kan vormen van deze jongeren en de resultaten beter zal kunnen plaatsen.

In paragraaf 4.2 wordt de uithuisplaatsing beschreven als één van belangrijkste kenmerken van de onder toezicht gestelde jongeren. Daarbij zullen de reden van uithuisplaatsing, de uithuisplaatsing zelf en de beleving van de uithuisplaatsing van zowel de jongeren als hun ouders aan bod komen.

De jongeren zijn dus uit huis geplaatst en geplaatst in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Die plaatsingen worden beschreven in paragraaf 4.3. Eerst zal de plaatsingsgeschiedenis van de jongeren aan de orde komen. Vervolgens worden per plek de kenmerken en de beleving besproken. Tenslotte zal er ook kort iets over een gastgezin gezegd worden.

De plaatsing brengt allemaal gevoelens met zich mee. Hoe de jongeren zich aan het begin van de plaatsing en in de loop van de plaatsing voelen wordt beschreven in paragraaf 4.4. Ook gevoelens van machteloosheid zullen in die paragraaf aan bod komen.

In paragraaf 4.5 wordt dan bekeken met welke mensen de jongeren door de uithuisplaatsing en de ondertoezichtstelling allemaal contact hebben. Allereerst zijn dat de hulpverleners, namelijk de gezinsvoogd en de pleegzorgwerker. Verder hebben de jongeren contact met de beroepsopvoeders, zij staan een beetje tussen de hulpverleners en de ouders in. Nadat ook de groepsgenootjes en leeftijdsgenootjes aan bod zijn geweest, wordt het contact met het gezin van herkomst beschreven. Zowel het contact met de biologische ouders, als met broertjes en zusjes komt aan de orde.

Wat deze jongeren zoal doen op een dag is te lezen in paragraaf 4.6. Daar wordt ingegaan op de dagelijkse structuur, school, taken, bezigheden en het weekend.

Daarna zal in paragraaf 4.7 stil gestaan worden bij de toekomstverwachtingen van de jongeren. Ook hun wensen zullen beschreven worden in die paragraaf.

De jongeren hebben ook zelf een visie op hoe hun leven verlopen is en op de hulpverlening. Dit zal aan de orde komen in paragraaf 4.8. Dat niet alles naar wens verlopen is, blijkt uit de klachten over de hulpverlening die ook in deze paragraaf aan bod komen.

Tenslotte zal in paragraaf 4.9 afgesloten worden met een aantal belangrijke punten die de jongeren de lezer willen meegeven.

 

4.1 Gezin van herkomst

 

Hieronder worden de tien onder toezicht gestelde jongeren aan de lezer voorgesteld. De jongeren hebben uiteraard een fictieve naam, die zij in de meeste gevallen zelf bedacht hebben.

 

4.1.1 Kim

 

Kim is tijdens het interview ruim zeventien jaar. Zij zit op een school voor praktijkonderwijs. Kim heeft de stoornis ADHD. ADHD is de engelse afkorting voor een aandachtstekort stoornis met hyperactiviteit. Volgens Kim is zij uit huis geplaatst, omdat de kinderrechter vond dat zij niet op tijd naar school ging, niet op tijd eten kreeg en niet op tijd naar bed ging. Toen Kim uit huis geplaatst werd heeft zij in een pleeggezin gewoond. Daar is zij drie keer geweest. Tussendoor woonde ze steeds thuis bij haar ouders. Daarna is zij op een leefgroep geplaatst waar zij vijf jaar gewoond heeft. Nu woont zij al vier jaar op een andere leefgroep en wacht zij tot zij geplaatst kan worden op een leefgroep waar zij leert zelfstandig te worden. Dit noemt zij zelf een “trainingsinstituut”. De ouders van Kim zijn inmiddels gescheiden. Met haar moeder heeft ze niet zoveel contact, haar vader ziet zij om het weekend. Kim heeft drie zusjes, die vroeger ook uit huis geplaatst zijn. Twee zusjes wonen nu op zichzelf. Haar jongste zusje heeft in een tehuis gewoond, maar dat ging niet goed volgens Kim en daarom woont zij nu weer bij haar moeder. Bij haar moeder woont ook een halfzus met twee kleine kinderen.

 

4.1.2 Anet

 

Anet is tijdens het interview bijna veertien jaar. Ze zit in de tweede klas van het VMBO. De ouders van Anet zijn gescheiden en hebben beiden weer een relatie. De problematische relatie tussen Anet en haar stiefmoeder was volgens Anet de belangrijkste reden voor de uithuisplaatsing. Ze kon ook niet bij haar moeder wonen, omdat ze daar mishandeld werd door haar stiefvader. Toen Anet uit huis geplaatst werd is zij in een leefgroep geplaatst. Toen het goed ging mocht zij weer thuis gaan wonen. Het ging thuis echter weer niet goed en daarom werd zij voor de tweede keer op dezelfde leefgroep geplaatst. Daarna is zij naar een andere leefgroep gegaan waar zij drie jaar heeft gewoond. Vervolgens ging zij weer thuis wonen, totdat het thuis voor de derde keer mis ging. Zij is toen op een crisisopvang terecht gekomen en van daar uit ging ze naar een pleeggezin waar ze ruim een half jaar gewoond heeft. Daarna heeft ze nog in een gezinshuis gewoond. Die gezinshuisouders konden het werk niet meer aan en zijn gestopt en zo kwam Anet in haar huidige gezinshuis terecht. Eén keer in de twee weken gaat Anet in het weekend naar een gastgezin. In de andere weekenden gaat zijn naar haar moeder en stiefvader, die ze dus ook één keer in de twee weken ziet. Eén keer in de zes weken gaat Anet naar haar vader en stiefmoeder. Verder heeft Anet drie halfzusjes en twee halfbroertjes, die bij haar vader of moeder wonen.

 

4.1.3 Fernando

 

Fernando woont in hetzelfde gezinshuis als Anet. Hij is een week ouder dan Anet en is tijdens het interview ook bijna veertien jaar. Fernando zit op een ZML school. De ouders van Fernando zijn gescheiden. Fernando woonde bij zijn moeder. Hij heeft, met halfbroertjes en halfzusjes meegerekend, dertien broertjes en zusjes. Twee broertjes en zusjes wonen bij zijn vader, een aantal wonen ook op een leefgroep en een aantal zijn uit huis. Hij heeft ook nog een broer van drieëntwintig, maar die kent hij niet. Fernando werd op zijn elfde door zijn moeder, die verslaafd is aan alcohol, op het politiebureau afgezet. Hij is toen een paar dagen bij zijn vader geweest en van daar uit werd hij op een leefgroep geplaatst. Daarna is hij in het gezinshuis gaan wonen. Fernando heeft geen contact meer met zijn moeder, maar nog wel met zijn vader. Fernando gaat één keer in de twee weken naar een gastgezin. Hij komt daar al tweeëneenhalf jaar. 

 

4.1.4 Bas

 

Bas is tijdens het interview ruim zeventien jaar. Toen Bas elf jaar was is zijn vader overleden. Hij geeft zelf aan dat toen de problemen begonnen zijn. Hij is op zijn veertiende door zijn moeder uit huis gezet. Bas vertelde dat zijn moeder dat had besloten, omdat zijn broer en zus “kapot gingen” aan zijn gedrag. Bas heeft toen ruim een half jaar op straat gezworven. Daarna is hij op een besloten leefgroep terecht gekomen. Vervolgens is hij op een open leefgroep geplaatst. Van daaruit is hij naar een kamer trainingscentrum gegaan. Momenteel woont hij zelfstandig. Hij heeft nog wel een gezinsvoogd die hem kan begeleiden als dat nog nodig is. Bas werkt twee dagen per week in een tapasbar. Hij zoekt nog werk voor de rest van de week. Inmiddels heeft Bas weer contact met zijn moeder. Zijn broer van negentien ziet hij regelmatig, zijn zus van twintig iets minder. Hij heeft ook nog een halfzus van achtentwintig jaar.

 

4.1.5 Marykate

 

Marykate is tijdens het interview ruim zestien jaar. Marykate doet een opleiding in de richting zorg. Ze gaat twee dagen per week naar school en loopt de rest van de week stage in een verzorgingshuis. Over haar thuissituatie vertelde ze dat haar vader aan de alcohol en drugs was. Hij was overdag nooit thuis, hij was altijd in de kroeg. Als haar vader dan ’s avonds thuis kwam dan werden zij, haar broer, zusje en moeder “bont en blauw” geslagen. Ook zou haar vader geprobeerd hebben haar zusje te vermoorden toen zij vijf maanden oud was, door haar over het balkon aan haar beentjes naar beneden te laten hangen. Uiteindelijk heeft haar moeder haar samen met haar broer en zusje meegenomen naar een blijf-van-mijn-lijf huis. Toen haar vader hen daar gevonden had, zijn ze even bij een tante gaan wonen. Daarna is Marykate naar een pleeggezin gegaan, waar ze al sinds haar vierde of vijfde jaar woont. Daar zijn tijdens haar plaatsing ook twee keer andere pleegkinderen geplaatst. De moeder van Marykate is hertrouwd. Marykate heeft nu regelmatig contact met haar moeder en stiefvader. Met haar vader heeft Marykate ook goed contact gehad. Dat was in de periode dat haar vader een nieuwe vriendin had en geen alcohol gebruikte. Toen de relatie tussen vader en die vriendin echter stuk liep, ging het weer mis met haar vader. Nu durft Marykate haar vader nooit meer te vertrouwen. Met haar zusje en broer, die in een ander pleeggezin zaten, ging het niet goed. Haar zusje woont weer bij haar moeder. Marykate ziet haar alleen als zij naar haar moeder toegaat. Haar broer woont op een leefgroep. Marykate spreekt hem wel eens op msn (een chatprogramma op internet).

 

4.1.6 Max

 

Max is tijdens het interview ruim tien jaar. Hij woont in een gezinshuis. Hiervoor heeft hij op een leefgroep gewoond. Hij woont bijna twee jaar in het gezinshuis. Max was vijf jaar toen hij uit huis geplaatst werd. Over de reden van uithuisplaatsing vertelde Max dat hij zijn moeder met een stok sloeg, dingen uit de winkel pikte en met gereedschap de muren kapot maakte. Max vertelde dat hij alleen aan zijn moeder denkt. Hij ziet haar om de vier weken een weekend. Dan gaat hij naar haar toe. Om de twee weken komt zijn moeder in het gezinshuis op bezoek. Met zijn vader heeft hij heel weinig contact. Max heeft een broer en een zus, die beiden samenwonen.

 

4.1.7 Chantal

 

Chantal is tijdens het interview ruim tien jaar en gaat overdag naar school. Zij woont in een pleeggezin. Haar pleeggezin is een netwerkpleeggezin. Zij woont bij haar opa en oma, die ze ook wel aanspreekt met papa en mama. Zij woont al vanaf dat zij een baby is in dit gezin. Hiervoor meent zij in een soort tehuis te hebben gewoond met haar moeder. Helemaal duidelijk wordt dit echter niet. En Chantal vertelde dat ze één keer opgehaald is door haar ouders, omdat zij haar terug wilden hebben. Chantal geeft aan dat zij niet meer thuis kon wonen, omdat haar vader en moeder niet voor haar konden zorgen. Haar moeder is heel erg ziek, maar Chantal weet niet precies wat haar moeder heeft. Wel zegt ze dat haar moeder vroeger thuis werd geslagen en “in een kast werd gestopt”. Ook zegt ze dat haar moeder vaak “rare dingen” doet; zij is bijvoorbeeld een keer van de flat gesprongen, waardoor ze haar rug heeft gebroken. Ook maakt haar moeder soms sneeën in haar arm met een mes. Soms is haar moeder dronken en ze gebruikt soms slaappillen. Haar ouders zijn gescheiden. Om het weekend gaat Chantal naar haar vader, die hertrouwd is en om de maand gaat ze naar haar moeder. Haar moeder heeft een nieuwe relatie en gaat over drie jaar trouwen met volgens Chantal een “hele aardige man” in tegenstelling tot de andere ex-vriendjes van haar moeder wat “allemaal enge mannen” zijn. Chantal heeft een zus die ook in het pleeggezin woont. Haar broertje is als baby overleden. Chantal heeft hem nooit gekend.

 

4.1.8 Beppie

 

Beppie zit op het individueel voorbereidend voortgezet onderwijs (IVVO). Zij is het oudere zusje van Chantal. Beppie is tijdens het interview ruim twaalf jaar en woont dus ook in een netwerkpleeggezin. Zij was twee jaar toen zij bij haar opa en diens vrouw kwam wonen. Een paar dagen voor het interview woonde zij er tien jaar en daarom hebben ze een feestje gehouden. Ook Beppie vertelde dat zij uit huis geplaatst is, omdat haar moeder “een soort ziekte” heeft, maar ze weet niet precies wat. Net als Chantal ziet Beppie haar vader één keer in de twee weken en haar moeder één keer in de maand. Haar broertje is overleden aan een hartafwijking. Ook Beppie heeft hem nooit gekend.

 

4.1.9 Sanne

 

Sanne is tijdens het interview bijna zestien jaar. Zij gaat overdag naar school. Zij woont op een leefgroep waar ze leert zelfstandig te worden. Sanne woont daar bijna drie jaar. Daarvoor heeft ze twee jaar op een andere leefgroep gewoond. Ze heeft ook nog een paar maanden in een pleeggezin gewoond. Dat was nadat ze uit huis geplaatst werd. Ze was toen ongeveer negen jaar. De reden van uithuisplaatsing, die de gezinsvoogd aangaf was dat de moeder van Sanne rust nodig zou hebben. Haar moeder is heel erg ziek geweest, vertelde Sanne en is aan de alcohol en drugs. Haar vader gebruikt ook drugs. Ze zijn volgens Sanne “niet helemaal gezond”. Sanne heeft ongeveer twee jaar geen contact gehad met haar ouders. Een week voor het interview heeft ze haar ouders voor het eerst weer gezien. Ze gaat proberen om haar ouders nu iedere maand een keer te zien. Sanne heeft nog een zusje. Zij woont nog steeds in het pleeggezin waar Sanne na de uithuisplaatsing met haar terecht kwam. Met haar zusje had Sanne regelmatig contact, maar het wordt steeds minder. Verder gaat Sanne regelmatig een weekend naar haar gastgezin.

 

4.1.10 Annemie

 

Annemie is tijdens het interview bijna veertien jaar. Ze zit op de LWO, VMBO, MAVO. Annemie was zeven of acht jaar toen zij uit huis geplaatst werd. Als reden voor haar uithuisplaatsing gaf zij aan: “Omdat ik chagrijnig was en wilde niks doen”. Verder vertelde Annemie dat haar moeder “heel erg lui” is en weinig in het huishouden doet. Ook zouden haar ouders het moeilijk vinden hoe ze een kind moeten opvoeden. Annemie heeft eerst in twee verschillende pleeggezinnen gewoond. Zij woont nu al ruim vijf jaar op een leefgroep. Haar ouders zijn gescheiden. Haar moeder woont in Duitsland en die ziet ze maar heel af en toe, ongeveer drie keer per jaar. Dan ziet ze ook haar zus die bij moeder woont. Annemie ziet haar vader niet meer. In het weekend gaat ze soms naar de opvang, soms naar familie en soms naar haar gastgezin.

 

4.2 Uithuisplaatsing

 

De jongeren uit dit onderzoek zijn allemaal uit huis geplaatst. De meeste jongeren gingen vanuit hun thuissituatie naar een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Alleen Bas niet. Hij heeft ruim een half jaar op straat gewoond, nadat hij door zijn moeder op straat gezet was. Hij had thuis een hoop trammelant, liep de hele tijd weg en had de politie achter hem aan zitten. Bas gaf aan dat zijn moeder zei: “Nu is het genoeg. Je redt jezelf maar. Maar hier kom je er niet meer in”. Zelf wilde Bas ook wel weg, maar “je wil toch wel een dak boven je hoofd hebben”. Over zijn ervaring op straat heeft Bas dus tegenstrijdige gevoelens. Aan de ene kant geeft hij aan dat hij “alle vrijheid” had, maar aan de andere kant vond hij het ook “echt heel lastig”. Hij vertelde: “Je voelt je echt een indringer, overal”.

 

4.2.1 Reden uithuisplaatsing

 

Bij paragraaf 4.1 “gezin van herkomst”, zijn de redenen van de uithuisplaatsingen van de jongeren al kort genoemd. Hier zal dat nog wat nader worden toegelicht. Hoewel de reden van uithuisplaatsing bij alle jongeren heel verschillend is, geven de meeste jongeren een reden aan die te maken heeft met de problemen van hun ouders. De moeder van Chantal en Beppie was ziek en kon daarom niet voor ze zorgen. Ze weten allebei niet goed wat de ziekte van hun moeder is. Bij Kim gaf de kinderrechter een soort gelijke reden, namelijk dat Kim niet op tijd op school was, niet op tijd eten kreeg en niet op tijd naar bed ging. Deze redenen beschrijft Kim zelf als “allemaal van die onzin die helemaal niet waar was”.

Bij Anet, Marykate en Sanne was er sprake van mishandeling. Marykate zegt hier het volgende over: “En 's avonds als die (haar vader) thuis kwam, nou, dan werden we gewoon echt helemaal bont en blauw geslagen. En mijn moeder erbij”.

Marykate “weet nog heel goed dat ze altijd geslagen werd om niks”. Op een gegeven moment ving haar moeder de klappen op voor Marykate, haar zusje en haar broer, omdat ze het te erg vond. Marykate zag dus hoe haar moeder in elkaar geslagen werd. Haar moeder moest daarom op een gegeven moment wel het huis uit. Toen zijn ze met z’n vieren naar een blijf-van-mijn-lijf huis gegaan.

Anet werd misbruikt door haar stiefvader en kon daarom niet bij haar moeder wonen. Ze woonde voor het grootste gedeelte bij haar vader, maar kon ook daar niet blijven. Daarom werd ze uit huis geplaatst. “Ik woonde veel meer bij mijn vader dan bij mijn moeder en ja het ging gewoon niet goed tussen mij en mijn stiefmoeder, dat was eigenlijk ook de reden, de grootste reden. M’n vader was bang om m’n stiefmoeder te verliezen, laat ik het zo zeggen en alles wat ze deed vond m’n vader maar goed en zulke dingen”. 

Bas gaf indirect ook een reden aan in relatie tot zijn ouders. Hij vertelde: “Toen mijn vader overleed zijn de schroeven bij mij doorgeslagen”.  

Alleen Max en Annemie geven aan dat de reden van uithuisplaatsing helemaal bij henzelf ligt. Max vertelde: “Ja dat ik elke keer, ja eigenlijk ging ik elke keer bij mamma een stok tegen haar aanslaan en ook uit de winkel dingen pikken en ook ging ik elke keer met gereedschap de muren kapot maken en dat soort dingen”.

Annemie gaf aan dat zij uit huis geplaatst is “omdat ik chagrijnig was en wilde niks doen”. Fernando kon zich niks herinneren van de reden van uithuisplaatsing. “Ik ging op mijn elfde al het huis uit. Ik heb er geen herinneringen meer aan”. Wel vertelde hij dat hij overgeplaatst werd naar een gezinshuis, omdat hij de leefgroep waar hij woonde “verbouwd” had naar aanleiding van een groepsleiding “die je gewoon sloeg”.

 

4.2.2 Het uit huis geplaatst worden

 

Over de uithuisplaatsing zelf vertellen de jongeren niet zo heel veel. Fernando gaf aan dat hij zich niks van de uithuisplaatsing kan herinneren. Het enige wat hij nog weet is dat hij naar het politiebureau ging. “Daar had mijn moeder mij afgezet”. Daarna is hij nog twee of drie dagen naar zijn vader gegaan en daarna naar de leefgroep. Ook Chantal heeft geen herinneringen meer aan de uithuisplaatsing. Zij was ook nog maar een baby.

De meeste jongeren gaven wel de leeftijd aan waarop zij uit huis geplaatst zijn. Deze leeftijd verschilt erg. Chantal was dus nog een baby en haar zusje Beppie was twee jaar, Marykate was vier of vijf, Max was vijf, Annemie was zeven of acht, Sanne was negen, Fernando elf en Bas veertien. Van de andere jongeren is niet bekend hoe oud zij waren bij de uithuisplaatsing.

