Wij zijn Annemarie Zander en Ellen van de Locht en studeren pedagogiek aan de Universiteit
Utrecht. In het kader van ons afstudeeronderzoek hebben wij een kwalitatief onderzoek gedaan naar de
beleving van onder toezicht gestelde jongeren. We hebben ons verdiept in hoe zij tegen hun
uithuisplaatsing aankijken. Hieronder zullen wij allebei kort toelichten waar de interesse voor dit
onderwerp vandaan komt.
“Zelf heb ik nog geen ervaring met
uit huis geplaatste kinderen. Dit onderzoeksgebied is nog geheel nieuw voor mij. Ik zou er graag meer over
willen weten. Niet voor alle kinderen is het vanzelfsprekend dat ze een onbezorgde jeugd ervaren, zonder
problemen. Voor een aantal van deze kinderen lopen de problemen soms zo erg op dat ze niet meer thuis kunnen
of mogen wonen. Deze kinderen zullen in een heel andere leefomgeving opgroeien als voor de meeste kinderen
gebruikelijk is. Het lijkt mij heel interessant om erachter te komen hoe deze kinderen die nieuwe
leefomgeving ervaren en meer nog hoe ze het ervaren om niet meer thuis te wonen” (Annemarie).
“Toen ik acht jaar was, kregen mijn
ouders, broertje en ik ons eerste pleegzusje. In de jaren erna, volgden er nog ongeveer twintig
pleegkinderen. Na vijf jaar crisis opvang, zijn we ermee gestopt, omdat mijn moeder als pleegzorgwerker ging
werken. Een aantal jaren later kwam ik tijdens mijn stage van de opleiding Sociaal Pedagogische
Hulpverlening (SPH) te werken op een residentiële crisisopvang- en observatiegroep. Ook hier kwam ik in
aanraking met kinderen die uit huis geplaatst waren. Ondanks deze ervaring heb ik me niet echt verdiept in
hoe deze kinderen het beleven om niet meer thuis te wonen. Als groepsopvoedster was mijn aandacht meer
gericht op het verlenen van zorg. En als eigen kind in ons pleeggezin was het vanzelfsprekend voor mij dat
kinderen soms niet meer thuis wonen. Door dit onderzoek hoop ik meer inzicht te krijgen in de beleving van
de uit huis geplaatste kinderen en hoop ik deze kennis te kunnen gebruiken in mijn toekomstige werk”
(Ellen).
Hierna kunt u in hoofdstuk 2 de theoretische achtergrond van het onderzoek
lezen. De methodische achtergrond van het onderzoek wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 kunt u
de resultaten vinden. De conclusie van het onderzoek staat in hoofdstuk 5. Tenslotte volgt in hoofdstuk 6
een samenvatting.
Annemarie
Zander& Ellen van de
Locht.
Utrecht, augustus
2004.
Hulpverlening vindt meestal vrijwillig plaats. Kinderen, jongeren en/of hun ouders melden zich
dan vrijwillig aan bij een hulpverlenende instantie, zoals Bureau Jeugdzorg. Soms ziet de hulpverlening
echter geen mogelijkheid om op vrijwillige basis ouders en hun kinderen te helpen. Dat is bijvoorbeeld
het geval wanneer de opvoedingssituatie zodanig is, dat er moreel en/of lichamelijk gezien risico’s zijn
voor het kind of de jongere. Er moet dan een juridische maatregel genomen worden (Matthijs & Vincken,
1997).
Via Bureau Jeugdzorg of het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling kan
de Raad voor de Kinderbescherming een melding krijgen dat een kind of jongere ernstig in zijn ontwikkeling
wordt bedreigd. De melding die bij Bureau Jeugdzorg of het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
binnenkomt, kan bijvoorbeeld gedaan worden door school, politie of bezorgde buren (Veldkamp, 1995, in Reith,
2003). De Raad kan dan een onderzoek verrichten naar de opvoedingssituatie van het kind of de jongere. Op
basis van het onderzoek verwijst de Raad naar de vrijwillige hulpverlening, of verzoekt de Raad de
kinderrechter om een "kinderbeschermende maatregel" op te leggen. Bij een kinderbeschermende maatregel
betreft het hulp met een gedwongen karakter. Er zijn drie vormen te onderscheiden; een
ondertoezichtstelling, een ontheffing of een ontzetting (Van Lieshout, 2003). Deze drie vormen zullen
hieronder worden toegelicht.