Kim geeft aan dat er ten tijde van de uithuisplaatsing veel conflicten waren tussen haar en haar moeder. Ook Sanne vertelde dat haar ouders ruzie hadden op de dag van de uithuisplaatsing. Anet gaf aan dat het allemaal heel snel ging. Ze vertelde het volgende: “Gelijk dezelfde dag toen ik het hoorde moest ik m’n spulletjes, een paar spulletjes pakken die ik graag mee wilde hebben, ja toen werd ik door mijn voogd opgehaald en toen moest ik al gelijk weg. Dus ja ik had geen afscheid van mijn familie kunnen nemen ofzo”. Haar voogd ging dus mee. Ook Marykate, Max en Sanne hebben dat aangegeven. De voogd van Sanne vertelde dat Sanne en haar zusje een weekendje weg gingen. Na het weekendje kwam de voogd op bezoek, vertelde Sanne en zei: “Jullie blijven nog twee weken. Want jullie moeder heeft echt rust nodig. Het gaat nog niet zo goed. Toen zijn we nog twee weken gebleven en sindsdien zijn we daar gewoon blijven hangen. We zijn nooit meer teruggegaan. Want ze heeft niet gezegd dat we uit huis voor altijd zouden gaan”.

Max herinnert zegt het volgende over zijn uithuisplaatsing:“Nou op m’n oude school gingen we zo een kalender maken wanneer ik weg ging, gingen we zo aftellen eigenlijk. En toen werd ik gebracht door mijn moeder en mijn voogd en toen die dag gingen we naar de leefgroep en verder weet ik het niet.

 

4.2.3 Beleving uithuisplaatsing

 

Max heeft heel helder beschreven dat een uithuisplaatsing meestal als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis ervaren wordt. Hij gaf het volgende aan: “Verdrietig, pijn in m’n keel”. Ook zei hij dat hij het eng vond ineens weg te zijn bij zijn moeder. Marykate gaf aan: “Ik vond het wel heel erg natuurlijk”. Ze wilde liever bij haar moeder blijven, maar ze wist dat dat niet ging. Ook Kim vond het heel erg. Zij maakte echter onderscheid tussen haar vader en moeder. Om niet meer bij haar moeder te wonen vond zij niet erg. Sanne gaf aan dat de plaatsing in het pleeggezin, zoals beschreven in de vorige paragraaf, “eigenlijk heel raar” verlopen was. Maar zij gaf ook aan dat zij zich tijdens de plaatsing in het pleeggezin realiseerde dat het thuis niet zo goed ging. Ze vertelde: “Toen kwam ik in dat pleeggezin en toen zag ik, ja hier gaat het wel goed. Wel gewoon gezin. Dus dacht ik van oh ze hebben wel gelijk. Thuis gaat het niet goed. We worden soms wel eens geslagen , krijgen geen eten. Dit dat, toen dacht ik oké, nu snap ik wel waarom we niet naar huis kunnen gaan. Ik denk dat het wel een reden voor heeft gehad.”. 

Ook Bas gaf aan dat hij zelf besefte dat er iets moest gebeuren. Hij zegt hierover: “Maar op een gegeven moment ja moet je toch verder. Dus ben ik er toch maar in mee gegaan zo van oké  dan gaan we dat doen”.

In eerste instantie was zijn reactie dat hij alle schuld afschoof op zijn moeder die hem het huis had uitgezet. Een plaatsing in een leefgroep weigerde hij in het begin ook.

Anet gaf aan dat zij het moeilijk vindt als andere kinderen met hun ouders leuke dingen doen.

Tenslotte gaven Marykate en Chantal ook de reactie aan van hun ouders op de uithuisplaatsing. De moeder van Marykate vond het wel goed dat zij in een normaal pleeggezin zit. In tegenstelling tot de reactie van de moeder van Marykate gaf Chantal aan dat haar moeder verdrietig was en dat haar ouders haar op een bepaald moment weer terug wilden.

 

Kort samengevat kan geconcludeerd worden dat bijna alle uit huis geplaatste jongeren vanuit hun thuissituatie naar een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep zijn gegaan. De reden van uithuisplaatsing had bij de meeste jongeren te maken met problemen van hun ouders. De leeftijd waarop de jongeren uit huis geplaatst zijn varieert van nul tot veertien jaar. Vaak ging het uit huis geplaatst worden gepaard met conflicten en ging de gezinsvoogd mee naar de nieuwe plek. De jongeren hebben de uithuisplaatsing als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis beleefd, ook al realiseerden sommige jongeren zich ook wel dat het thuis niet goed ging.

 

4.3 Plaatsingen jongeren

 

Negen van de tien jongeren die in dit onderzoek geïnterviewd zijn, wonen in een pleeggezin, een gezinshuis of een leefgroep. Alleen Bas woonde tijdens het interview zelfstandig onder begeleiding van zijn gezinsvoogd.

Hieronder zal eerst kort de plaatsingsgeschiedenis van de jongeren beschreven worden. Daarna volgen per plek de kenmerken die de jongeren noemen bij die plek en hun beleving. Bas heeft als enige verteld over een kamertrainingscentrum en het begeleid zelfstandig wonen. Omdat dit onderzoek slechts gericht is op een pleeggezin, een gezinshuis en een leefgroep worden het kamertrainingscentrum en het begeleid zelfstandig wonen buiten beschouwing gelaten. Omdat een aantal jongeren naast een plaatsing in een gezinshuis of een leefgroep een gastgezin hebben, wordt daar aan het eind kort wel iets over gezegd.

 

4.3.1 Plaatsingsgeschiedenis

 

Bijna alle jongeren hebben één of meer overplaatsingen meegemaakt naar een ander soort plek dan hun huidige woonplek. Over het feit dat Kim op veel verschillende plekken heeft gewoond zegt zij het volgende:

Ja niet fijn, je wordt elke keer van hot naar her gesleept”.

Ook Anet benoemt dit. Zij zegt: “Ik ging van plaats naar plaats enzo, dus ik kon eigenlijk niet echt iemand gaan vertrouwen ofzo, omdat ik ja, dan ging ik naar dat huis, dan dit”. 

Alleen Chantal en Beppie hebben niet meerdere plaatsingen meegemaakt. Chantal geeft echter aan dat zij denkt dat zij in een tehuis heeft gewoond met moeder, voordat zij in het pleeggezin ging wonen waar zij nu nog woont met haar zus Beppie. Beppie vertelt hier echter niet over. Chantal weet het ook niet precies meer en geeft het volgende hierover aan: “Daarvoor dacht ik, ik weet het niet zeker, had ik een keertje gehoord van oma, dat wij ook met andere mensen in een soort tehuis hebben wij gezeten”.

Beppie en Chantal wonen al 10 jaar in het pleeggezin. Marykate woont net als Beppie en Chantal ook al lange tijd in een pleegezin. Zij is er rond haar vierde of vijfde jaar komen wonen en woont dus al ruim 11 jaar in het pleeggezin. Marykate is eerst naar een blijf-van-mijn-lijf huis gegaan samen met haar moeder en zusje. Daarna heeft zij eventjes bij een tante gewoond en uiteindelijk is zij bij haar huidige pleeggezin gaan wonen. Ook Kim, Sanne, Anet en Annemie hebben in een pleeggezin gewoond. Kim en Sanne hebben na de pleeggezin plaatsing eerst nog op een andere leefgroep gewoond, voordat zij op hun huidige leefgroep gingen wonen. Anet is na haar pleeggezinplaatsing op een leefgroep gaan wonen, voordat zij in het gezinshuis geplaatst werd. Ook Fernando en Max, die nu in een gezinshuis wonen, hebben eerst op een leefgroep gewoond. Ook Bas heeft op een leefgroep gewoond, nadat hij ruim een half jaar op straat had gezworven en tijdelijk bij zijn zus en vrienden had gewoond. Na de leefgroep is Bas naar een kamertrainingscentrum gegaan, voordat hij begeleid zelfstandig ging wonen.

Globaal kan dus de volgende conclusie getrokken worden; voor de jongeren uit dit onderzoek waarvan de huidige woonsituatie een pleeggezin is, is dat hun enige plaatsing. De jongeren uit het onderzoek die momenteel in een leefgroep wonen, hebben hiervoor een pleeggezin plaatsing gehad. De jongeren die nu in een gezinshuis wonen, hebben voor deze plaatsing in een leefgroep gewoond.

 

4.3.2 Plaatsing in een pleeggezin

 

4.3.2.1 Kenmerken pleeggezin

 

Marykate geeft de volgende uitleg over een pleeggezin: “Je bent door andere mensen in huis genomen om opgevoed te worden. Gewoon om toch een normale opvoeding, ja denk ik, te krijgen. Dat je toch nog zo normaal mogelijk wordt opgenomen als dat niet bij je eigen ouders kan. Niet dat je mishandeld of wat dan ook bent of als slaafje ja gebruikt wordt”.

Sanne omschrijft een pleeggezin iets anders en zegt: “Bij een pleeggezin heb je alleen maar twee mensen, dus dan zie je hun elke keer net zoals een vader en een moeder”.

Er is een verschil tussen het pleeggezin van Beppie en Chantal én het pleeggezin van Marykate. Beppie en Chantal wonen bij hun opa en oma. Zo’n gezin wordt een netwerk pleeggezin genoemd. Marykate woont bij een regulier pleeggezin waar ook nog wel een paar andere pleegkinderen hebben gewoond tegelijk met Marykate. Die andere pleegkinderen sliepen dan bij haar op de kamer.

4.3.2.2 Beleving pleeggezin

 

Er zijn vijf jongeren die iets verteld hebben over hun beleving van het pleeggezin waar zij gewoond hebben. De meeste jongeren zijn over het algemeen positief over het pleeggezin. Marykate geeft aan het pleeggezin gezellig te vinden, net als Chantal. Verder vinden zij het leuk om in het pleeggezin te wonen. Beppie en Annemie geven dit ook aan. Beppie vertelt dat ze “geluk” heeft dat ze bij familie woont. Over het wonen in een pleeggezin zegt ze: “Het is eigenlijk net als je bij je eigen ouders woont, vind ik”. Marykate zegt hierover het volgende: “Dat ik toch wel als eigen kind behandeld wordt, wel. Het is niet echt zo van ja, jij bent een pleegkind, dus jij bent, jou laten we buiten, weet je wel. Een beetje buitenbeentje. Dat gevoel heb ik nooit. Nee. Hun familie beschouwen me allemaal wel als familie”.

Marykate ziet toch ook verschillen tussen haar eigen gezin en het pleeggezin. In een pleeggezin zijn volgens haar meer regels. De radio hard zetten is iets wat bij haar moeder wel kan, maar in het pleeggezin niet. Na een bezoek aan moeder, moest Marykate zich dan ook weer aanpassen aan het pleeggezin en dat vond ze “een ramp”. Verder geeft Marykate aan dat het druk is in het pleeggezin. Aan de ene kant vindt ze dat niet erg, omdat ze zelf ook druk is. Aan de andere kant vindt ze het ook wel lastig. Annemie is ook wat tegenstrijdig over haar beleving. Hoewel ze aangeeft het pleeggezin leuk te vinden, zegt ze ook dat ze niks meer weet van het pleeggezin en het met verschillende dingen moeilijk had. Dat laatste geeft Sanne ook aan. Zij is als enige uitgesproken negatief over een pleeggezin. Ze geeft als reden: “Ik vind het best wel moeilijk om met twee mensen die je elke dag ziet een band op te maken”. Verder geeft ze aan dat zij het gevoel had, dat ze niet kon doen wat ze wilde doen.

 

4.3.3 Plaatsing in een gezinshuis

 

4.3.3.1 Kenmerken gezinshuis

 

In een gezinshuis wonen gezinshuisouders met een aantal pleegkinderen en eventueel hun eigen kinderen. In dit onderzoek hadden de gezinshuizen zes of zeven pleegkinderen. Er zijn dus “twee vaste mensen” zoals Fernando aangeeft, of zoals Max zegt: “altijd dezelfde gezinshuisouders”. Dat is anders dan in een leefgroep. Een ander verschil tussen gezinshuisouders en groepsleiding van een leefgroep geeft Fernando als volgt aan: “En, dan ga je bijvoorbeeld naar school, en die mensen werken dan nog gewoon door, zijn niet, die groepsleiders die kunnen dan misschien even met z’n allen koffie drinken of zo. Dat doen de meeste wel die werken, die gaan dan koffie drinken met z’n allen. Maar, dat kunnen zij niet. Werken gaat gewoon door”. 

Anet vertelt dat de gezinshuisouders één keer in de twee weken “een vrij weekend” hebben. In zo’n weekend gaan de pleegkinderen naar de opvang of naar een gastgezin. Verder geeft zij aan dat iedereen zijn eigen kamer heeft en dat er met elkaar gesproken wordt over de toekomst. Fernando vertelt dat er een voetbalclub is op het terrein, maar hij zit op “een buitenclub”. Max zit op paardrijden en verzorgt dieren in het gezinshuis. Hij geeft aan dat er bepaalde regels zijn in het gezinshuis. Hij moet bijvoorbeeld vragen of hij buiten of boven op zijn kamer mag spelen, een snoepje mag of beneden muziek aan mag zetten. 

 

4.3.3.2 Beleving gezinshuis

 

Hoewel Max moest wennen aan de gezinshuisouders, vindt hij elke keer dezelfde gezinshuisouders fijner dan de wisselende leiding van een leefgroep. Ook Fernando vindt dat. Hij geeft de volgende reden: “Want dan ging je ze toch een beetje tegen elkaar uitspelen, de leidings. En nu heb je zo van dit is dan de regel en klaar. Je moet wel weten wat de grenzen zijn. Je moet zelfstandig zijn. Want als je niet zelfstandig bent, ja dan kun je niet ver komen in het gezinshuis”. 

Anet geeft aan dat zij het heel fijn vindt in het gezinshuis. Zij heeft het er goed naar haar zin. Het is er gezellig. Ook hebben de jongeren met een eigen kamer “nog een stukje wat privé is. Ja als je je niet goed voelt of als je niet lekker in je vel zit kan je je even terugtrekken. Dat is wel heel fijn”. Verder geeft Anet aan: “Het gaat gewoon eigenlijk z’n gangetjes, net als gewoon een gezin”. Ook Fernando geeft dit aan: “Je hebt eigenlijk gewoon een normaal leventje”.

Toch ziet Anet ook verschillen met een ‘gewoon’ gezin. Het verschil is volgens haar “de liefde van je ouders, want ja hier verzorgen ze je, hier proberen ze je op het rechte pad te leiden naar je toekomst en bij je ouders is dat niet zo heel serieus zoals hier. En ja hier heb je wel een soort liefde, maar niet echt de liefde die je hebt van je ouders”.

Als leuke dingen noemen Anet, Fernando en Max de omgang met de andere kinderen in het gezinshuis. Max noemt ook nog bakken, timmeren, trampoline springen, buiten spelen, naar pretpark of vakantiehuisje gaan als leuke dingen. Hierdoor heeft hij “een klein beetje plezier”. Hij vindt het niet leuk “dat je als je vol zit, dat je moet nog door eten”.

 

 

4.3.4. Plaatsing in een leefgroep

 

4.3.4.1 Kenmerken leefgroep

 

Bas heeft uitgelegd dat er verschillende soorten leefgroepen zijn. Hij maakt een onderscheid tussen een gesloten, besloten en open leefgroep. De belangrijkste kenmerken van een gesloten leefgroep zijn dat er een groot hek staat om de leefgroep “waar je dus niet uit kan” en “in gesloten mag je dus gewoon helemaal niks”. Bij een besloten leefgroep zijn er geen “tien meter hekken” om de groep heen, maar “een hekje van een meter”. Er leven acht jongeren in een huis op een terrein waar je niet af mag. Tenslotte de open leefgroep. Deze leefgroep is “veel opener gewoon. Veel meer vrijheden. Om stukje bij beetje, moet je je vrijheid weer verdienen”. Er zijn lijsten waarop staat aangegeven welke vrijheid bij welke fase hoort.

Dat er verschillende groepsleiders zijn in een leefgroep kan wel als belangrijkste kenmerk genoemd worden. Max vertelde dat er op een leefgroep veel meer mensen zijn. “Toen kwam er elke andere dag iemand slapen”. Ook maken de jongeren veel meer verschillende kinderen mee in een leefgroep, dan bijvoorbeeld in een gezinshuis. Anet zegt dan ook dat “daar in een kindertehuis, daar gaan telkens mensen weg, kinderen, zulke dingen en ja hier ben je toch telkens bij elkaar, minstens sowieso een jaar ofzo”.

Daarnaast vertellen de jongeren veel over de regels die er allemaal zijn. Dat regels nodig zijn op een groep waar zes of zeven jongeren wonen geeft Sanne aan in haar volgende uitspraak: “Ja ik denk dat er heel veel regeltjes zijn, omdat je je elke keer moet aanpassen aan andere kinderen die hier ook wonen hè”. 

Kim geeft bijvoorbeeld de volgende regels aan “tussen half vier en vier bellen als je beldag hebt en om half zes moet je thuis zijn, want dan staat het eten klaar”. Max vertelt dat op de leefgroep de groepsleiding “om een uur zeggen wat je gaat doen”.

Sanne geeft aan dat het wonen op een leefgroep anders is dan thuis wonen. “Want thuis kan je een uitzondering maken. Thuis kan je gewoon drinken pakken uit de koelkast of euhm weet ik veel zomaar iemand langs laten komen zonder af te spreken of zeggen mam, ik ga nu even weg, ben over een half uurtje terug. En zo kan het hier niet echt. Je moet wel echt even afspreken van waar gaan je dan naar toe, en hoe laat kom je dan terug, en euhm je moet altijd vragen of je wat wil drinken, mag pakken ofzo, vragen of iemand langs mag komen en dat moet je wel een paar dagen van te voren afspreken enzo. Het zijn wel echt dingen waar je, echt veel regels. Dat is wel vervelend, vind ik zelf”.

Annemie noemt ook verschillen tussen thuis en de leefgroep, maar bij haar komt de leefgroep er juist beter van af dan thuis; “Thuis is heel erg streng, eerder naar bed en thuis is wat moeilijker leren dan hier”.

In sommige leefgroepen is het mogelijk dat jongeren leren zelfstandig te worden. Dat wordt meestal opgebouwd in verschillende fases. Sanne geeft aan dat zij zich door het leren zelfstandig worden minder aan de regels hoeft te houden. Zij moet bijvoorbeeld één keer in de week zelf koken en wassen. Ook krijgt ze kleedgeld, zakgeld en hygiëne geld. Naast het leren van deze meer praktische zaken met betrekking tot zelfstandigheid, worden er in een leefgroep ook andere dingen geleerd aan de jongeren. Annemie geeft aan dat zij leert “hoe ik moet omgaan met koppig zijn en boos zijn” door erover te praten.

Ook straf wordt door een aantal jongeren genoemd. De straffen die genoemd worden, zijn onder andere een taak doen, naar je kamer, naar het halletje en naar de stoeikamer. Bij Annemie op de groep wordt er elke avond een groepsgesprek gehouden. De jongeren moet iets positiefs en iets negatiefs van zichzelf zeggen en iets vertellen over “schelden, vloeken en dreigen”. Hier kun je acht punten mee verdienen. Als je “je fout gedraagt” gaat er een punt vanaf. Als beloning voor de behaalde punten, krijg je “gewoon een koekje of weet ik het”.

Sommige jongeren gaan in het weekend naar een gastgezin. Op sommige leefgroepen heeft men een opvang voor de jongeren die niet van de groep weg gaan. Dan zitten jongeren van verschillende groepen samen op één groep.

 

4.3.4.2 Beleving leefgroep

 

In paragraaf 4.3.3.2 over de beleving van een gezinshuis staat aangegeven dat een aantal jongeren het fijner vindt dat er bij een gezinshuis twee vaste mensen zijn en niet steeds wisselende groepsleiding zoals op een leefgroep. Sanne geeft echter aan dat zij wisselende leiding juist prettig vindt. “Als ik ruzie heb met één leiding komt de volgende dag een andere leiding, dus dan heb ik een beetje rust en kunnen we er over nadenken en de volgende keer als die weer terug komt kunnen we erover praten”.

Zoals bij de kenmerken al beschreven is, gelden er op een leefgroep “heel veel regeltjes”. De meeste jongeren hebben daar veel moeite mee. Kim zegt bijvoorbeeld “hier hou ik het niet uit. Ik vind het gewoon te streng”. Sanne geeft ook aan dat ze veel regels “vervelend” vindt. Per leefgroep is het wel verschillend hoe ze omgaan met regels. Sanne geeft aan dat de regels op haar eerste leefgroep “niet zo heel erg streng” waren. Andere verschillen tussen leefgroepen, die Sanne aangeeft hebben onder andere te maken met de grootte van het gebouw en de mensen die er werken. Ook Kim ervaart verschillende leefgroepen anders.

De beleving van de leefgroep verschilt per jongere. Annemie geeft bijvoorbeeld aan dat de leefgroep heel leuk is en dat het “toch je thuis” is. “Hier is het gewoon, ja ook wel even wennen, maar voor de rest is het gewoon normaal, als, ook als we thuis wonen”. Daarnaast gaf zij aan dat zij de leefgroep wel leuker vindt dat thuis. Kim geeft daarentegen aan dat ze zich op de leefgroep niet op haar gemak voelt. Zij zou ook graag wat veranderen in een leefgroep. Dat geeft zij als volgt aan: “Meer sfeer in de groep, ja niet het tehuis gevoel, meer echt gewoon, dat je in een normaal huis woont, niet in een tehuis. Dat je gevoeld hebt, dat je weet dat je in een tehuis woont, maar niet dat je het gevoel heb, van dit moet zo, dat moet zo, zoiets niet”.

Ook Bas is, in eerste instantie, negatief over een leefgroep. Hij doelt met name op een gesloten leefgroep.

Over de mogelijkheden om te kunnen leren wordt door de jongeren ook verschillend gedacht. Hoewel Kim aangeeft dat ze op de leefgroep gewoon niet kan leren om met haar gedrag om te gaan, zegt Annemie dat ze in een tehuis meer kan leren. Zoals in paragraaf 4.3.4.1 al is gezegd leert Annemie is de leefgroep omgaan met koppig en boos zijn. Ook worden er groepsgesprekken gehouden vanwege de “rommel op de groep”, zoals “niet luisteren, brutaal doen en weet ik het”. Aansluitend op dit gedrag kan de uitspraak van Anet genoemd worden over kinderen uit een leefgroep. Zij gaf aan dat “je ziet dat die kinderen veel agressiever zijn dan de kinderen die uit een gezinshuis komen”.

 

4.3.5 Gastgezin

 

Zoals hierboven al genoemd is hebben een aantal jongeren naast een plaatsing in een gezinshuis of een leefgroep een gastgezin. Zo’n gastgezin wordt ook wel weekendgezin genoemd. De drie jongeren, Fernando, Annemie en Sanne, die af en toe naar hun gastgezin gaan, geven alledrie aan het fijn of leuk te vinden in het gastgezin. Sanne geeft het verschil aan in hoe zij het gastgezin beleeft en het pleeggezin. “Ik heb een gastgezin. En daar ga ik bijna elk weekend naar toe. Ik denk omdat dat weekendgezin, die mensen laten mij, het verschil van de mensen hoor. Want dit weekendgezin, die mensen zijn die laten mij altijd heel rustig in m’n waarde enzo en ik praat sowieso niet zo heel veel, en als ik niet praat vinden ze niet erg ofzo. Of ik kan wel doen wat ik wil, laat maar zeggen. En bij het pleeggezin had ik niet zo het gevoel dat ik kon doen wat ik wou doen. Verder geeft Sanne nog aan dat ze het weekendgezin kan zien wanneer ze wil. “Als ik bijvoorbeeld een keer een weekend niet wil, ga ik gewoon niet”.

 

Samenvattend kan het volgende gezegd worden; bijna alle jongeren die in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep wonen, hebben één of meer overplaatsingen meegemaakt naar een andere plek. Een pleeggezin lijkt qua samenstelling het meest op een “gewoon” gezin; er zijn twee verzorgers, hun eigen kinderen en meestal één of twee pleegkinderen. Wel zijn er vaak meer regels dan thuis. De meeste jongeren zijn erg positief over hun verblijf in het pleeggezin. Voor een aantal jongeren is het echter moeilijk om een relatie aan te gaan met de pleegouders. Na een pleeggezin lijkt een gezinshuis qua samenstelling het meest op een “gewoon” gezin. Het grootste verschil met een gewoon gezin is dat je niet de liefde van je ouders hebt. In een gezinshuis wonen twee verzorgers met hun eigen kinderen en ongeveer zes of zeven pleegkinderen. Ook in een gezinshuis zijn bepaalde regels waar de jongeren zich aan moeten houden. Eén keer in de twee weken gaan de jongeren uit een gezinshuis naar een gastgezin. De jongeren die in een gezinshuis wonen zijn ook erg positief over hun verblijf in het gezinshuis. Tenslotte is er nog de leefgroep. Het grootste verschil met het pleeggezin en het gezinshuis is dat er op een leefgroep elke dag andere verzorgers zijn. Dit vinden de meeste jongeren minder fijn dan twee vaste verzorgers. Jongeren die moeite hebben met het aangaan van relaties, geven echter de voorkeur aan wisselende groepsleiding. Verder maken de jongeren op een leefgroep over het algemeen meer wisselingen van groepsgenootjes mee. De regels op een leefgroep worden door de jongeren explicieter genoemd. De meeste jongeren hebben moeite met deze regels. Ook jongeren die op een leefgroep wonen gaan soms naar een gastgezin. De jongeren die naar een gastgezin gaan, zijn hier erg positief over.

 

4.4 Gevoelens

 

Uiteraard spelen gevoelens een belangrijke rol bij een uithuisplaatsing. De gevoelens zijn niet altijd hetzelfde, maar veranderen gedurende de plaatsing. Hieronder zullen eerst de gevoelens van de uit huis geplaatste jongeren beschreven worden die zij aan het begin van de plaatsing hadden. In de tweede paragraaf komen de gevoelens aan de orde die de jongeren in de loop van de plaatsing hebben ervaren. De laatste paragraaf zal gaan over gevoelens van machteloosheid.

 

 

4.4.1 Gevoelens jongeren begin plaatsing

 

De gevoelens die uit huis geplaatste jongeren aan het begin van de plaatsing in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep hebben, zijn heel divers en tegenstrijdig. Ter illustratie een stukje uit het interview met Kim, waarin zij uitlegt hoe zij het vond toen zij net op de leefgroep kwam wonen: “Nou ik was verlegen en ik durfde niks. Ik was heel kwaad en echt iedereen kon me niks schelen. Ik was echt kwaad op alle leiding. In het begin vond ik het nog wel leuk”. En over de beginperiode van haar huidige leefgroep vertelde zij: “Het eerste jaar vond ik het echt een hele leuke groep waar ik woonde”. 

Ook Max en Fernando gaven aan dat zij de plaatsing in het gezinshuis in het begin leuk vonden. Als reden gaf Fernando het volgende aan: “Toch dichterbij dan normaal wel. Ik had verwacht dat ik verder zou komen. Verder weg, verder weg van huis. Ja, leuk. Voor de rest was er niks raar, ik kende het terrein al, toch makkelijk”.

Anderen, zoals Anet, vonden het niet leuk. Anet vertelde: “Eerst vond ik het dus helemaal niet leuk hier, omdat ja toch, toen zaten er kinderen hier op de groep die ik echt niet mocht”.

Annemie gaf aan dat zij aan het begin wel even moest wennen aan het wonen op de leefgroep. Ook Bas moest wennen op de leefgroep nadat hij ruim een half jaar op straat gezworven had. “Dat is echt ineens heel vreemd. Hier heb je dan alle vrijheid en daar zit je ineens gewoon vast. Wennen en het is ook best wel eng. Ik bedoel de jongeren zitten er allemaal ik weet niet hoe lang al. Je komt er als nieuw persoon in één keer binnenlopen”.

Zowel Anet als Bas geven dus vooral het contact met groepsgenoten aan. Ook Fernando noemde dat, ook al kende hij een aantal groepsgenoten al.

 

4.4.2 Gevoelens jongere in de loop van de plaatsing

 

In de loop van de plaatsing veranderde bij een aantal jongeren hun gevoel. Kim vertelde: “Alleen steeds minder leuk begon ik het te vinden enzo. Ja, omdat je raakt meer bewoners kwijt. Echt iedereen zie je weggaan en dan kom je weer in een nieuwe groep en dat is gewoon niet fijn”. En over haar huidige leefgroep gaf Kim het volgende aan: “Toen werden de groepjes veranderd en toen begon ik het helemaal te haten, vond ik het echt niet meer leuk enzo”. Ook Max gaf ook aan dat hij het niet leuk vond. “Na die tijd, toen ik wel gewend was, vond ik het niet leuk”. Andere jongeren vonden het wel leuk in de loop van de plaatsing. Anet zei hierover: “Op een gegeven moment vond ik het steeds leuker hier”.

 

4.4.3 Gevoelens van machteloosheid

 

In de verhalen van een aantal jongeren kwam het thema van machteloosheid aan de orde, zoals blijkt uit de volgende uitspraak van Kim: “Ja, ik heb niks in te brengen. Zo had ik ook eigenlijk helemaal geen zin om naar de kerstviering te gaan. Ik moest mee. Ik zeg zo, ik wil toch niet mee, ik ben bijna achttien jaar. Ja dat kan niet, dit en dat, zus en zo”. Een ander voorbeeld wat zij aangeeft heeft te maken met het feit dat de groepsleiding de kleur verf uitkiest voor de muren van de leefgroep. Ook over het ophangen van dingen aan de muur blijkt de afhankelijkheid van de groepsleiding: “Dan moet je wel weer een uur wachten tot er weer een leiding tijd heeft om een spijker in de muur te slaan ofzo”.

Sommige jongeren gaan zich er actief tegen verzetten. Kim geeft aan dat zij blijft doorgaan tot de dingen geregeld zijn. Zij zei: “Ik dacht, nou laat maar zitten, ik ga niet in discussie, ik regel het zelf wel”.

Anderen leggen zich erbij neer. Marykate ziet haar broer en zusje heel weinig. Zei gaf aan: “Ik heb best wel slecht contact met ze. Dat vind ik wel heel jammer. Maar ja het is nou gewoon eenmaal zo. En dat zal ook altijd zo blijven”.

Ondanks de hierboven beschreven gevoelens van machteloosheid door de afhankelijkheid van bijvoorbeeld de groepsleiding, gaven de jongeren ook een aantal punten aan waarop ze wel invloed hebben gehad. Anet vertelde dat ze nadat ze een poosje in het gezinshuis had gewoond kon beslissen of ze er wel of niet ging wonen. Op de vraag of ze dat dan zelf kon beslissen, vertelde zij het volgende: “Nee, kijk als ik, ja ik denk aan de ene kant misschien ook wel. Want als ik het hier niet leuk zou hebben gevonden en misschien ergens anders een plekje was, dat ze het daar hadden kunnen proberen of daar misschien nog een plekje voor mij was, maar dat was gelukkig bij mij niet zo”.

Tenslotte vertelde Kim nog dat ze voor elkaar had gekregen dat er iets in haar behandelplan veranderd is en dat de groep een nieuwe computer had gekregen. Maar zegt Kim: “Dat is het enige punt wat wij voor elkaar hebben gekregen”.

 

Kortom, de gevoelens van uit huis geplaatste jongeren aan het begin van de plaatsing in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep, zijn heel divers en tegenstrijdig. Jongeren gaven bijvoorbeeld aan dat ze kwaad waren, verlegen waren, dat ze het leuk vonden of dat ze het vreemd vonden. Een aantal jongeren moeten erg wennen, met name aan het contact met groepsgenootjes. In de loop van de plaatsing veranderen de gevoelens van de jongeren, maar ze blijven heel verschillend. Na gewenning vinden sommige jongeren het wel leuk, anderen niet. Wat wel overeenkomt zijn gevoelens van machteloosheid die de meeste jongeren ervaren tijdens hun verblijf in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. De jongeren zijn afhankelijk van de volwassenen om hen heen en hebben niet altijd zelf iets in te brengen. Sommige jongeren verzetten zich er actief tegen, anderen leggen zich erbij neer.

 

4.5 Contact jongere

 

4.5.1 Hechting

 

Uit huis geplaatste jongeren hebben vaak andere en veel meer wisselende contacten dan jongeren die thuis bij hun ouders wonen. De jongeren die geïnterviewd zijn, hebben naast de gangbare contacten nog te maken met hulpverleners, beroepsopvoeders en groepsgenootjes. Ook is het contact met het gezin van herkomst vaak anders dan bij de meeste jongeren. Uit huis geplaatste jongeren wonen immers niet meer thuis bij hun ouders. Door al deze verschillende contacten verloopt het aangaan van een hechtingsrelatie bij deze jongeren soms moeizaam.

Kim geeft aan “geen zussenband” te hebben met haar biologische zus. Toen Kim uit huis geplaatst werd, werd ze gescheiden van haar zus. Later kwamen ze in dezelfde leefgroep terecht. Maar daar werden ze na een tijdje weer gescheiden. Kim en haar zus vonden dit erg moeilijk. Kim zei: “Eigenlijk probeerde ik een band op te bouwen met mijn zus en als je weer weggetrokken wordt gaat dat niet”.

Doordat uit huis geplaatste kinderen zoveel meemaken is het dus voor sommige kinderen moeilijk om nog een hechtingsrelatie met mensen aan te gaan. Anet zegt dan ook dat het aan de jongeren zelf ligt welke plek voor hen het geschiktst is. Ik denk dat andere kinderen het fijn vinden om in een kindertehuis, laten we het zo zeggen, te wonen, dan in een gezinshuis, omdat misschien een gezinshuis te veel voor hun is en dat ze gewoon, ja ook in hun gedrag enzo, dat het niet goed voor hun is”. 

Anet vindt het zelf fijner om in een gezinshuis te wonen dan op een leefgroep. In een  gezinshuis heb je twee vaste mensen. Dat vindt zij veel “vertrouwelijker. In de leefgroep kon ze niet goed praten met de begeleiders, doordat er zoveel wisselingen waren. Ook vond ze het daar moeilijk dat als je als aan een jongen of meisje gehecht bent, dat die dan weggaat.

Ook in een pleeggezin zijn er twee vaste mensen. Beppie geeft aan helemaal gehecht te zijn aan haar pleegouders. Sanne geeft juist aan dat ze “niet zo goed met mensen zo’n band krijgen die dan voor altijd voor mij moeten zorgen”. Zij vindt een leefgroep dan ook fijner dan een pleeggezin.

4.5.2 Hulpverleners

 

4.5.2.1 Gezinsvoogd

 

Een gezinsvoogd is onlosmakelijk verbonden aan een ondertoezichtstelling. Elke geïnterviewde jongere had dan ook te maken met een gezinsvoogd. De meeste jongeren gaven aan sinds hun onder toezicht stelling al meer gezinsvoogden te hebben gehad. Sanne heeft drie gezinsvoogden gehad: “Ik had eerst tot mijn negende een gezinsvoogd. Maar die is toen weggegaan, want die vrouw had teveel kinderen ofzo. Toen kreeg ik er nog eentje, een invaller volgens mij, ik weet niet. Een vrouw. Ik weet niet meer hoe ze heet. En toen kreeg ik daarna J. Die heb ik nu ook wel vier of vijf jaar denk ik ongeveer”.

Max, Chantal en Annemie geven aan dat gezinsvoogden vaak dingen komen bespreken, ofwel met hun zelf of met hun gezinshuisouders, pleegouders of biologische ouders. Afspraken tussen de jongeren en hun biologische ouders worden vaak gemaakt door de gezinsvoogd.

Bas noemde een aantal punten die hij niet goed vindt in het contact tussen jongeren en hun gezinsvoogd. Sommige punten hebben betrekking op de relatie tussen hem en zijn gezinsvoogd en andere punten op de relatie tussen jongeren en hun gezinsvoogd in het algemeen. Bas vindt dat er te weinig contact is voor jongeren en dat het contact opener moet zijn. Hij spreekt zelf zijn gezinsvoogd heel soms. Ook vindt hij dat bij ziekte van zijn gezinsvoogd dit beter doorgegeven moet worden. Er wordt niet doorgegeven bij wie hij dan terecht kan. Verder vindt hij dat zijn gezinsvoogd veel te veel jongeren in zijn of haar caseload heeft. Bas vraagt zich dan ook het volgende af: “Hoe kun je er dan voor de jongere zijn? Ik bedoel als er ineens met allemaal wat gebeurt dan, je kunt er maar voor één iemand zijn”. 

In overeenstemming met Bas, zegt Sanne ook dat ze haar gezinsvoogd bijna nooit ziet. Maar daarbij zegt ze dat ze het wel goed vindt zo en dat ze geen redenen heeft om hem vaker te zien. Dat is voor haar niet belangrijk. Ze vindt het wel leuk dat hij altijd taart komt eten op haar verjaardag. “De meeste voogden doen dat niet zo snel”.

Marykate geeft aan dat het contact met haar vorige gezinsvoogd heel slecht was, maar dat degene die ze nu heeft wel goed is. De vorige gezinsvoogd zag ze heel weinig en kende ze daarom ook niet goed. Ze zegt daarover: “Nou, zo iemand ken ik helemaal niet, dus dan ga ik heus niet met mijn problemen daar naar toe”. De gezinsvoogd die ze nu heeft ziet ze om de paar weken en kan ze daarom ook eerder in vertrouwen nemen. Chantal zegt dat ze het lastig vindt als gezinsvoogden stoppen, omdat je dan allemaal weer nieuwe afspraken moet maken. Maar ook zij vindt dat het de laatste tijd heel goed gaat.

 

4.5.2.2 Pleegzorgwerker

 

De jongeren die in een pleeggezin wonen (of hebben gewoond), hebben allemaal ook te maken (gehad) met een pleegzorgwerker. Dat is een maatschappelijk werker van een voorziening voor pleegzorg, die met name de pleegouders begeleidt in de opvang, verzorging en opvoeding van het pleegkind. Chantal gaf dat ook aan: “Die is meer voor hun (pleegouders)”. Maar een pleegzorgwerker heeft ook contact met de jongeren zelf. Marykate geeft dat bijvoorbeeld aan: “Ze komt ook met mij praten, maar ook wel met A. en J. (haar pleegouders) dan. Ik ken haar al een tijdje, al een jaartje. En ze komt hier gewoon heel regelmatig enzo.  

Verder is de pleegzorgwerker er ook om afspraken te maken over het contact tussen de jongeren en hun ouders. Marykate geeft aan dat zij met haar pleegzorgwerker zou kunnen bespreken of het mogelijk is haar broer en zusje vaker te zien. Naast het maken van afspraken over het contact met ouders, begeleidt de pleegzorgwerker in bepaalde gevallen ook het contact. Chantal vertelt dat haar pleegzorgwerker een keer is mee geweest naar haar moeder. En Bas vertelde: Zelf hebben we ook een maatschappelijk werker gehad, die ook met mijn moeder en met mij om de tafel ging zitten zo van hoe gaan we weer dit contact verbeteren. Op dat moment kreeg ik dus ook van je mag een weekend naar huis en dat soort dingen. Van hoe dat dan weer gaat en op die manier vanuit daar is het ja, zeker na een jaar een heel stuk verbeterd”.

 

4.5.3 Beroepsopvoeders

 

4.5.3.1 Pleegouders    

 

Marykate, Chantal en Beppie zaten alledrie op het moment van het interview in een pleeggezin en hadden dus ook pleegouders. Van de andere jongeren hebben Anet, Annemie, Sanne en Kim tijdelijk in een pleeggezin gezeten. Chantal en Beppie wonen bij hun opa en oma. Chantal noemt hen vaak papa en mama en Beppie noemt ze opa en oma. Chantal geeft aan dat het contact tussen opa en oma en Beppie en Chantal wel goed is. Doordat Chantal al als baby bij opa en oma is gekomen dacht ze dat haar opa en oma haar ouders waren. “Ja, vroeger, als ik, ja, ik wist ook gewoon niet beter dan dat ik bij mijn echte ouders was”.

Net als Chantal en Beppie woont Marykate ook sinds langere tijd bij haar pleegouders. Ze geeft aan dat haar pleegouders het beste voor haar willen. Ook zegt ze daarbij dat ze willen dat het “nog goed overkomt” voor haar biologische moeder. Marykate vind het niet leuk dat ze soms ruzie heeft met haar pleegouders, maar relativeert dit door te zeggen dat iedereen wel eens ruzie heeft met zijn ouders. Ze heeft bijvoorbeeld ruzie over te laat thuis komen, te korte topjes in de winter en verkeerde dingen doen. Maar Marykate geeft ook aan dat ze echt steun van haar pleegouders krijgt en dat ze dat heel lief vindt. Haar pleegouders merken het als ze zich rot voelt. Aan de andere kant merkt Marykate het ook goed als haar pleegouders niet lekker in hun vel zitten. Marykate weet dan dat ze rustiger moet doen en gaat dan vaak naar boven. Als Marykate naar haar eigen moeder is geweest vinden haar pleegouders haar anders en hebben ze heel erg het gevoel dat ze haar moeten corrigeren. Ook heeft Marykate zelf het gevoel dat ze zich daarna weer moet aanpassen aan het pleegouders.

Sanne heeft tijdelijk in een pleeggezin gezeten, toen ze net uit huis geplaatst was. Ze geeft aan dat ze het moeilijk vindt om met twee mensen, die je elke dag ziet, een band op te bouwen. Ze is er heel duidelijk in dat een pleeggezin niks voor haar is. “Ik hou sowieso niet van een pleeggezin. Vind ik niks aan, vind ik niet echt leuk. Kan ik niet zo goed euh, niet zo goed met mensen zo’n band krijgen, die dan voor altijd voor mij moeten zorgen. Dat kan ik niet echt.

 

4.5.3.2 Gezinshuisouders

 

Net zoals je in een pleeggezin met pleegouders te maken hebt, heb je in een gezinshuis met gezinshuisouders te maken. Anet, Fernando en Max zaten in een gezinshuis. Anet heeft in paragraaf 4.3.3.2 het verschil aangegeven tussen het wonen in een ‘gewoon’ gezin en het wonen in een gezinshuis. Hieronder staat haar uitspraak nogmaals genoemd: “Het grootste verschil…uhh ja ik denk toch de liefde van je ouders, want ja hier verzorgen ze je, hier proberen ze je op het rechte pad te leiden naar je toekomst en bij je ouders is dat niet zo heel serieus zoals hier. En ja hier kun je ook, ja hier heb je wel een soort liefde, maar niet echt de liefde die je hebt van je ouders. Ik denk dat dat toch een heel groot verschil is”.

Het contact tussen gezinshuisouders verloopt niet altijd goed. Eén van de jongeren vertelde dat de gezinshuisvader heel boos kan worden: “Als we wat ergs doen, aan benzine zitten, zoiets bijvoorbeeld, dan wordt die hartstikke boos en dan gaat die schoppen, slaan”.

4.5.3.3 Groepsleiding

 

Kim, Sanne en Annemie zaten in een leefgroep toen ze geïnterviewd werden. Ook Anet, Fernando, Bas en Max hebben in een leefgroep gezeten. In een leefgroep hebben de jongeren te maken met groepsleiding. Sanne legt uit dat er in een leefgroep een mentor is met wie zij bijvoorbeeld kan praten over het contact met haar zusje. Sanne vindt het fijn om met haar mentor te praten. Ze vindt het een “aardige jongen”. Annemie gaat vaak naar haar mentor als ze dingen niet weet. Met meer persoonlijke dingen, zoals ongesteldheid, gaat ze naar vrouwelijke groepsleiding. Kim vertelt ook dat ze heel goed met haar mentor kan opschieten en dat ze één keer in de week een gesprek hebben waar alles duidelijk op papier wordt gezet. Verder zegt Kim dat ze met invallers niet overweg kan. Ze zegt hierover: “Dat is zo irritant invallers, ik kan bijna nooit met invallers overweg, omdat die mij niet begrijpen. Ik heb ook altijd bijna een conflict met een invaller”.

Er is ook een gewone groepsleiding die Kim niet mag. Dat is echt een “bitch” zegt ze. Die gaat “echt op ons spelen”. Verder zegt Kim dat de leiding soms de hele dag aan haar hoofd zeurt. Ook Annemie vertelt dat ze boos kon zijn op een leiding die er nu niet meer werkt. Als ze dan boos was, ging ze gewoon alles naar beneden donderen”. Tenslotte geeft ook Bas aan dat er verschil is in het contact met groepsleiding: “Met de ene groepsleiding heb je heel goed contact mee en kun je ook alles mee bepraten en doen en de andere groepsleiding ja dan ga je expres gewoon fock off tegen doen”.

Bas is na de leefgroep naar een kamertrainingscentrum gegaan. Daar had hij twee keer per week een afspraak met een begeleider. Die afspraken waren om te kijken hoe het met hem ging, welke doelen hij had en welke dingen hij moest doen om dat te bereiken.

4.5.4 Groepsgenootjes

 

Zowel in een leefgroep, als in een gezinshuis, als in een pleegezin heb je vaak te maken met andere jongeren die daar wonen. In een gezinshuis of pleeggezin kun je naast andere uit huis geplaatste jongeren ook nog te maken hebben met de biologische kinderen van pleegouders of gezinshuisouders. Al deze kinderen en jongeren worden hier verzameld onder de naam groepsgenootjes. In het geval van een pleeggezin zal ook de term pleegkinderen gebruikt worden. Van de geïnterviewde jongeren zijn Beppie en Chantal de enige twee die niet met groepsgenootjes te maken hadden. 

Marykate heeft verschillende andere pleegkinderen meegemaakt in haar pleeggezin. Met het laatste meisje kon ze heel goed opschieten. Met haar ging ze bijvoorbeeld naar de stad of zwemmen. Ook konden ze goed met elkaar praten doordat ze een beetje hetzelfde hadden meegemaakt. Ze begrepen elkaars problemen goed. Nu hebben ze nog steeds contact. Met het eerste pleegkind kon Marykate niet goed opschieten. Maar ze vertelt er wel bij dat die ook jonger was. Ze zegt daarover: “Bij de eerste vond ik het echt een ramp, vond ik echt heel erg. Want dat was gewoon, ja, echt een vervelend kind. Die, ja, die molesteerde gewoon echt al mijn spullen”.

Ook was er in het pleeggezin van Marykate nog een biologische zoon van haar pleegouders. Die was weer ouder dan Marykate en zag ze meestal alleen ’s avonds of in het weekend. In het gezinshuis van Max waren ook biologische kinderen. Deze waren ook ouder. Max gaat soms met één van hun “de hond en het paard uitlaten”. Met de andere groepsgenootjes is het contact verschillend. Hij zegt dat hij de twee nieuwe groepsgenootjes grappig vindt. Maar de jongen die nu weg is daar had hij geen goed contact mee. Die deed elke keer stiekem dingen die niet mochten. Max heeft al meer kinderen zien weggaan, maar daarover zegt hij: “maakt mij niks uit”. Zijn groepsgenootjes noemt hij zijn vrienden, maar hij zegt ook dat hij soms wel ruzie met ze heeft. Kim ziet haar groepsgenootjes niet echt als vrienden. Ze zegt: “Het zijn meer gewoon groepsgenootjes en verder is het niet”.

Met één meisje kan Kim wel goed opschieten. Zij hebben elkaar nodig en begrijpen elkaar. Annemie vertelt ook dat ze met sommige jongeren wel goed kan opschieten en met andere niet. Ze speelt vooral met de jongere kinderen en heeft ook één meisje met wie ze heel erg kan opschieten. Anet vertelt dat ze de andere jongeren in het gezinshuis wel een beetje als broers en zussen ziet: “Maar ja de kinderen die hier zitten beschouw je eigenlijk wel een beetje als broers en zussen, want ja je woont in huis en je gaat heel veel met elkaar om, dus ja dan ga je toch met broers en zus aan de gang”.

Ook Fernando, die in hetzelfde gezinshuis woont als Anet, ziet de andere jongeren daar als broertjes en zusjes. Hij vertelt ook dat de jongeren elkaar helpen als ze wat hebben. Fernando kende de jongeren van het gezinshuis al beetje voordat hij daar kwam, omdat hij op dezelfde school zat.

Bas legde uit dat het contact met groepsgenootjes ervan afhangt hoe je jezelf opstelt in een groep en hoe de mensen op jou reageren. “De ene die mag je wel natuurlijk en de ander mag je niet”, zegt hij. Sommige jongeren komen op je af van “wat moet ik met jou” en de anderen willen “vrienden maken”. Nu Bas zelfstandig woont heeft hij alleen maar hoi en doei contact met de andere jongeren die in dat huis wonen. 

4.5.5 Leeftijdsgenootjes

 

Naast het contact met groepsgenootjes hebben de jongeren ook nog contact met andere leeftijdsgenootjes. Omdat Chantal en Beppie geen groepsgenootjes hebben, vertellen zij meer over leeftijdsgenootjes. Chantal vertelt dat er in de buurt ook verschillende kinderen wonen die in een pleeggezin zitten. En ze zegt dat ze geluk heeft dat daar beste vriendin ook in een pleeggezin woont. Met haar kan ze goed praten. Ook Beppie kan goed praten met een meisje die hetzelfde heeft gehad. Bij Beppie op school weten sommige kinderen dat ze bij opa en oma woont.

 

4.5.6 Gezin van herkomst

 

4.5.6.1 Contact biologische ouders

 

Het contact dat de jongeren nog met hun biologische ouders hebben verschilt per jongere. Annemie zei in eerste instantie helemaal geen contact meer te hebben met haar vader of moeder, maar nuanceerde dit later door te zeggen dat ze haar moeder heel af en toe ziet. Haar moeder komt ongeveer drie keer in een jaar samen met de zus van Annemie naar de leefgroep. Ook ziet Annemie haar moeder soms in Duitsland, waar haar moeder woont. Annemie zegt dat zowel haar ouders als zij zelf het moeilijk vinden om contact te leggen. Anet is het contact met haar vader net weer aan het opbouwen. Toen haar vader voor haar stiefmoeder gekozen had baalde ze daar zo erg van dat ze anderhalf jaar geen contact meer met hem heeft gehad. Ze ziet hem nu één keer in de zes weken. Haar moeder ziet ze één keer in de twee weken. Ze geeft aan dat als ze haar ouders meer zou zien het echt verkeerd zou gaan. Bas ziet zijn moeder af en toe. Ook hij geeft aan dat het verkeerd zou gaan als hij weer thuis zou gaan wonen. Hij zegt daarover: “Het contact wat we op dat moment gewoon weer hadden was gewoon weer goed. En dat zou weer echt helemaal verkloot worden als ik weer thuis zou komen wonen. En zo is het eigenlijk altijd een beetje gebleven. Dus nu euh, nu zie ik mijn moeder ook af en toe. We bellen elkaar”.

Fernando heeft alleen nog contact met zijn vader, niet met zijn moeder. Dat wil hij voorlopig ook niet. Kim geeft ook aan dat het contact tussen haar en haar moeder gewoon niet gaat. Ze zegt hierover: “Mijn moeder en ik kunnen niet met elkaar leven, maar ook niet zonder elkaar leven. We hebben heel veel conflicten met elkaar”.

Kim gaat wel elk weekend naar haar vader. Ze zou daar ook wel willen blijven, maar ze weet dat dat niet gaat, omdat haar vader ziek is. Marykate vertelt dat het twee jaar geleden helemaal mis is gegaan met haar vader, toen zijn toenmalige vriendin het uitmaakte. Sinds die tijd heeft ze alleen nog maar telefonisch contact met hem. Ze zegt hierover: “Ja, soms belt die nog wel eens maar dan is ie gewoon helemaal dronken

Marykate zegt dat ook dat ze hem niet meer zal vertrouwen en dat ze ook nooit meer met hem mee naar huis zal gaan. Voordat het mis ging heeft ze nog wel heel goed contact met hem gehad. Het ging toen heel goed met hem, hij was alcoholvrij en had een vriendin. Ze is toen ook nog een paar keer bij hem gaan slapen. Nu Marykate ouder wordt kijkt ze anders aan tegen het contact van vroeger. Ze zegt daar nu over: “Nu word ik zelf ook wel een beetje ouder zo en nu zie ik ook wel dat hij ons gewoon echt totaal wel een beetje in de steek heeft gelaten. Eerst vond ik het ook heel erg dat ik geen contact meer met hem heb enzo en lag ik echt nachten van wakker enneh overal uitslag en eczeem, maar nu heb ik ook zoiets van ach, het maakt me ook allemaal helemaal niks meer uit joh”.

Het contact dat Marykate met haar moeder heeft is nu heel goed. Dat is langzaam opgebouwd van een uurtje op kantoor bij haar moeders huis tot nachtjes blijven slapen. Dat gaat nu heel goed, maar dat heeft wel lang geduurd. In het begin vond Marykate het een ramp als ze weer terug moest naar het pleeggezin. Ze wilde bij haar moeder blijven en moest dan echt de auto ingesleurd worden. Net als bij Marykate’s vader vertelt ook Chantal dat haar moeder soms half dronken opbelt. Verder vertelt ze dat haar moeder ver weg woont en dat het veel geld kost om daar naar toe te gaan. Haar moeder probeert wel om dichter in de buurt te gaan wonen. Beppie zegt dat Chantal en zij hun moeder één keer in de maand zien. Twee keer zijn ze naar hun moeder geweest, maar meestal komt hun moeder naar hun toe. Chantal is uit huis geplaatst toen zij een baby was. Vroeger wist ze niet dat haar pleegouders niet haar echte ouders waren en dat haar moeder haar moeder was: “Ik denk dat ik erachter ben gekomen, omdat we elke keer naar mama toe, naar een andere, ik denk dat ik eerst dacht van wat voor vrouw is dat”.

Beppie zegt zeker te weten dat ze niet meer bij haar moeder gaat wonen. Ook is ze er helemaal aan gewend om niet meer bij vader te wonen. Chantal en Beppie zien hun vader om het weekend. Chantal zegt dat ze het niet leuk vindt dat haar vader dan alleen maar naar autoracen kijkt. Ze zegt dat hun vader niks met ze doet als ze daar zijn. Ook geeft ze aan dat, toen ze verdrietig was, ze niet naar haar vader wilde.

Sanne heeft haar ouders kortgeleden voor het eerst weer gezien na twee jaar. Ze vond het leuk en wel weer wennen om haar ouders weer te zien. Ze wist ook niet zo goed hoe haar ouders zouden gaan reageren, omdat ze aan de alcohol en drugs zitten. Sanne vond het niet moeilijk om haar ouders twee jaar niet te zien. Ze zegt daarover: “Nou, voor mij was het niet zo moeilijk. Ik vind zelf dat ze een beetje met zichzelf bezig moesten gaan omdat ze ook niet helemaal gezond waren enzo. Dus ik nam ze niet echt kwalijk dat ze me niet konden zien”. 

Ook zegt Sanne dat ze haar ouders niet kon zien, omdat ze dat zelf niet wou. Ze vond het een beetje eng en heeft daarom gewacht tot ze het wel wilde. Sanne wil nu proberen haar ouders elke maand te zien.

Max vertelt dat hij om de vier weken naar zijn moeder gaat. Dat vindt hij heel leuk. Hij gaat dan tv kijken of soms naar zijn zus toe. Zijn moeder komt ook om de twee weken naar het gezinshuis. Hij zegt daarover: “Nou ze komt gewoon zo’n dagje, nou dag, 14.00 uur tot iets van 15.00 uur, een uurtje”. Verder vertelt Max dat hij zijn vader echt heel soms ziet. Dat komt omdat hij heel ver weg woont en omdat hij hem niet zo goed kent. Ook vertelt hij dat vader wel eens een keer post heeft gestuurd en wel eens heeft gebeld. Hij belt bijvoorbeeld met zijn verjaardag, ze praten dan maar iets van één minuut. Dat hij zijn vader niet zo goed kent maakt Max niks uit.

 

4.5.6.2 Contact broertjes en zusjes

 

Als je uit huis geplaatst bent verandert er vaak ook wat in het contact met broertjes en zusjes. Beppie en Chantal zijn de enige die nog bij elkaar wonen. Beppie vertelt dat ze wel vaak ruzie hebben. Bas geeft aan dat hij zijn zus nog in de weekenden bij zijn moeder ziet. Zijn broer ziet hij vaker. Over het contact met zijn broer en zus toen hij nog thuis woonde vertelt hij dat “die er ook aan kapot gingen hoe mijn gedrag was”. Ook Marykate zegt dat ze haar broer en zusje nu alleen nog ziet als ze bij haar moeder is. Ze vindt het heel jammer dat ze weinig contact met haar broer en zus heeft. Kim gaat in het weekend, als ze bij haar vader is, ’s zondags naar haar zus en haar vriend. Met haar jongere zusjes heeft Kim heel veel conflicten. Max slaapt wel eens bij zijn zus en vertelt dat zijn broer laatst met zijn moeder mee was gekomen naar het gezinshuis. Fernando ziet zijn broertje zo vaak als hij bij zijn vader is. Hij heeft ook nog een oudere broer van 23, maar die kent hij niet. Sanne heeft een tijdje met haar zusje in hetzelfde pleeggezin gezeten. Nu woont Sanne daar niet meer. Haar zusje ziet ze nu niet zo veel meer, omdat Sanne het pleeggezin niet zo geweldig vindt.

 

 

 

4.5.6.3 Contact familie

 

Tenslotte is er ook nog de biologische familie van de uit huis geplaatste kinderen. Marykate heeft een hele grote familie en vindt dat wel moeilijk, ze kent al haar neefjes en nichtjes niet eens. Chantal vertelt over het contact met haar oma van vader’s kant: “Ik zwaaide zo, hai oma hoe gaat het. Ze draaide gewoon met, ja met het stijve kop om. Als we jarig zijn, stuurt ze nog geen eens een klein kruimeltje brood”. Chantal heeft toen gezegd dat ze haar oma niet meer was.

 

Geconcludeerd kan worden dat uit huis geplaatste jongeren vaak andere en veel meer wisselende contacten hebben dan jongeren die thuis bij hun ouders wonen. De jongeren hebben contact met hulpverleners, zoals de pleegzorgwerker en de gezinsvoogd. De meeste jongeren hebben sinds hun ondertoezichtstelling al meer gezinsvoogden meegemaakt. Met de ene gezinsvoogd hadden de jongeren beter en meer contact dan met de andere. Naast contact met hulpverleners hebben de uit huis geplaatste jongeren ook te maken met de dagelijkse zorg van beroepsopvoeders; de pleegouders, gezinshuisouders en groepsleiding. De groepsleiding bij een leefgroep wisselt elke dag. Vaak is er één groepsleiding die de mentor is van de jongere en als een aanspreekpunt gezien kan worden en waar de jongere over het algemeen goed mee op kan schieten. Naast een vast team van groepsleiders zijn er ook invallers. Verder hebben de jongeren ook contact met groepsgenootjes, waaronder de andere jongeren in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep worden verstaan. In een pleeggezin of gezinshuis zijn dat ook de biologische kinderen van de pleeg- of gezinshuis ouders. De meeste jongeren hebben een aantal groepsgenootjes waar ze goed mee kunnen opschieten en een aantal waar ze het niet goed mee kunnen vinden. Naast groepsgenootjes hebben de jongeren ook contact met leeftijdgenootjes en meestal nog met hun gezin van herkomst; hun biologische ouders, broertjes en zusjes en familie. Hoe vaak de jongeren hun ouders zien en wie verschilt per jongere en is afhankelijk van onder andere de woonafstand en de problematiek van ouders. De meeste jongeren zien hun broertjes en zusjes niet zo vaak en vinden dat wel jammer. Door al deze verschillende contacten verloopt het aangaan van een hechtingsrelatie bij deze jongeren soms moeizaam. De mate waarin een jongere in staat is om een hechtingsrelatie aan te gaan, bepaalt dan ook welke plek het meest geschikt is voor de jongere.

 

 

4.6 Daginvulling

 

4.6.1 Dagelijkse structuur

 

De jongeren die in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep wonen doen ’s morgens na het opstaan de “normale dingen, zoals aankleden, eten”. Een aantal kinderen moet ook een taak doen, bijvoorbeeld “Kamer netjes. Troepjes van de grond”. Naast de taken gelden er ook bepaalde regels. Annemie gaf aan: “Om half acht is de laatste boterham”.

Soms worden de jongeren ‘s morgens geholpen door hun verzorgers. Max vertelde daarover het volgende: “Nou dan komt W. (gezinshuismoeder) ons wakker roepen en dan legt ze kleren neer en dan gaan we opstaan en dan gaan we naar beneden, eten en dan mijn spullen klaar leggen en dan naar school fietsen”.

Alle jongeren uit dit onderzoek gaan nog naar school. Hoewel de ochtendsituatie bij alle jongeren ongeveer hetzelfde is, is dat voor de periode na school niet zo duidelijk. Alleen Kim, Sanne en Annemie, die alledrie in een leefgroep wonen, geven precies aan op welk tijdstip er wordt gegeten, wanneer er gedoucht wordt en hoe laat de lamp uitgaat.

Kim geeft verder aan dat je “tussen half vier en vier mag bellen als je beldag hebt”. Sanne vertelde “half zeven gaan we dan naar boven toe tot half acht, gaan we huiswerkuur doen of rust uur. Dat moet je zelf weten. Maar dan moet je in ieder geval op je kamer zijn dat uur”. Bij Annemie op de leefgroep is er “om acht uur groepsgesprek, om half negen gaan we naar boven en negen uur het ligt uit”. Nadat Sanne heeft aangegeven hoe haar dag er uit ziet geeft ze aan “dus ik heb best wel een korte dag”. 

 

4.6.2 School

 

Zoals in de vorige paragraaf al werd aangegeven gaan alle jongeren uit het onderzoek nog naar school. Marykate gaat twee keer per week naar school en loopt de rest van de week stage in een verzorgingshuis. Het schoolniveau van de jongeren, die erover verteld hebben, is vrij laag, namelijk praktijkonderwijs, ZML, IVVO, LWO, VMBO of MAVO. Dit zou te maken kunnen hebben met de problemen waar deze jongeren mee te maken hebben en met het feit dat jongeren bij elke plaatsing weer van school moeten wisselen.

De jongeren vinden het over het algemeen leuk om naar school te gaan. Kim geeft echter aan dat alle jongeren van dezelfde leefgroep naar dezelfde school gaan. Ze vindt dat vervelend en vertelde het volgende erover: “Dan denk ik de hele dag; lekker ik wordt geconfronteerd met het tehuis. Ik zit nu bij een meisje in de klas, die zie ik gewoon 48 uur per dag bijna, die zie ik gewoon, elke dag zie ik haar, in de klas, op school, op de groep”.

Anet zit niet met kinderen van het gezinshuis op een school, maar op een “buitenschool”. Dat is best wel bijzonder zegt ze, want ze is de enige die op een buitenschool zit. Met een buitenschool bedoelt zij een school buiten het terrein van de instelling waar zij woont. Het zitten op een buitenschool is één van de redenen dat ze het nu zo goed naar haar zin heeft.

 

4.6.3 Taken

 

Zoals in de paragraaf over de dagelijkse structuur al werd aangegeven moeten een aantal jongeren een taak doen. Taken die onder andere genoemd worden zijn de tafel dekken en afruimen, vaat voorspoelen, in- en uitruimen, afwassen, “koffietaak”, je kamer, bed verschonen, hond uitlaten en vogel verschonen. De jongeren geven niet echt aan of ze het vervelend vinden of niet. Alleen Chantal zegt: “Dat zijn eigenlijk maar twee taakjes, eigenlijk. Dat is haast niks”.

 

4.6.4 Bezigheden

 

De bezigheden van de jongeren die uit huis geplaatst zijn, verschillen over het algemeen niet echt van de bezigheden van jongeren die bij hun biologische ouders wonen. Dingen die bijvoorbeeld genoemd worden zijn spelletjes, skeeleren, computeren, tv kijken en voetballen. Maar ook een bosspel doen of naar het zwembad.

Een aantal bezigheden is wel gerelateerd aan het uit huis geplaatst zijn. Zo vertelde Kim bijvoorbeeld het volgende: “Ik zit zelf in de cliëntenraad, bijna een jaar, en volgende week gaan we kijken of we het voor elkaar kunnen krijgen om toch nog internet te krijgen. Want iedereen, elk groepje zegt: we moeten internet, we moeten internet, we moeten internet. Want het is handig voor school, werkstuk, je kan contact houden, als je ouders ook email hebben kan je contact houden met je ouders en het is gewoon hartstikke makkelijk”.

Ook zijn sommige bezigheden gericht op het aanleren van bepaalde dingen, zoals het leren om op jezelf te wonen. Vaak wordt er door de gezinsvoogd een verslag geschreven over de jongere, die zij ook zelf moeten lezen. Daarin wordt aangegeven wat de jongere geleerd heeft in de afgelopen periode en waar de jongere aan zou kunnen werken. Dat verslag wordt besproken in een behandelgesprek waar meestal de jongere ook bij aanwezig is.

 

4.6.5 Weekend

 

De bezigheden in het weekend zijn voor elke jongere verschillend. Het ligt eraan of de jongere in het pleeggezin, gezinshuis of op de leefgroep blijft of niet. Kim vertelde het volgende over haar weekenden: “In het weekend is het meestal jezelf vermaken, alleen als mijn mentor er is, dan niet. Dan gaan we meestal met haar naar huis, gaan we met de hond het bos in en het kindje van haar, maar meestal is het standaard”.

Een aantal jongeren heeft de mogelijkheid in het weekend naar huis te gaan of naar familie. Annemie gaat bijvoorbeeld in het weekend wel eens naar haar oom en tante. Jongeren die niet naar huis of naar familie kunnen, hebben soms een gastgezin. Sanne vertelde dat ze bijna elk weekend naar haar gastgezin gaat. Zij werkt ook in de juwelierszaak van de vrouw van het gastgezin. Er zijn ook jongeren die naar vrienden gaan.

Sommige gezinshuizen en leefgroepen gaan één of twee weekenden in de maand dicht. Bij het gezinshuis is dat om de gezinshuisouders even een weekend rust te geven. Jongeren die naar hun ouders, familie of gastgezin kunnen, gaan daar zo’n weekend naar toe. De jongeren die in een gezinshuis wonen, hebben allemaal een gastgezin. De jongeren op de leefgroep die niet weg kunnen, worden meestal van verschillende groepen bij elkaar opgevangen op één groep. Bij Annemie op de groep wordt dat “de opvang” genoemd. Zij gaan dan “dagjes uit of spelletjes doen”.

 

Kort samengevat hebben de meeste jongeren een vaste dagelijkse structuur. In de leefgroep zijn de meeste tijden precies vastgelegd. Alle uit huis geplaatste jongeren gaan overdag naar school. Het school niveau van de jongeren is vrij laag. De jongeren vinden het over het algemeen leuk om naar school te gaan. Verder zijn er bepaalde taken die de jongeren moeten doen en zijn er regels over wat wanneer moet gebeuren. Dit verschilt echter per jongere. De bezigheden van de jongeren die uit huis geplaatst zijn, verschillen over het algemeen niet echt van de bezigheden van jongeren die bij hun ouders wonen. Een aantal bezigheden is wel gerelateerd aan het uit huis geplaatst zijn, zoals het deelnemen aan een cliëntenraad en het aanleren van bepaalde vaardigheden en bepaald gedrag. De bezigheden in het weekend zijn voor elke jongere verschillend. Het ligt eraan of de jongere in het pleeggezin, gezinshuis of op de leefgroep blijft of bijvoorbeeld naar zijn ouders, een gastgezin of familie gaat.

 

 

 

4.7. Toekomstverwachtingen

 

Net als iedere andere jongere hebben uit huis geplaatste jongeren ook wensen en bepaalde ideeën over de toekomst. Vaak wijken deze wensen en ideeën wel af van die van de gemiddelde jongere. Hieronder zullen eerst de wensen worden besproken die bij de geïnterviewde jongeren naar voren kwamen. Vervolgens zal de toekomst worden besproken zoals de jongeren die voor ogen hebben.

 

4.7.1 Wensen

 

Een aantal jongeren hadden wensen die te maken hadden met hun ouders. Marykate wenst bijvoorbeeld: “(…)dat mijn vader van de alcohol wil afblijven en dat het wel weer normaal contact zou worden”.

Max heeft de wens dat hij weer bij zijn moeder kan wonen. Soms droomt hij daar ook van. Chantal heeft een keer gedroomd dat haar vader en moeder weer bij elkaar waren en weer met elkaar konden opschieten. Verder wenst Chantal dat haar moeder weer gezond wordt. Beppie wenst dat ze nog heel lang bij haar pleegouders mag wonen. Anet wenst dat ze later nog goed contact heeft met haar ouders. Voor nu heeft ze geen wensen, alles gaat goed: “Ik zit op een buitenschool, ik heb goed contact met mijn ouders en het gaat wel heel goed met mij, dus ja wat moet ik eigenlijk nog wensen”.

Net als Anet heeft Sanne ook geen wensen voor nu. Ze zegt: “Ik heb niet echt een grote wens ofzo. Ik ben wel gelukkig nu”.

Andere wensen die genoemd werden hadden voor een deel betrekking op de jongere zelf. Kim wil bijvoorbeeld gewoon gelukkig leven en het is haar droom om voor haarzelf te beginnen. Ze wil een nieuwe stap in haar leven. Max wenst dat alles goed met hem gaat en dat hij niet ziek wordt. Ook Annemie wenst dat ze gezond blijft.

Marykate en Sanne hebben wensen voor andere kinderen en/of jongeren. Sanne wenst heel veel geld. Van dat geld gaat ze dan iets aan de kindjes in Afrika geven. Marykate wenst dat andere kinderen niet hetzelfde meemaken als wat zij heeft meegemaakt: “Ja, gewoon voor andere kinderen dat ze toch wel een normale opvoeding krijgen. Ik gun het een ander kind niet, wat ik heb meegemaakt. Dat andere kinderen gewoon lekker bij hun ouders kunnen blijven enzo”.

Overige wensen waren bijvoorbeeld dat Marykate meer contact wil met haar broer en zusje, dat Max zijn autorijbewijs wil en kan toveren zodat hij alles kan wensen. Chantal wenst dat ze met een vriendinnetje zal gaan samenwonen, dat haar broer nog leeft en dat ze de rest van haar moeders familie kent.

 

4.7.2 Toekomst

 

Door wat de jongeren in hun jeugd hebben meegemaakt hebben ze vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen of wat ze niet voor hun kinderen willen. Kim zegt dan ook geen kinderen te willen. Ze heeft zelf ADHD en de kans is vrij groot dat haar kinderen ook ADHD krijgen en dan is ze niet in staat ze op te voeden. Ze wil niet dat haar kinderen dan in een tehuis komen. “En ik wil niet mijn kind hetzelfde leven geven, in een kindertehuis, dat wil ik gewoon niet. Ik heb zoiets van, ik wil mijn kind niet naar een tehuis sturen. Ik heb er zelf acht jaar gewoond enne dan zelf mijn kind ernaar sturen, ik weet hoe erg het is, dat wil ik gewoon niet”.

Fernando zegt dat hij het later anders zal doen dan, niet zoals zijn ouders. “Ik zou mijn kinderen ten eerste nooit naar een internaat doen. Want je hebt toch zelf ervaring met het internaat. Dat brengt je toch op andere ideeën. Dus”. Ook Marykate zegt dat ze haar kinderen zelf wil opvoeden en niet door anderen. Daar zal ze dan ook alles aan doen.

Andere toekomstbeelden hadden onder andere te maken met opleiding, werk, woonplek en relaties. Kim wil begeleid zelfstandig wonen. Verder wil ze echt voor haar opleiding gaan. Ze wil heel graag de horeca in. Anet wil “gewoon een eigen huisje” en “gewoon goed werk”. Tot haar zestiende of zeventiende blijft ze in het gezinshuis. Daarna gaat ze waarschijnlijk kamertraining op het terrein doen. Fernando wil later het liefst iets met koken doen en in een “gewoon normaal huis” wonen. Bas wil de opleiding horeca gaan doen en hoopt later op een hoop geld, een goede baan, “een leuk vrouwtje”, kinderen en een mooi huis. Marykate gaat binnenkort volledig zorg doen en wil, vergelijkbaar met Bas, kinderen, een vriend, trouwen, op haarzelf wonen en werken. Max denkt dat hij voor zijn achttiende nog ergens anders gaat wonen dan in het gezinshuis. Daarna gaat hij bij zijn moeder wonen, totdat hij een vriendin heeft. Beppie denkt tot ergens in de twintig bij haar pleegouders te wonen. Sanne gaat over een jaar op kamertraining en gaat de opleiding SPW doen. Ze wil later in een tehuis met jongeren gaan werken en ergens in een dorp gaan wonen met man en kinderen. Chantal wil later in de tropen wonen en Annemie in Italië. Maar eerst blijft Annemie tot haar vijftiende in de leefgroep waar ze nu zit wonen en gaat daarna naar een vervolgplek die lijkt op haar huidige leefgroep, maar dan voor oudere kinderen.

 

Als conclusie kan gezegd worden dat uit huis geplaatste jongeren net als andere jongeren ook wensen en bepaalde ideeën hebben over de toekomst. De wensen hebben onder andere betrekking op relatie met hun ouders, op de jongeren zelf en op andere jongeren. Door wat de jongeren hebben meegemaakt, hebben ze vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen dan hun ouders. Andere toekomstbeelden hebben onder andere te maken met opleiding, werk, woonplek en relaties.

 

4.8 Visie jongere

 

Door de interviews heen zijn een aantal keer visies van jongeren over bepaalde dingen naar voren gekomen. Die zullen hieronder besproken worden.

 

4.8.1 Beleving eigen leven

 

Bas en Sanne laten merken dat ze tevreden zijn met hoe de dingen gelopen zijn. Bas zegt hierover: “Ik heb overal ook wel wat aan gehad. Ik bedoel de tijd in Z., niemand wil daar zitten en niemand vindt het leuk daar, maar achteraf als je er zo tegen aan kijkt heb je er wel wat aan gehad. Als ik er niet had gezeten zou ik niet weten hoe ik er nu bij had gelopen. Dus al die dingen, het is niet voor niets geweest”.

En Sanne zegt: “Ik vind wel hoe het zo is gelopen, vind ik wel goed. Ik denk dat het wel een reden voor heeft gehad. Dus, ik vind het niet echt euh, nee niks veranderen”.

 

4.8.2 Levensvisie

 

Fernando heeft een hele duidelijk mening over hoe je in het leven moet staan. Hij zegt bijvoorbeeld: “Gewoon goed je best doen. Als je niet goed je best doet, ja, dan kom je niet ver. Je moet echt voor jezelf gaan kiezen” en “Als je het toch maar met plezier doet. Want als je het niet met plezier doet dan is helemaal niks leuk”.

Tenslotte geeft Fernando nog een uitspraak aan van de gezinshuisvader. Hij heeft daar zelf ook een mening over: “Die (gezinshuisvader) zegt ook, van ik heb het liefste dat ik werkeloos ben en dat jullie allemaal thuis wonen. Maar ja, dat kan gewoon niet. Nou, dat is gewoon de waarheid. Sommige kinderen zijn bang voor de waarheid. Die zeggen niks, die drukken het gewoon weg”.

 

4.8.3 Klacht over hulpverlening

 

Uit huis geplaatste jongeren hebben veel met verschillende hulpverleningsinstanties te maken. Een aantal jongeren hebben hun mening gegeven over dingen die zij verkeerd vinden gaan. Kim heeft ADHD, maar dat is nooit met een test geconstateerd. Ze wil dat dit wel gebeurt. Ze zegt: “En dan heb ik ook gezegd ik wil ook definitief een ADHD test doen, niet dat er even een psychiater komt kijken van oh ja die heeft ADHD, ik wil gewoon een definitieve test”.

Bas heeft veel problemen gehad met verschillende instellingen. Hij vindt over het algemeen vooral dat er geen goede samenwerking is en dat er niet genoeg gecommuniceerd wordt. Hij zegt onder andere: “Ja, ik vind het op dit  moment qua voogdessen betreft  dat het euh, dat is meer eigenlijk mijn klacht altijd geweest naar dat soort instellingen toe, dat het gewoon niet werkt zoals dat het hoort. Ik heb er zelf een hele hoop problemen daarmee gehad. Een hele hoop geouwehoer, van regel dit, regel dat”. Ook zegt hij: “Sowieso ouders moeten beter bij betrokken worden, vooral omdat het om hun eigen kind gaat”.Verder geeft hij aan dat er geen goed contact is tussen zijn mentor en zijn gezinsvoogd. En dat er veel langs elkaar heen gaat. Bij de paragraaf hulpverleners is ook al besproken dat Bas vindt dat gezinsvoogden te veel jongeren onder zich hebben en dat wanneer zijn gezinsvoogd ziek is dit niet goed wordt doorgegeven.

Chantal vindt het een stomme regel dat er over sommige dingen wel met haar moeder wordt overlegd en niet met haar vader. Ze zegt dan ook: “Als ze met mama praten, dan wil ik ook dat ze met papa praten”.

Annemie vindt het “een domme regel” dat als ze vijftien is, ze weg moet uit de leefgroep. Deze regel beschrijft ze als volgt: “Omdat ze de regel hebben als je vijftien bent moet je weg en als je zestien bent dan ben je al weg. Dan ben je en moet je al weg”. Volgens haar is het beter om tot je zeventiende in dezelfde leefgroep te blijven.

 

Kortom, een aantal jongeren kijkt dus tevreden terug op hoe de dingen in hun leven zijn gelopen, omdat zij ervan uitgaan dat de dingen wel een reden hebben gehad. Sommige jongeren hebben ook een duidelijke levensvisie. De uit huis geplaatste jongeren komen met verschillende hulpverleningsinstanties in aanraking en hebben daar ook klachten over. Zij geven bijvoorbeeld aan bepaalde regels raar te vinden. Ook is de samenwerking en de communicatie tussen verschillende hulpverleners niet altijd optimaal.

 

 

4.9 Belangrijk om te weten

 

Tenslotte wordt hieronder aangegeven wat uit huis geplaatste jongeren belangrijk vinden dat andere mensen over hun weten. De jongeren uit het onderzoek hebben aangegeven hoe zij ervaren dat andere mensen uit huis geplaatste jongeren zien en benaderen. Hieronder komen de punten aan de orde over hoe andere mensen zich zouden moeten gedragen volgens de uit huis geplaatste jongeren uit het onderzoek.

 

4.9.1 Ligt niet alleen aan jongere

 

De meeste jongeren vertelden met name over het feit dat zij het gevoel hadden dat andere mensen de jongeren die uit huis geplaatst zijn als schuldige aanwijzen van de problemen en de uithuisplaatsing. Marykate geeft bijvoorbeeld aan dat sommigen denken dat het “puur” aan haar lag dat ze uit huis geplaatst is. Dit vindt ze niet leuk. Het ligt volgens haar niet altijd aan het kind zelf. Ze geeft aan dat als zij aan die mensen uitlegt hoe het precies zit, zij wel snappen dat het niet aan haar lag.

Fernando heeft het als volgt aangegeven: “Heel veel mensen denken van het is jouw schuld, maar het ligt ook voor een deel bij je ouders, niet altijd bij het kind. Want het kind moet opgevoed worden. Als het bij zijn nul jaar niks leert, ja, dan weet ie bij zijn tiende nog niks. Bijvoorbeeld mijn moeder is alcoholverslaafd, nou dan kan ik er niks aan doen dat ik niet een goede opvoeding heb gehad”.

En Sanne vertelde: “De meeste mensen denken altijd als je uit huis geplaatst bent dat je een crimineel kindje bent ofzo, of dat je allemaal rare dingen hebt uitgehaald en dat je meteen slecht bent enzo”.

Sanne legde uit dat dat niet zo is. Zij vertelde dat er genoeg kinderen zijn die gewoon uit huis geplaatst zijn, omdat hun ouders niet voor ze konden zorgen of omdat de kinderen mishandeld zijn. Sanne hoort soms in haar omgeving dat andere mensen “snel oordelen” over uit huis geplaatste jongeren. Zij vertelde een verhaal over een jongen die vaak met een andere jongen naar een snackbar ging vlakbij de leefgroep. Toen de man van de snackbar nog niet wist dat die jongen op een leefgroep woonde, kwamen de jongens er dagelijks en was het heel gezellig. Echter toen die man hoorde dat die jongen op een leefgroep woonde had hij “opeens heel raar gedaan. Mochten ze niet meer binnenkomen enzo, ja en jullie zijn schorum dit en dat, zulke dingen”.

Niet alleen de benadering van andere volwassenen is negatief. Anet vertelde: “Sommige kinderen pesten je er wel mee en die denken van oh maakt niet uit ofzo”.

 

4.9.2 Niet oordelen

 

Een aantal jongeren, waaronder Sanne en Bas, hebben aangegeven dat mensen niet moeten oordelen. Bas geeft aan dat mensen eerst moeten nadenken voor ze wat zeggen. Belangrijk is volgens hem dat “je ook kunt veranderen”. Chantal vertelde dat ze vond dat mensen zich niet met andermans zaken moesten bemoeien.

 

4.9.3 Rekening houden met jongeren

 

Met name uit het interview met Kim komt naar voren dat uit huis geplaatste jongeren niet altijd invloed hebben op wat er met hun gebeurt. Zij gaf aan dat de jongeren van haar leefgroep niks te vertellen hebben over de inrichting van de leefgroep waar zij wonen. Zij vindt het belangrijk dat “als je in een huis zit, dat er rekening mee wordt gehouden wat de bewoners leuk vinden en niet wat de groepsleiding vindt”.

Ook zegt zij het belangrijk te vinden om “met kinderen echt om de tafel gaan zitten, van wat zou je dan willen leren en hoe moeten we hiermee omgaan enzo, kijken naar het karakter”.

 

4.9.4 Hoe het voelt

 

Een aantal jongeren geeft aan het belangrijk te vinden dat anderen “weten wat iemand voelt die in een tehuis zit” en “hoe je je daarbij zal gaan voelen als je uit huis wordt gezet”, want zo vertelde Max, dat het niet leuk is om uit huis geplaatst te zijn.

 

4.9.5 Eigen ouders blijven belangrijk

 

Tenslotte is het belangrijk dat andere mensen weten dat eigen ouders belangrijk blijven, ook worden de jongeren door andere mensen opgevoed.

Anet zei: “Wij hebben wel ouders, maar dat we er niet heel veel mee omgaan en ja dat is toch heel moeilijk”.

Jongeren blijven ondanks alles meestal loyaal ten opzichte van hun biologische ouders. Eigen ouders blijven dus belangrijk. Ook bij de jongeren uit het onderzoek werden deze loyaliteits-gevoelens zichtbaar. Zo vertelde Bas, die door zijn moeder op straat werd gezet het volgende: “In de tijd dat ik in Z. (een leefgroep) zat werd mijn moeder ook buiten gesloten. Zo van u heeft de zorg niet meer voor dit kind, dat doen andere mensen, terwijl mijn moeder, als ik mijn moeder niet had, dan was er niks gebeurd, want mijn moeder is degene die altijd alles heeft geregeld, altijd alles heeft gedaan, overal achteraan heeft gebeld en weet ik veel wat”.   

Sanne had haar ouders ongeveer twee jaar niet gezien. Zij gaf aan dat haar ouders niet helemaal gezond waren, “dus ik nam ze niet echt kwalijk dat ze me niet konden zien”.

Ook uit het volgende verhaal van Marykate blijkt duidelijk hoe loyaal zij is aan haar ouders. Haar moeder moest haar kinderen wel uit huis plaatsen. “Mijn vader was aan de alcohol en drugs. En ja, die was gewoon overdag was die nooit thuis enzo, was altijd in de kroeg ofzo. En 's avonds als die thuis kwam, nou, dan werden we gewoon echt helemaal bont en blauw geslagen. En mijn moeder erbij. Ook gewoon waar wij bij stonden enzo, zagen wij gewoon hoe onze moeder in elkaar geslagen werd enzo. Dus mijn moeder moest wel het huis uit. We stonden gewoon op straat enzo, dus ja, dan moet je wel. Toen moest mijn moeder ons wel wegdoen. Of nou ja wegdoen, maar ze kon ons niet bij ons houden. Want we hadden, we stonden gewoon op straat en dat kan niet met een paar kleine kinderen”. Over haar vader zegt ze: “Hij is gewoon een beste kerel en hij is ook echt heel lief enzo, maar ja hij is gewoon niet, als hij gewoon eenmaal alcohol drinkt is die niet zichzelf, gewoon als vader. Dan is hij gewoon een heel agressief iemand”.

Tenslotte zegt Chantal dat haar moeder het allemaal niet zo goed meer weet “omdat ze dan heeft gedronken”. Zij geeft dus net als Marykate aan dat de drank de reden is van het gedrag van haar moeder.

Wat uit huis geplaatste jongeren belangrijk vinden dat andere mensen over hun weten kan als volgt samengevat worden; mensen moeten weten dat de uithuisplaatsing niet alleen de schuld is van de jongeren. Andere mensen moeten dus niet oordelen over uit huis geplaatste jongeren. Zij moeten juist rekening houden met uit huis geplaatste jongeren, zodat jongeren meer invloed hebben op wat er met hun gebeurt. Een aantal jongeren geeft aan het ook belangrijk te vinden dat anderen weten hoe het voelt om uit huis geplaatst te zijn. Tenslotte is het belangrijk dat andere mensen weten dat eigen ouders belangrijk blijven, ook al worden de jongeren door andere mensen opgevoed. Jongeren blijven ondanks alles meestal loyaal ten opzichte van hun biologische ouders.

 

 

 

5. Discussie en conclusie

 

5.1 Discussie

 

De resultaten van dit onderzoek komen op een aantal punten overeen met de onderzoeken die aangehaald zijn in het literatuur hoofdstuk. Hieronder zullen de overeenkomsten beschreven worden.

Van der Linden e.a. (2001) geven aan dat de gevallen waarin een ondertoezichtstelling uitgesproken kan worden meestal gekenmerkt worden door complexe problematiek, waarbij vaak sprake is van een problematische voorgeschiedenis, zoals gedrags- en opvoedingsstoornissen, kindermishandeling, verslaving, crimineel gedrag en ernstige problemen van ouders die hun weerslag hebben op de kinderen, al dan niet in combinatie met elkaar. Deze problematische voorgeschiedenis en de complexe problemen zijn ook duidelijk naar voren gekomen tijdens de gesprekken die de onderzoekers hadden met de onder toezicht gestelde jongeren. Bij Anet, Marykate en Sanne is er sprake van mishandeling. Anet is misbruikt door haar stiefvader, Sanne is thuis soms geslagen en ook Marykate is door haar vader geslagen. Sanne heeft verder af en toe geen eten gekregen thuis. Dit heeft de kinderrechter ook aangegeven bij Kim. De kinderrechter heeft verder genoemd dat Kim nooit op tijd op school kwam en niet op tijd naar bed werd gestuurd. Naast deze vormen van verwaarlozing hebben een aantal jongeren ook verteld over de verslavingen van hun ouders. De moeder van Fernando en de vader van Marykate zijn verslaafd aan alcohol. Ook de moeder van Chantal en Beppie is wel eens dronken. De moeder van Sanne is verslaafd aan alcohol, maar gebruikt daarnaast ook nog drugs evenals de vader van Sanne. Verder hebben Chantal en Beppie verteld dat hun moeder ziek is. Chantal heeft aangegeven dat hun moeder een keer van de flat is gesprongen en zichzelf in haar armen snijdt. Marykate heeft aangegeven dat haar vader heeft geprobeerd om haar zusje te vermoorden. Max heeft over zichzelf verteld dat hij zijn moeder met een stok sloeg, met gereedschap de muren kapot maakte en dingen uit de winkel pikte. Ook Bas heeft de politie wel eens achter zich aan gehad. De problematiek waar de jongeren uit dit onderzoek mee te maken hebben gehad zijn dus als volgt samen te vatten; verwaarlozing, lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik, (verslavings)problemen van ouders, crimineel gedrag en opvoedings- en gedragsproblemen.

Dat het werk van een gezinsvoogd wordt gekenmerkt door een hoge werkdruk en een groot personeelsverloop (Overmeer, 2002) is ook door een aantal jongeren aangegeven. De meeste jongeren hebben aangegeven sinds hun ondertoezichtstelling al verschillende gezinsvoogden te hebben gehad. Sanne heeft bijvoorbeeld verteld dat zij drie verschillende gezinsvoogden heeft  gehad. Ook uit het onderzoek van Slot e.a. (2002) naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling, kwam naar voren de kinderen en jeugdigen van de onderzoeksgroep zo’n twee tot drie keer een andere gezinsvoogd hebben gehad (in Dullens, 2002 en Van Hout & Spinder, 2002). Wat betreft de hoge werkdruk geeft Bas aan dat hij vindt dat een gezinsvoogd een te grote caseload heeft en dat een gezinsvoogd er daardoor te weinig voor de jongeren kan zijn. Naast het feit dat de onder toezicht gestelde jongeren vaak verschillende gezinsvoogden hebben gehad, maken deze jongeren vaak ook meerdere plaatsingen mee. Uit het, zojuist genoemde, onderzoek van Slot e.a (2002,  in Dullens, 2002 en Van Hout & Spinder, 2002) is gebleken dat een derde deel van de onderzoeksgroep tijdens de ondertoezichtstelling meer dan twee keer was verhuisd. Van de geïnterviewde jongeren, is het merendeel ook een aantal keer verhuisd. Er zijn verhuizingen genoemd van één bepaalde soort plek, naar een andere soort plek. Bijvoorbeeld van een leefgroep naar een gezinshuis, zoals bij Max het geval was. Of van één bepaalde soort plek naar een andere, maar dezelfde soort plek. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Anet die op een gegeven moment van het ene gezinshuis naar het andere gezinshuis ging. Alleen Chantal en Beppie hebben maar één plaatsing meegemaakt. Het verloop van de plaatsingen die de geïnterviewde jongeren hebben meegemaakt wordt in de literatuur aangeduid met “spell” (Fanshel, 1976, in Usher e.a, 1999, p.24). Spell wordt omschreven als een continue periode van gezinsvoogdij wat een enkele plaatsing omvat, of een serie plaatsingen van verschillende types (bijvoorbeeld een leefgroep en een pleeggezin) óf plaatsingen van hetzelfde type in verschillende settings (bijvoorbeeld twee pleeggezinnen).

In de literatuur komt naar voren dat een uithuisplaatsing door de betrokkenen meestal als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis wordt ervaren. Het kind of de jongere kan gevoelens van rusteloosheid, onzekerheid of schaamte ervaren (Van Ooyen-Houben, 1991). Max gaf aan dat hij het eng vond om ineens bij zijn moeder weg te zijn. Ook zei hij dat hij verdrietig was en pijn in zijn keel had. Kim vond het erg om niet meer bij haar vader te wonen en Marykate vond het erg om niet meer bij haar moeder te wonen. Ook bij ouders kunnen deze gevoelens naar voren komen, evenals gevoelens van droefheid, verbittering, ongerustheid en schuld (Fanshel & Shinn, 1978; Van Harten-Oudijk, 1988; Junger-Tas, 1983a; Klüppel & Slijkerman, 1983; Van Ooyen-Houben e.a., 1987; Rice & McFadden, 1988; Spaans, Berben & Reeuwijk, 1989, in Van Ooyen-Houben, 1991). Chantal vertelde dat haar moeder verdrietig was en dat haar ouders haar en haar zus op een bepaald moment weer terug wilden.

Een uithuisplaatsing wordt niet door alle jongeren zonder meer als negatief ervaren. Uit dit onderzoek zijn ook positieve gevoelens bij jongeren over hun uithuisplaatsing naar voren gekomen. Een aantal jongeren hebben aangegeven dat ze vrede hebben met hoe hun leven na de uithuisplaatsing is gelopen en dat de uithuisplaatsing niet voor niets is geweest. Ook zijn sommige jongeren tevreden over hoe de situatie nu is; zij zouden niks willen veranderen.

Uit het onderzoek van Palmer (1996) bleek dat slechts een minderheid van de ouders was betrokken bij het voorbereiden van de kinderen op de scheiding met hun ouders als gevolg van een uithuisplaatsing. Uit de interviews is ook niet naar voren gekomen dat de jongeren door hun ouders werden voorbereid. Anet vertelde bijvoorbeeld dat ze dezelfde dag, waarop ze te horen kreeg dat ze uit huis geplaatst werd, weg moest. Ze had daardoor ook geen tijd om afscheid te nemen van familie. Max vertelde wel dat hij door zijn oude school werd voorbereid op het feit dat hij uit huis geplaatst werd. Daar hadden ze een kalender gemaakt waarop stond wanneer hij weg ging.

Uit de literatuur (Davidson-Arad e.a., 2003; Usher, e.a., 1999) blijkt dat waar een jongere het beste geplaatst kan worden zowel afhankelijk is van de kwaliteit van de plek als van de jongere zelf. Dat is ook gebleken uit de interviews. Sanne geeft duidelijk aan dat een pleeggezin niks voor haar is. Zij vindt het moeilijk om met twee mensen, die je elke dag ziet, een band op te bouwen. Anet, die in een gezinshuis woont, geeft juist aan dat ze het fijn vindt om twee vaste mensen te hebben die voor je zorgen.

Twee aandachtspunten die de geïnterviewde jongeren belangrijk vonden om andere mensen mee te geven waren dat een uithuisplaatsing niet alleen aan de jongere ligt en dat andere mensen niet moeten oordelen over uit huis geplaatste jongeren. Een aantal jongeren had het gevoel dat andere mensen de jongeren als schuldige aanwijzen. Sanne vertelde over een man uit een snackbar die de jongeren uit de leefgroep “schorum” noemde. Knorth (1983) schreef hier ook over. Hij zei dat het risico van tehuisjongeren is dat ze gestigmatiseerd worden in de maatschappij.

 

Het grootste probleem waar de onderzoekers tegenaan liepen was het werven van respondenten. In eerste instantie was het de bedoeling om uit huis geplaatste, onder toezicht gestelde kinderen in de leeftijd van 8 - 12 jaar, te interviewen. De reden hiervoor was dat deze leeftijdsfase, die in de psychoseksuele ontwikkelingstheorie van Freud de latentiefase genoemd wordt, een rustige periode is, waarin het kind zich vooral op sociaal en cognitief gebied probeert te ontwikkelen. Het was moeilijk om aan respondenten te komen, omdat er toestemming nodig was van verschillende partijen. Voordat een jongere geïnterviewd kon worden was er allereerst toestemming nodig van de gezinsvoogd en van één of beide ouders van de jongere. Daarnaast moest, afhankelijk van de woonplek van het kind of de jongere, toestemming gevraagd worden aan de pleegouders, gezinshuisouders of groepsleiding van een leefgroep.  Bovendien moesten de jongeren zelf natuurlijk ook instemmen met het interview. Kim was de enige bij wie alleen toestemming aan haar zelf gevraagd hoefde te worden, omdat zij een bekende is van één van de onderzoekers. De contacten met de andere jongeren zijn gelegd via gezinsvoogden van Bureau Jeugdzorg. Een aantal van deze gezinsvoogden kenden de onderzoekers uit een eerder onderzoek. Het contact met de andere gezinsvoogden is via deze gezinsvoogden tot stand gekomen en door de contacten die één van de onderzoekers had bij Bureau Jeugdzorg vanwege haar stage bij Bureau Jeugdzorg. Het werven van respondenten ging moeizamer dan verwacht. Het was soms moeilijk om de gezinsvoogden te bereiken. Verder hadden de gezinsvoogden vaak geen geschikte respondenten of tijd om mee te werken. Ook kostte het vaak tijd en moeite om toestemming te krijgen van de ouders van de jongeren. Daarom zijn alle jongeren die geïnterviewd konden worden, ook geïnterviewd. Dit dus ondanks dat de leeftijd niet altijd overeen kwam met het vooropgestelde plan. De tien respondenten die uiteindelijk geïnterviewd zijn bevonden zich in de leeftijd van 10 - 18 jaar.

Bas, de oudste geïnterviewde jongere, was ten tijde van het interview niet uit huis geplaatst maar woonde zelfstandig. Ondanks dat de doelgroep uit huis geplaatste jongeren zijn, is er toch voor gekozen om hem te interviewen. Bas heeft wel een uithuisplaatsing meegemaakt en heeft op verschillende plekken tijdelijk gewoond. Hij heeft dus wel over zijn ervaringen en belevingen omtrent deze plaatsingen kunnen vertellen, wat waardevolle informatie heeft opgeleverd.

Tijdens het interview van Bas deed de opname apparatuur het slechts gedeeltelijk. Hierdoor zijn stukken van zinnen weggevallen. Het interview is meteen na het gesprek uitgewerkt door de onderzoeker die het interview had afgenomen. De zinnen die wel te verstaan waren op de band zijn toen uitgetypt in zwart. Deze zinnen zijn door de onderzoeker aangevuld met blauwe tekst. Doordat het interview meteen na afname is uitgewerkt, kon de interviewer zich nog veel herinneren. Omdat er toch nog veel te verstaan was, hebben de onderzoekers geconcludeerd dat het interview wel bruikbaar is voor het onderzoek. Tijdens de analyse is zo min mogelijk gebruik gemaakt van de aangevulde, blauwe tekst.

Zoals in paragraaf 3.2.2 al besproken is zou blijken dat na 25 tot 30 interviews geen nieuwe informatie over een bepaald onderwerp naar voren komt. Het punt van verzadiging is dan dus bereikt. Bij onderzoeken met specifiekere probleemstellingen zouden 15 tot 25 interviews al voldoende zijn. Dit onderzoek bestaat uit tien interviews. De vraag is of tien respondenten voldoende zijn om het onderzoek als representatief te kunnen beschouwen. Daarbij telt ook mee dat er tussen die tien respondenten nogal wat variatie was, met name met betrekking tot leeftijd en woonsituatie. De onderzoekers hadden na vijf interviews wel het gevoel dat het verzadigingspunt al voor een deel bereikt was. De steekproefgrootte van tien, lijkt voor dit onderzoek dus niet te veel weinig.

Omdat een select aantal jongeren is onderzocht, is het onderzoek beperkt extern valide. Een onderzoek is extern valide wanneer de resultaten ook geldig zijn onder andere omstandigheden, op andere tijden, op andere plaatsen en bij nadere subjecten of objecten dan die welke de eenheden van onderzoek zijn (’t Hart e.a., 1996). Met de onderzoeksgegevens die in dit onderzoek gevonden zijn kan geen uitspraak worden gedaan of het geldig is bij alle onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren. De onderzoeksresultaten kunnen dus niet statistisch gegeneraliseerd worden, maar dat is ook niet de opzet bij kwalitatief onderzoek. De respondenten wonen allemaal in de provincie Gelderland. Het zou kunnen zijn dat de onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn in andere provincies ook andere belevingen hebben. Verder hebben de onderzoekers respondenten toegewezen gekregen via een aantal gezinsvoogden. Deze gezinsvoogden hebben zelf een selectie gemaakt van jongeren waarvan zij dachten dat die wel geschikt waren voor deelname aan het onderzoek. Hierdoor zijn bepaalde jongeren buitengesloten van onderzoek, wat ook invloed heeft op de externe validiteit.

Inhoudelijke generalisatie is daarentegen wel mogelijk. Bij inhoudelijke generalisatie gaat het om de vergelijkbaarheid op hoofdlijnen van de onderzoekssituaties met mogelijke of beoogde situaties die niet zijn onderzocht. Inhoudelijke generalisatie kan dus opgevat worden als het generaliseren op basis van vergelijkbaarheid, toepasbaarheid en bruikbaarheid naar soortgelijke situaties (’t Hart e.a., 1996). Onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren, anders dan die van de onderzoeksgroep, zullen herkenning vinden in de verhalen van de jongeren van de onderzoeksgroep en zich met hen identificeren.

Wat verder nog opvallend was, is dat de jongeren ondanks wat er met hen gebeurd is heel loyaal blijven aan hun biologische ouders. Bas vertelde in het interview dat hij door zijn moeder het huis is uitgezet en dat hij haar in eerste instantie de schuld gaf van alles. Toen hij op een gesloten leefgroep geplaatst was, werd zijn moeder buiten gesloten, omdat zij niet meer de directe zorg voor haar kind had. Bas is daar verontwaardigd over en gaf aan dat als zijn moeder er niet geweest was, er niks geregeld was. Zij ging overal achteraan. Zijn moeder is dus heel belangrijk voor Bas. Ondanks het feit dat zijn moeder degene was die Bas het huis heeft uitgezet, blijft hij loyaal aan haar. Een ander voorbeeld is dat van Sanne die haar oudersdoor de uithuisplaatsing twee jaar niet gezien heeft. Sinds kort heeft ze weer contact met hen.Zij gaf aan dat zij het haar ouders niet kwalijk neemt, omdat ze niet helemaal gezond waren. Maar ook uit het verhaal van Marykate blijkt de loyaliteitsgevoelens van jongeren ten opzichte van hun ouders. Marykate werd vroeger geslagen door haar vader wanneer hij dronken was. Dit was de oorzaak van allerlei problemen voor Marykate. Toch geeft ze aan dat haar vader “een beste kerel” is en ook “echt heel lief” is als hij niet drinkt. Chantal gaf ook aan dat drank de reden is van het feit dat haar moeder soms de dingen niet meer zo goed weet.

Binnen de groep respondenten van 10 tot 18 jaar kan een verschil in beleving veroorzaakt worden doordat er na het twaalfde jaar psychologische veranderingen ontstaan, die kenmerkend zijn voor de adolescentiefase (van Beemen, 1995).

De onderzoekers hebben niet echt gemerkt dat er een verschil in beleving is tussen de jongeren van verschillende leeftijden. Wel is naar voren gekomen dat jongeren in de loop van de tijd anders tegen dingen aan kunnen gaan kijken. Verder was de manier van praten van de jongere kinderen soms wat kinderlijker dan van de rest. Dit was echter soms ook te merken bij de jongeren met een wat lager verstandelijk niveau.

 

5.2 Conclusie

 

De probleemstelling van dit onderzoek luidt: “Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van tien tot achttien jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?”. Om hier antwoord op te kunnen geven zullen hieronder eerst de onderzoeksvragen behorende bij deze probleemstelling beantwoord worden.

De eerste onderzoeksvraag betreft de vraag “welke redenen van uithuisplaatsing door de onder toezicht gestelde jongeren worden aangegeven”. Hoewel de reden van uithuisplaatsing bij alle jongeren heel verschillend is, geven de meeste jongeren een reden aan die te maken heeft met de problemen van hun ouders. In een aantal gevallen heeft de reden te maken met de jongere zelf. De problemen die genoemd worden zijn verwaarlozing, lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik, verslavingsproblemen van ouders, crimineel gedrag en opvoedings- en gedragsproblemen. “Hoe de uithuisplaatsing door de onder toezicht gestelde jongeren beleefd wordt” is de tweede onderzoeksvraag. Over het algemeen kan gezegd worden dat de meeste uithuisplaatsingen vrij snel plaatsvonden, nadat het bekend was geworden en zonder veel voorbereiding vooraf.  De jongeren hebben de uithuisplaatsing als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis beleefd, ook al realiseerden sommige jongeren zich ook wel dat het thuis niet goed ging.Vaak ging het uit huis geplaatst worden gepaard met conflicten thuis en ging de gezinsvoogd mee naar de nieuwe plek. De derde onderzoeksvraag gaat over die nieuwe plek en luidt: “Waar hebben de onder toezicht gestelde jongeren gewoond na hun uithuisplaatsing, waar wonen zij nu en hoe beleven zij deze plekken?”. De meeste jongeren gingen vanuit hun thuissituatie naar een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Tijdens het interview woonden drie jongeren in een pleeggezin, drie in een gezinshuis en drie op een leefgroep. Eén jongere woonde inmiddels zelfstandig. De meeste jongeren hebben meer plaatsingen meegemaakt. Over het algemeen zijn de volgende tendensen waargenomen; voor de jongeren uit dit onderzoek waarvan de huidige woonsituatie een pleeggezin is, is dat hun enige plaatsing. De jongeren uit het onderzoek die momenteel in een leefgroep wonen, hebben hiervoor een pleeggezin plaatsing gehad. De jongeren die nu in een gezinshuis wonen, hebben voor deze plaatsing in een leefgroep gewoond. Een pleeggezin en een gezinshuis lijken qua samenstelling het meest op een “gewoon” gezin. Wel zijn er vaak meer regels dan thuis. De meeste jongeren zijn erg positief over hun verblijf in het pleeggezin of gezinshuis. Voor een aantal jongeren is het echter moeilijk om een relatie aan te gaan met de pleeg- of gezinshuisouders. Het grootste verschil tussen een pleeggezin of gezinshuis en een leefgroep is dat er op een leefgroep elke dag andere verzorgers zijn. Dit vinden de meeste jongeren minder fijn dan twee vaste verzorgers. Jongeren die moeite hebben met het aangaan van relaties, geven echter de voorkeur aan wisselende groepsleiding. De regels op een leefgroep worden door de jongeren explicieter genoemd. De meeste jongeren hebben moeite met deze regels.

De vierde onderzoeksvraag betreft de vraag “welke gevoelens een rol spelen bij onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren”.  De gevoelens van de jongeren zijn heel divers en tegenstrijdig en veranderen in de loop van de plaatsing. De jongeren geven aan dat ze kwaad waren, verlegen waren, dat ze het leuk vonden, vreemd vonden of erg moesten wennen aan met name de groepsgenootjes. Gevoelens van machteloosheid werden door een aantal jongeren ervaren. Zij hebben niet altijd het gevoel dat ze zelf iets in te brengen hebben. Sommige jongeren verzetten zich er actief tegen, anderen leggen zich erbij neer. Een uithuisplaatsing wordt niet door alle jongeren zonder meer als negatief ervaren.

Met welke hulpverleners de onder toezicht gestelde jongeren contact hebben en hoe zij deze contacten beleven” is de vijfde onderzoeksvraag. De jongeren hebben sinds de ondertoezichtstelling vaak verschillende gezinsvoogden gehad. Sommige jongeren vinden dat de gezinsvoogd te veel jongeren op zijn of haar caseload heeft en daardoor te weinig tijd heeft, anderen hebben geen behoefte aan meer contact met hun gezinsvoogd. De jongeren die in een pleeggezin wonen hebben ook te maken met een pleeggzorgwerker. Naast contact met hulpverleners hebben de uit huis geplaatste jongeren ook te maken met de dagelijkse zorg van beroepsopvoeders; de pleegouders, gezinshuisouders en groepsleiding. Hierover gaat de zesde onderzoeksvraag: “Hoe beleven de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren het contact met de beroepsopvoeders?”. De meeste jongeren zijn positief over hun contact met hun pleegouders. De jongeren die moeite hebben met het aangaan van relaties, vinden het juist negatief. Hoewel het contact met de gezinshuisouders niet altijd goed verloopt en de jongeren een ander soort liefde beschrijven dan die van hun ouders, zijn de jongeren over het algemeen ook positief over de gezinshuisouders. Op een leefgroep wordt met name het contact met de mentor als positief ervaren en met invallers als negatief. Het contact met de overige groepsleiding wordt door de jongeren verschillend ervaren, evenals het elke dag wisselen van de groepsleiding.

Hoe beleven de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren (het contact met) hun gezin van herkomst?” is de zevende onderzoeksvraag. Het contact tussen de jongeren en hun biologische ouders is verschillend. Over het algemeen vinden de jongeren het contact met hun ouders wel leuk. Een aantal jongeren wil geen contact meer met zijn of haar vader en/of moeder. Ook wordt aangegeven dat het contact leggen soms moeilijk is, dat contact opgebouwd moet worden, dat er niet altijd meer vertrouwen is, dat teveel contact niet goed is en dat het wennen is. Bij alle jongeren is eigenlijk wel duidelijk dat zij niet meer bij hun biologische vader of moeder zullen gaan wonen. De meeste jongeren zien hun broertjes en zusjes niet zo vaak en vinden dat wel jammer.

De achtste onderzoeksvraag is de vraag “hoe de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren hun toekomst zien en wat voor wensen ze hebben”. Deze jongeren hebben net als andere jongeren bepaalde toekomstbeelden. Door wat de jongeren hebben meegemaakt, hebben ze vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen dan hun ouders. De wensen die de jongeren hebben, hebben onder andere betrekking op relatie met hun ouders, op de jongeren zelf en op andere jongeren.

Wat vinden de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren belangrijk dat andere mensen weten over onder toezicht gestelde jongeren?” is de laatste onderzoeksvraag. Mensen moeten weten dat de uithuisplaatsing niet alleen de schuld is van de jongeren. Andere mensen moeten dus niet oordelen over uit huis geplaatste jongeren. Zij moeten juist rekening houden met uit huis geplaatste jongeren, zodat jongeren meer invloed hebben op wat er met hun gebeurt. Een aantal jongeren geeft aan het ook belangrijk te vinden dat anderen weten hoe het voelt om uit huis geplaatst te zijn. Tenslotte is het belangrijk dat andere mensen weten dat eigen ouders belangrijk blijven, ook worden de jongeren door andere mensen opgevoed. Jongeren blijven ondanks alles meestal loyaal ten opzichte van hun biologische ouders.

Na het bespreken van de onderzoeksvragen wordt nu antwoord gegeven op de probleemstelling “Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van tien tot achttien jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?” De meeste onder toezicht gestelde jongeren ervaren de uithuisplaatsing als een pijnlijke en ingrijpende gebeurtenis. Sommige jongeren zien de noodzaak van de uithuisplaatsing in en kunnen na een tijdje wel positief terugkijken op de uithuisplaatsing. Die jongeren vinden dat hun uithuisplaatsing een reden heeft gehad en niet voor niets is geweest. Ze hebben er als het ware vrede mee. Veelal is de uithuisplaatsing veroorzaakt door problemen van de ouders en soms door henzelf. Na de uithuisplaatsing hebben de meeste jongeren op meerdere plekken gewoond. De plekken waar de jongeren nu wonen zijn voornamelijk pleeggezinnen, gezinshuizen en leefgroepen. De jongeren ervaren de plek waar ze nu wonen als positief en passend bij hun. Ook de contacten die de jongeren met hun huidige beroepsopvoeders hebben, worden in meeste gevallen als positief ervaren. Er is vaak weinig contact tussen de jongeren en hun gezinsvoogd en dit wordt zowel positief als negatief ervaren. De meeste jongeren hebben nog wel contact met hun ouders en vinden dit over het algemeen ook leuk. Een aantal jongeren wil geen contact met hun vader of moeder. Tenslotte hebben de jongeren doordat wat zij hebben meegemaakt in hun leven, vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen als hun ouders.

 

5.3 Suggesties en aanbevelingen

 

In dit onderzoek is gekeken naar de beleving van uit huis geplaatste en onder toezicht gestelde kinderen en jongeren in de leeftijd van tien tot achttien jaar. Deze leeftijd is bepaald aan de hand van het aantal beschikbare respondenten. In een volgend onderzoek zou een specifiekere leeftijdsgroep onderzocht kunnen worden. Bijvoorbeeld kinderen die zich in de leeftijd van acht tot twaalf jaar bevinden, de zogenaamde latentiefase. In deze fase speelt de puberteitsontwikkeling nog geen belangrijke rol. Ook hebben deze kinderen over het algemeen minder plaatsingen meegemaakt en kunnen zij hun uithuisplaatsing misschien beter herinneren.

Het aantal geïnterviewde respondenten is ook bepaald door het aantal beschikbare respondenten en door het tijdsbestek. Voor kwalitatief onderzoek is het niet noodzakelijk om een groot aantalrespondenten in het onderzoek te betrekken. Na een aantal interviews zijn er voldoende gegevens verzameld. Nieuwe interviews voegen dan geen relevante informatie meer toe. De onderzoeker hadden zelf het idee, zoals reeds in de discussie vermeld, dat na vijf interviews het verzadigingspunt al voor een deel bereikt was. Uiteindelijk zijn tien respondenten geïnterviewd. Door echter dit onderzoek te herhalen met een groter aantal respondenten ontstaat er een meer representatieve steekproef. In een volgend onderzoek zou ook gekeken kunnen worden of de beleving van jongeren uit een leefgroep erg verschilt van jongeren die in een pleeggezin of gezinshuis geplaatst zijn.

Dit onderzoek heeft zich gericht op jongeren die geplaatst zijn op drie soorten plekken, namelijk een pleeggezin, een gezinshuis en een leefgroep. Er is niet onderzocht of jongeren, die op een bepaalde soort plek geplaatst worden, bepaalde kenmerken hebben. In een volgend onderzoek kan hier specifieker naar gekeken worden, zodat duidelijk wordt welke verschillen en overeenkomsten er zijn met betrekking tot bijvoorbeeld kenmerken en ervaringen tussen jongeren in een pleeggezin, gezinshuis en leefgroep. Ook zou gekeken kunnen worden naar andere soorten plekken dan een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep.

De onderzoekers hebben zelf als vooronderzoek van dit onderzoek onderzocht hoe gezinsvoogden de uithuisplaatsing van onder toezicht gestelde jongeren beleven. Zowel dat onderzoek als dit onderzoek dragen bij tot een groter inzicht in het onderwerp uit huis geplaatste jongeren. Het vergroten van kennis over een bepaald onderwerp is ook het doel van kwalitatief onderzoek dat uitgaat van een holistische benadering. Om de kennis over dit onderzoek nog meer te vergroten kan bijvoorbeeld ook een specifiek onderzoek gedaan worden naar hoe onder toezicht gestelde jongeren hun gezinsvoogd beleven. Ook kan onderzocht worden hoe vrijwillig uit huis geplaatste jongeren in plaats van onder toezicht gestelde jongeren het beleven om uit huis geplaatst te zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Samenvatting

 

De probleemstelling die in dit onderzoek centraal stond was de volgende: “Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van 10 tot 18 jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn”? Deze probleemstelling is opgesplitst in negen onderzoeksvragen. Antwoorden op deze onderzoeksvragen zijn gevonden door middel van een kwalitatief onderzoek, waarbij tien jongeren zijn geïnterviewd. Bij deze jongeren hebben de onderzoekers een zogenaamd open interview afgenomen. Uit deze interviews zijn verschillende resultaten naar voren gekomen. De belangrijkste conclusies die daaruit getrokken kunnen worden zijn de volgende; Onder toezicht gestelde jongeren ervaren de uithuisplaatsing meestal als een pijnlijke en ingrijpende gebeurtenis. Na een tijd uit huis geplaatst te zijn, kunnen sommige jongeren er wel positief op terugkijken. Ze vinden dat hun uithuisplaatsing een reden heeft gehad en niet voor niets is geweest. Veelal is de uithuisplaatsing veroorzaakt door problemen van de ouders en soms door henzelf. Na de uithuisplaatsing hebben de meeste jongeren op meerdere plekken gewoond en ervaren ze de plek waar ze nu wonen als positief en passend bij hun. De plekken waar de jongeren nu wonen zijn voornamelijk pleeggezinnen, gezinshuizen en leefgroepen. Ook de contacten die de jongeren met hun huidige beroepsopvoeders hebben worden in meeste gevallen als positief ervaren. Er is vaak weinig contact tussen de jongeren en hun gezinsvoogd en dit wordt zowel positief als negatief ervaren. De meeste jongeren hebben nog wel contact met hun ouders en vinden dit ook leuk. Een aantal jongeren wil geen contact met hun vader of moeder. Ten slotte hebben de jongeren doordat wat zij hebben meegemaakt in hun leven, vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen als hun ouders.

 


Literatuurlijst

 

·        Adam, E.K. & Chase-Lansdale, L. (2002). Home sweet home(s): Parental Separations, Residential Moves, and Adjustment Problems in Low-Income Adolescent Girls. Developmental Psychology, 38(5), 792-805.

·        Baarda, D.B. & Goede, M.P.M., de (2001). Basisboek Methoden en Technieken; handleiding voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek. Groningen: Stenfert Kroese.  

·        Baarda, D.B. & Goede, M.P.M., de (1995). Basisboek Methoden en Technieken: Praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek. Groningen: Stenfert Kroese.  

·        Baarda, D.B., Goede, M.P.M., de, & Meer-Middelburg, van der (2000). Basisboek Open Interviewen; praktische handleiding voor het voorbereiden en afnemen van open interviews. Groningen: Stenfert Kroese. 

·        Baarda, D.B., Goede, M.P.M., de & Teunissen, J. (2001). Basisboek KwalitatiefOnderzoek; praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek. Groningen: Stenfert Kroese.

·        Beemen, L. van (1995). Ontwikkelingspsychologie. Groningen: Wolters-Noordhoff.

·        Brady, K.L. & Caraway, S.J. (2002). Home away from home: factors associated with current functioning in children living in a residential treatment setting. Child Abuse & Neglect, 26(11), 1149-1163.

·        Bruyn, E.E.J., de, Pameijer, N.K., Ruijssenaars, A.J.J.M. & Aarle, E.J.M., van (2001). Diagnostische besluitvorming; handleiding bij het doorlopen van de diagnostische cyclus.Leuven / Amersfoort: Acco.

·        Craig, W. (2002). Childhood Social Development; the essential readings. Oxford: Blackwell Publishers.

·        Davidson-Arad, B., Englechin-Segal, D. & Wozner, Y. (2003). Short-term follow up of children at risk: comparison of the quality of life of children removed from home and children remaining at home. Child Abuse & Neglect, 27(7), 733-750.

·        Dullens, G. (2002). Situatie na twee jaar OTS: 28 procent beter, maar 33 procent slechter [elektronische versie]. Perspectief, 1. Gevonden op 17 november 2003, op http://www. justitie.nl/publicaties/tijdschriften/perspectief/2002_1.asp?ComponentID=33713&SourcePageID=33838.

·        Flick, U.(1998). Coding and categorizing. In : An introduction to qualitative research (p.178-192). Londen: Sage. 

·        Haeringen, C.B., van (1977). Kamers' Nederlands Woordenboek. Amsterdam / Brussel: Elsevier.

·        Hak, T. & Wester, F. (2003). De methodologie van kwalitatief onderzoek. KWALON 23, 8 (2), 7-24.

·        Hart, H., ‘t, Dijk, J., van, Goede, M., de, Jansen, W. & Teunissen, J. (2001). Onderzoeksmethoden. Amsterdam; Boom.

·        Hout, A., van & Spinder, S. (2002). Onderzoeken, onderzoeken, onderzoeken…Mobiel, 3, 21-22.

·        Jansen, M.G. & Oud, J.H.L. (1993). Residentiele hulpverlening geëvalueerd. Een onderzoek naar de ontwikkeling en het behandelingsverloop van residentieel opgenomen jeugdigen. Nijmegen: Instituut voor Orthopedagogiek.

·        Jivanjee, Ph. D. P. (1999). Parent Perspectives on Family Involvement in Therapeutic foster Care. Journal of Child and Family studies, 8(4), 451-461.

·        Kievit, T., Wit, J., de, Groenendaal, J.H.A. & Tak, J.A. (1998). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen. Maarssen: Elsevier/ De Tijdstroom.

·        Knorth, E.J. (1983). Ingenomen met Opname? Ervaringen van jongeren met de opname in een tehuis. Leiden: Klop-Reeks.

·        Leslie, L.K., Landsverk, J. Horton, M.B., Ganger, W. & Newton, R.R. (2000). The Heterogeneity of Children and their Experiences in Kinship Care. Child Welfare, 79(3), 315-338.

·        Lieshout, M. van (2003). Balanceren tussen snel en zorgvuldig; op pad met de Raad voor de Kinderbescherming-1. Nulvijfentwintig; Tijdschrift over Jeugdwelzijn, Jeugdzorg en Jeugdbeleid, 8(3), 13-17.

·        Linden, A.P. van der, Siethoff, F.G.A. ten & Zeijlstra-Rijpstra, A.E.I.J. (2001). Jeugd en recht. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.

·        Matthijs, M. & Vincken, M. (1997). De zorg voor de jeugd. Utrecht: NIZW Uitgeverij.

·        Nieuwenhuis, J.H., Stolker, C.J.J.M. & Valk, W.L. (2001). (red.). Burgerlijk Wetboek, boeken 1,2,3, en 5. Deventer: Kluwer.

·        Nijnatten, C. (1999). Handboeken Jeugdzorg.Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

·        Ooyen-Houben, M.M.J., van (1991). De ontwikkeling van jonge kinderen na een uithuisplaatsing. Maastricht: Datawyse. 

·        Overmeer, H. (2002). Het belang van het kind: van belang voor de sector jeugdbescherming…!? [elektronische versie]. Perspectief, 2. Gevonden op 17 november 2003, op http://www.justitie.nl/publicaties/tijdschriften/perspectief/Het belang van het kind belang jeugdbescherming.asp?ComponentID=33816&SourcePageID=33838#1.

·        Palmer, S.E. (1996). Placement Stability and Inclusive Practice in Foster Care: An Emperical Study. Children and Youth Services Review, 18(7), 589-601.

·        Reith, W. (2003).Moraal en gezag. Utrecht: Uitgeverij de Graaff.

·        Rispens, J., Goudena, P.P. & Groenendaal, J.J.M. (2001). Preventie van psychosociale problemen bij kinderen en jeugdigen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

·        Sastre, M.T.M. & Ferriere, G. (2000). Family “decline” and the subjective well-being of adolescents. Social Indicators Research, 49(1), 69-82.

·        Usher, C.L., Randolph, K.A. & Gogan, H.C. (1999). Placement Patterns in Foster Care. Social Service Review, 73(1), 22-36.

·        Voorjans, V.H.C. (1996). Uit huis geplaatste adolescenten: gezins- en psychosociale problematiek. Utrecht.

·        Wenar, C. & Kerig, P. (2000). Develomental Psychopathology; from infancy through adolescence. Singapore: Mc Graw Hill.

·        Well, G., van (1998). Pleegzorgvademecum voor pleeggezinnen, begeleiders en plaatsers. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overige bronnen

-         De omschrijving van een gezinsvoogd. Gevonden op 24 november 2003, op http://www.kinderhulp.nl/indexb.html

-         De beschrijving van de functie van een gezinsvoogd. Gevonden op 13 maart 2004, op http://infobalie.postbus51.nl/SRVS/CGI-BIN/WEBISAPI.dll?New,Kb=Postbus51,

Company={C754CE8F-BD94-49A3-A0FE-75FD29638E68},ts=eCustomer,Case=obj

(7319)

-         Informatie over ondertoezichtstelling. Gevonden op 14 maart 2004, op http://infobalie.postbus51.nl/SRVS/CGI-BIN/WEBISAPI.dll?New,Kb=Postbus51,

Company={C754CE8F-BD94-49A3-A0FE-75FD29638E68},ts=eCustomer,Case=obj

(7297), (7303), (7311), (7323).

-         (1998). De 50 meest gestelde vragen over pleegzorg… en uw keuze. Diemen: Landelijk Bureau Voorlichting van de Federatie Pleegzorg.

-         Cijfers van het CBS. Gevonden op 23 maart 2004, op http://statline.cbs.nl/StatWeb/Table.asp?STB=G2&LA=nl&DM=SLNL&PA=37900&D1=0,5,10&D2=0&D3=a,!0&D4=a&HDR=T,G3&LYR=G1:0

-         Beschrijving van een gezinshuis. Gevonden op 13 augustus 2004, op http://www.gezinshuis.solcon.nl/gezinshuizen.htm en http://www.mobiel-pleegzorg.nl/ archief/1999/mo99124.htm

 

 

 


Bijlage 1: Voorbereiding interview

Interview 9, Sanne; donderdag 10 juni 2004

 

-         Mezelf voorstellen

Ik zal mezelf eerst nog een keer voorstellen. Ik ben dus Ellen van de Locht en ik ben 25 jaar. Ik studeer pedagogiek in Utrecht en zit nu in mijn laatste studiejaar. Dit interview is in het kader van mijn afstudeeronderzoek.

 

-         Het onderzoek

Je weet misschien al wel een beetje waar ons onderzoek over gaat. Ik zal het voor de duidelijkheid nog even kort toelichten. Ik doe een onderzoek samen met Annemarie Zander. Wij willen door ons onderzoek erachter komen hoe onder toezicht gestelde kinderen en jongeren het vinden om niet meer thuis te wonen. Hier weten wij nog niet zoveel van en daarom doen we deze interviews met jongeren die net als jij niet meer thuis wonen. Jullie zijn immers deskundigen op dit gebied! Als we ongeveer tien jongeren hebben gesproken schrijven we er een verslag over en hopen we andere kinderen en jongeren ermee te kunnen helpen. 

 

-         Bandopname

Het interview gaat vooral om jouw beleving. Alles wat je zegt is dus goed. Jij weet immers zelf het beste hoe het is om niet meer thuis te wonen. We gaan dus vooral praten over de dingen die jij wil vertellen. Als je ergens niet over wil praten, kun je dat natuurlijk aangeven. Ik denk dat we ongeveer een half uur tot een uur zullen praten. Ik zal ons gesprek opnemen op een bandje, zodat ik het thuis nog eens na kan luisteren. Als ons onderzoek afgerond is zal ik dit bandje wissen. Ik wil even testen of het bandje het doet.

 

-         Anonimiteit

Jouw gezinsvoogd is Jan Bos hè? Ik heb van hem niet gehoord hoe oud jij eigenlijk bent. Mag ik jouw geboortedatum weten? Omdat wij jouw gegevens vertrouwelijk en anoniem willen behandelen, willen we een andere naam voor jou gebruiken. Welke naam zal ik voor jou gebruiken; heb je zelf een idee over een naam of maakt het je niet uit?

 

Goed, laten we gaan beginnen. Ik zal eerst het bandje even aanzetten.

 

Wat vind jij belangrijk dat andere mensen weten over uit huis geplaatste kinderen en jongeren? Kun je daar iets over vertellen.

 

  1. J. vertelde me dat jij in een leefgroep woont. Kun je mij uitleggen wat dat precies inhoudt?

-         Wat doe je ongeveer vanaf het moment dat je wakker bent tot dat je weer gaat slapen?

-         Wat is het eerste waar je dan aan denkt?

-         Zit je op school of werk je?

-         Wie wonen er nog meer? (pleegouders, eigen kinderen, pleegkinderen)

-         Wat is het verschil met een gewoon gezin?

-         Ben je in het weekend ook altijd hier in het pleeggezin?

 

  1. Hoe vind jij het om hier te wonen?

-         Kun je vertellen over de dingen die je hier leuk vindt? Wat vind je het allerleukst?

-         Zijn er ook dingen die je niet leuk vindt? Wat vind je het allervervelendst?

-         Wat vind je van de sfeer hier?

-         Wat vind je van het contact met je pleegouders?

-         Hoe is het contact tussen jou en de andere kinderen / jongeren die bij jou in huis wonen?

 

  1. Hoe ging het toen jij hier net kwam wonen?

-         Wie heeft het aan jou verteld?

-         Wat dacht je toen je dat hoorde?

-         Weet je nog wat je deed / zei toen je dat hoorde?

-         Wie heeft jou naar dit gezin gebracht?

-         Wat vond je moeder ervan dat je in een pleeggezin ging wonen? En hoe staat zij er nu in?

 

  1. Weet je nog hoe het hier was toen je de eerste week hier kwam wonen?

 

  1. Wat is er gebeurd dat jij hier woont? Hoe is dat zo gekomen?

-         Heb je hiervoor ook ergens anders gewoond? / Hoe was dat?

-         Hoe oud was je toen je voor het eerst uit huis geplaatst werd? / Hoe ging dat?

-         Wat is er veranderd nu je hier woont, in vergelijking met je vorige woonplek?

  1. Ik heb je moeder een toestemmingsformulier toegestuurd. Denk je wel eens aan je moeder of helemaal niet? Waar denk je dan aan?

-         Heb je nog contact met je moeder?

-         Heb je ook nog een vader? Heb je nog contact met hem?

-         Is het contact met je ouders in de loop van de jaren veranderd? Hoe komt dat?

 

  1. Heb je nog broertjes of zusjes? Zie je die vaak en waar wonen die?

 

  1. Jij hebt een gezinsvoogd. Dat betekent dat jij onder toezicht gesteld bent toch? Kun je mij uitleggen wat dat betekent?

-         Wat zijn de taken van een gezinsvoogd?

-         Hoe is het contact met je gezinsvoogd?

 

  1. Is er iets dat jij zou willen veranderen aan jouw situatie van nu (je pleeggezin, je leven, je gezinsvoogd)?

 

  1. Jij bent nu …, toch? Stel dat je veertig bent. Hoe zou je leven er dan uitzien?

-         Wat zou je dan doen?

-         Waar zou je dan bijvoorbeeld wonen?

-         Weet je al wat je dan zou willen worden?

-         En zou je dan alleen willen wonen of samen met iemand anders?

 

  1. Als je drie wensen mocht doen, wat zou je dan wensen?

 

-         Eind

Je hebt me heel veel verteld, daar ben ik erg blij mee! Nu weet ik tenminste een beetje hoe het is om niet meer thuis te wonen. Ik heb veel gevraagd aan jou, maar misschien heb jij ook wel een vraag aan mij. Heb jij zelf nog iets te vragen of te vertellen?

Als je over een paar dagen nog vragen hebt, mag je me altijd bellen. Jij hebt mijn telefoonnummer als het goed is. J. ook wel.

Heel erg bedankt dat je aan mij je verhaal wilde vertellen. Je hebt ons er enorm mee geholpen. Om je te bedanken heb ik iets lekkers voor je meegenomen. Ik zal het bandje uit zetten.

 

 


Bijlage 2: Uitwerking interview Marykate

 

Geboortedatum: 30-06-1987, wonend in een pleeggezin.

 

I: Ik ben als eerste benieuwd naar wat jij belangrijk vindt dat andere mensen weten over ondertoezicht gestelde kinderen en jongeren. Heb je daar een idee over?

R: Euhm. Ja, ik had vandaag op school had ik het er nog wel over. Als iemand een pleegkind hoort, denken de meeste, vind ik dan, gelijk dat het een kind is dat meestal aan zichzelf te danken heeft dat ze uit huis is. Maar dat het niet altijd aan het kind zelf hoeft te liggen, vind ik. Vind ik.

I: Ja. Dat is een heel duidelijke boodschap.

R: Ja.

I: Ja.

R: Als je dat soms euh, okee, het ligt niet altijd natuurlijk aan de ouders. Maar sommigen denken ook bij mij dat het puur aan mij lag dat ik uit huis ben gezet.

I: Ja. Wat doet dat met je als mensen dat tegen je zeggen?

R: Nou, dat vind ik niet leuk.

I: Nee. Heb je dan een manier waarop je vaak reageert?

R: Ja, dat heb ik ook. Dan zeg ik gewoon zo van, nou okee het heeft niet aan mij gelegen hoor.

I: Ja.

R: Dus euh. Nou dan begrijpen hun het ook wel, als ik het een beetje uitleg dan snappen ze het ook allemaal wel.

I: Ja. Maar in eerste instantie denken ze dat toch vaak.

R: Ja, vind ik wel.

I: Ja. Nou, dan nemen we dat puntje mee.

R: Ja.

I: Dit hebben we aan alle kinderen en jongeren gevraagd.

R: Ja.

I: En dat wat jij zegt, heb ik ook al eerder gehoord.

R: Oh.

I: Ja. Hé je woont hier bij pleegouders.

R: Ja.

I: In een pleeggezin. Euhm. Je zegt eigenlijk net al dat moet ik soms mensen uitleggen. Kan je dat mij eens uitleggen wat dat precies betekent, bij pleegouders wonen?

R: Ja, je bent door andere mensen in huis genomen om opgevoed te worden. Gewoon om toch een normale opvoeding, ja denk ik te krijgen. Dat je toch nog zo normaal mogelijk wordt opgenomen als dat niet bij je eigen ouders kan.

I: Ja. Wat versta jij onder normaal?

R: Nou, niet dat je mishandeld of wat dan ook bent of als slaafje ja gebruikt wordt.

I: Hmm.

R: Bijvoorbeeld.

I: Ja. En wat doe je als je 's morgens wakker wordt? Waar ga je mee beginnen?

R: Ja, wassen, enneh tanden poetsen, opmaken, haren doen, spullen voor school pakken, aankleden en naar school, naar mijn stage.

I: Je loopt stage? Voor wat voor opleiding? Wat doe je?

R: Zorg. Dus mensen wassen enzo.

I: Ja.

R: Dat vind ik wel heel leuk.

I: En daar heb je nu ook een plek?

R: Ja.

I: En dat is in een verzorgingshuis of?

R: Ja, ja, bejaardentehuis, verzorgingshuis. Echt met oudere mensen.

I: Ja. ja. En dat vind je leuk?

R: Ja, dat vind ik echt heel leuk.

I: En dat gaat ook goed?

R: Ja, ja, ik hoef maar twee keer in de week naar school, dus euh. Voor de rest ben ik alleen maar stage aan het lopen, dus.

I: Ja.

R: Dat is wel heel veel beter.

I: En hoelang moet je nog? Ben je dan klaar na je stage?

R: Nee, na de zomervakantie moet ik echt volledig met de mensen enzo. Dus dan moet ik ook echt gewoon zelf dingen onder handen nemen en ben ik voorlopig ben ik hier nog wel.

I: Ja.

R: Ik doe nu een beetje huishouding en zorg door elkaar. En dan volgend jaar ga ik echt volledig zorg doen.

I: Een beetje rustig opbouwen.

R: Ja.

I: Ja.

R: Ja, het is ook meer om de mensen te leren kennen enzo.

I: Ja, ja.

R: De meeste mensen willen toch niet direct door vreemden gewassen worden.

I: Nee.

R: Dat zou ik ook niet willen denk ik.

I: Nee, precies. Daar kan ik me wel wat bij voorstellen.

R: Ja. Ik ook wel.

I: Ja. Hé en je zegt van nou ik sta gewoon normaal op. Wat is het eerste waar jij aan denkt 's morgens? Zijn dat bijzondere dingen?

R: Nee. Het is heel normaal hier gewoon.

I: Ja.

R: Ja.

I: Nou, ik heb net al je pleegouders gezien, twee honden, euh.

R: Pleegbroer.

I: een pleegbroer. Wonen er nog meer mensen hier?

R: Zijn vriendin woont hier. En ik heb nog een pleegbroer, maar die heeft ook een vriendin en die zit heel veel bij haar. Want hij werkt dan in A. en zijn vriendin woont daar ook en euh, heel naast de deur weet je wel, dus euh. Dat is veel makkelijker als je gewoon, dan hoef je ook niet zo vroeg uit je bed enzo om helemaal weer daar naar toe te rijden enzo. Dus meestal is hij hier in het weekend of een keer 's avonds ofzo.

I: Zij zijn allebei ouder dan jij bent?

R: Ja. Maar we hebben ook nog verschillende pleegkinderen gehad hier. Gewoon voor crisisopvang.

I: Ja, ja.

R: Ja. En die sliepen dan hier op de kamer, maar mijn kamer is pas geleden verbouwd en is ook nog niet helemaal af. Ik had gewoon een stapelbed en dan sliep ik altijd samen met hun.

I: Ja, ja. Hoe vond je dat? Dan had je geen eigen plekje.

R: Nee, ja, bij de eerste vond ik het echt een ramp, vond ik echt heel erg. Want dat was gewoon, ja, echt een vervelend kind.

I: Ja.

R: Die, ja, die molesteerde gewoon echt al mijn spullen.

I: Oh.

R: Maar die had ook wel wat jongere leeftijd als mij. En degene, die euh, die is nu een paar maanden weg ofzo, oktober ofzo. En daar kon ik echt heel goed mee opschieten. We hadden ook wel eens ruzie en als we dan ruzie hadden, hadden we ook echt goed ruzie.

I: Ja.

R: Maar zoals met haar ging ik naar de stad. Met haar ging ik allemaal dingen, zwemmen enzo. En dat deed ik met dat andere meisje niet.

I: Nee.

R: We waren dus wel close met elkaar. En daar heb ik nu nog steeds contact mee. En met dat andere meisje niet, dus.

I: Is het contact met zo'n pleegzusje anders dan wat je met je pleegbroers hebt? Omdat dat toch de eigen kinderen zijn?

R: Ja, met dat laatste meisje kon ik wel heel goed praten, want we hadden ongeveer een beetje hetzelfde meegemaakt. Weet je wel.

I: Ja.

R: We konden elkaar heel goed begrijpen met de problemen enzo die we hadden dan.

I: Ja.

R: Dus ja. En zoals die jongens, we sliepen dan samen op één kamer enzo. Dus ja, ik denk wel dat ik daar beter contacten mee had als met hem.

I: Ja.

R: Hij heeft ook wel zijn eigen oudere leeftijd en wij hadden gewoon ook een beetje dezelfde leeftijd.

I: Ja, ja. Dus het heeft niet alleen te maken met het feit dat hij andere dingen heeft meegemaakt, maar ook de leeftijd.

R: Nee, met de leeftijd.

I: Ja. Hé en wat is het verschil met een "gewoon" gezin zeg maar? Gewoon is ook maar altijd gewoon, maar.

R: Hoe gewone normale mensen zijn zeg maar?

I: Nee, zeg maar als je dit gezin vergelijkt met een gewoon gezin waar alleen eigen kinderen wonen. Wat gaat er dan anders hier? Of wat is er dan anders?

R: Euh, ja, ik denk dat ik wel wat meer regels heb, waar ik me ook aan moet houden, denk ik. Dat ze toch het beste voor mij willen, zodat het ook voor mijn moeder nog goed overkomt enzo. Dat ik niet, mijn moeder moet niet het idee krijgen dat ze mij de verkeerde kant naar toe. Dus ik denk dat ik wel meer regels heb als kinderen die in een normaal gezin wonen.

I: Ja, ja. Was je moeder er bang voor dat dit geen goede plek zou zijn voor je?

R: Nee.

I: Of heb je het daar nooit over gehad samen?

R: Nee, ze vindt het heel goed dat ik hier zit. Ze vindt, ze is ook heel blij enzo. Mijn broer en zusje hebben in een pleeggezin gezeten, waar het gewoon niet goed ging. Dus dan is ze toch wel blij dat ik in een gewoon normaal pleeggezin zit. 

I: Ja, ja. En in het weekend ben je dan ook wel eens hier? Of?

R: Ik ben soms bij mijn moeder. En ja, als ik hier ben, ben ik bijna altijd bij vrienden enzo. Maar ik ga wel naar mijn moeder toe enzo van vrijdag tot zondag, dus.

I: Ja.

R: Het is verschillend.

I: Niet elk weekend?

R: Nee.

I: Zijn er afspraken over?

R: Ja.

I: Of plan je dat gewoon wanneer je zin hebt.

R: Nee, daar zijn afspraken over. Maar stel nou dat bijvoorbeeld mijn pleegvader, m'n stiefvader dan euh, in het weekend jarig is, mag ik daar gewoon heen enzo.

I: Ja, ja.

R: Of door de weeks als er bijzonderheden zijn, mag ik er gewoon heen.

I: Ja.

R: Maar als ik bijvoorbeeld zeg, van ja ik heb er wel zin in zaterdag eigenlijk en ik heb toch niks te doen ofzo, dan zeggen A. en J. meestal wel van nou ja, ach ga maar joh. Als je toch niks te doen hebt ofzo. Of er is een oom ofzo van mij jarig daar zo, dan ga ik er ook gewoon heen.

I: Ja. Dus je hebt ook nog wel een goed contact met je eigen familie?

R: Ja.

I: Ja.

R: Ja, gelukkig wel.

I: Ja.

R: Maar we hebben een hele grote familie, dus euh. Haha.  Dat is wel heel moeilijk, maar.

I: Ja.

R: We hebben echt een hele grote familie. Mijn opa en oma hadden veertien kinderen, dus ik heb veertien ooms en tantes en euh, nou die hebben ongeveer drie of vier kinderen enzo, dus euh.

I: Ja.

R: Al mijn neefjes en nichtjes enzo, ken ik niet eens.

I: Nee. Gek lijkt mij.

R: Ja.

I: Ja.

R: En zelfs mijn zusje kent ze niet eens allemaal, dus euh.

I: Want je zusje woont nog thuis?

R: Weer bij mijn moeder weer.

I: Oh, bij je moeder.

R: Ja.

I: En dan had je nog?

R: Ik heb nog een broer.

I: Nog een broer.

R: Ja.

I: Oh je wijst naar boven, ja. Naar de foto.

R: Toen mijn moeder ging trouwen.

I: Ja.

R: En daar is er nog één.

I: Leuk zeg.

R: Ja.

I: Oh dus die zijn dicht bij jou hier, toch wel.

R: Ja, gelukkig wel.

I: Ja. En je broer die woont niet bij je moeder?

R: Nee, die woont, ja, laten we zeggen samen gewoon met anderen in een huis.

I: Oh ja. Hoe vind je het om hier te wonen?

R: Leuk.

I: Ja.

R: Ja.

I: Wat vind je het leukste hier?

R: Euh, ja. Dat ik toch wel als eigen kind behandeld wordt, wel. Het is niet echt zo van ja, jij bent een pleegkind, dus jij bent, jou laten we buiten, weet je wel.

I: Ja.

R: Een beetje buitenbeentje. Dat gevoel heb ik nooit. Nee.

I: Nee.

R: Nee hoor.

I: Dat vind je het allerleukst. Zijn er nog meer leuke dingen hier?

R: Haha, ja met verjaardagen. Haha.

I: Wat is er leuk met verjaardagen?

R: Krijg ik extra veel cadeautjes. Haha. Van ja, een beetje van hun familie laat ik maar zeggen. Ze beschouwen me allemaal wel als familie.

I: Ja.

R: En van mijn eigen familie.

I: Ja.

R: Nee maar. Ja, ik weet eigenlijk niet.

I: Zijn er ook dingen die je niet zo leuk vindt?

R: Ja, ik heb altijd wel eens ruzie met ze of zo, maar dat heeft iedereen wel eens met z'n ouders. 

I: Ja. En waar gaat dat meestal over? Zijn dat een beetje dezelfde dingen of?

R: Euh, als ik te laat thuis kom, of euh ja ik loop in de winter bijvoorbeeld met zulke korte topjes ofzo, ja, dat vinden ze dan niet echt nodig. Ja. Een beetje verkeerde dingen doen. Of nou, ja verkeerde dingen doen, maar gewoon dingen wat niet echt mag weet je wel.

I: Maar wat misschien wel ook hoort bij een puber?

R: Ja.

I: Dat je gewoon.

R: Ja, zoals uitgaan en zo, dat wil echt heel graag, maar ja dat krijg ik bij hun echt niet voor elkaar.

I: Nee?

R: Nee. Dan hebben ze zoiets van nou, misschien in de zomer mag je wel uit. Dus.

I: Zijn ze dan strenger naar jou toe of zijn ze dat ook voor hun zonen zeg maar?

R: Nee. Die mogen gewoon uit. Die mochten op hun vijftiende ofzo al uit.

I: En hoe rijm je dat dan met elkaar. Want aan de ene kant zeg je ik word wel beschouwd als een eigen kind. En dat is heel erg fijn.

R: Ja.

I: Maar hier lijkt het dan toch dat je anders behandeld wordt.

R: Ja, ze willen natuurlijk toch wel voorzichtiger met me zijn enzo.

I: Ja.

R: En ja als je uitgaat enzo, dan zijn er niet altijd de beste mensen daar zo en die hebben niet altijd een goede invloed op je. En ik ben een meisje. En daar zijn ze ook heel voorzichtig mee.

I: Dat kan ook nog een rol spelen.

R: Ja.

I: Ja. Maar zo te horen, kan je je er wel een beetje in vinden in hoe hun denken of niet?

R: Ja, ja. Dan ga ik nog niet uit. Haha. Dan wacht ik wel tot de zomer. Dan zeur ik wel verder.

I: Ja. Hoe is de sfeer hier?

R: Gezellig.

I: Ja?

R: Ja.

I: Kan je daar nog meer o