Allereerst zal de ondertoezichtstelling beschreven worden, omdat dat de
minst ingrijpende maatregel is. Vervolgens zullen de ingrijpendere ontheffing en ontzetting aan bod komen.
Historisch gezien zou het logischer zijn om een andere volgorde aan te houden. Dit zal duidelijk worden in paragraaf 2.2.3 over het ontstaan.
Deze paragraaf over de ondertoezichtstelling zal beginnen met de uitleg wat een
ondertoezichtstelling inhoudt. Daarna zal de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling beschreven
worden.
De ondertoezichtstelling is dus, zoals blijkt uit paragraaf 2.1, een maatregel in het belang
van het kind of de jongere. Hieronder volgt een beschrijving met betrekking tot deze maatregel, die voor
een belangrijk deel geïnspireerd is door Van der Linden, Ten Siethoff & Zeijlstra-Rijpstra (2001,
p.83-91) en de website van postbus 51 (www.postbus 51.nl).
Elke minderjarige kan onder toezicht worden gesteld, behalve de kinderen
en/of jongeren die onder gezag staan van een rechtspersoon. De ondertoezichtstelling kan worden aangevraagd
bij de kinderrechter door de Raad voor de Kinderbescherming en de Officier van Justitie. Een ouder of een
ander die het kind of de jongere verzorgt kan ook een ondertoezichtstelling aanvragen. Daarvoor hebben
ze wel een advocaat nodig.
In artikel 254 van het Burgerlijk Wetboek 1 wordt aangegeven wanneer een
kinderrechter een ondertoezichtstelling kan uitspreken, namelijk “Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke
belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging
hebben gefaald of, naar is te voorzien zullen falen” (p.317).
De gevallen waarin een maatregel uitgesproken kan worden zijn divers en
worden meestal gekenmerkt door complexe problematiek, waarbij vaak sprake is van een problematische
voorgeschiedenis, zoals gedrags- en opvoedingsstoornissen, kindermishandeling, verslaving, crimineel gedrag
en ernstige problemen van ouders die hun weerslag hebben op de kinderen, al dan niet in combinatie met
elkaar.
Als de ouders de zorg voor hun kind niet alleen aan kunnen en de
ontwikkeling van het kind of de jongere in gevaar komt, kan de kinderrechter dus een ondertoezichtstelling
uitspreken. Dit kan ook tegen de wil van de ouders in. Bij een ondertoezichtstelling kan de kinderrechter
het gezag van één of beide ouders, of van de voogd beperken door een kind of jongere onder toezicht te
stellen van een gezinsvoogdij-instelling. De kinderrechter benoemt dan een gezinsvoogdij-instelling. De
gezinsvoogdij-instelling wijst vervolgens een gezinsvoogd aan. Deze gezinsvoogd begeleidt het kind of de
jongere en helpt de ouders bij de opvoeding. Van der Linden e.a. (2001) definiëren een gezinsvoogd als
“een professionele hulpverlener in dienst bij een
gezinsvoogdij-instelling, die ouders hulp en steun geeft bij de verzorging en opvoeding” (p.83). Deze
definitie komt overeen met de omschrijving van een gezinsvoogd zoals die op de website van kinderhulp wordt
aangegeven, namelijk "een hulpverlener die de bevoegdheid heeft in te
grijpen in de gezinssituatie". Een gezinsvoogd stelt een hulpverleningsplan op en bespreekt dit met de
ouders. De gezinsvoogd bewaakt samen met de ouders de belangen van het kind of de jongere. De kern van
het werk van een gezinsvoogd is dus het zo goed mogelijk waarborgen van de belangen van de onder toezicht
gestelde kinderen of jongeren. Verder probeert de gezinsvoogd een uithuisplaatsing zo lang mogelijk uit te
stellen en de relatie met de met gezag belaste ouder zo goed mogelijk te houden. Hiermee is echter niet
altijd het belang van het kind of de jongere gediend. In sommige gevallen zou het voor het kind of de
jongere beter zijn als het eerder uit huis geplaatst werd, wat dus ten koste kan gaan van de relatie tussen
de gezinsvoogd en de met gezag belaste ouder. Het waarborgen van het belang van het kind of de jongere wordt
ook bemoeilijkt doordat het werk van een gezinsvoogd gekenmerkt wordt door een hoge werkdruk en een groot
personeelsverloop (Overmeer, 2002).
Een gezinsvoogd is dus een hulpverlener die in dienst is van een
gezinsvoogdij-instelling. Deze vorm van voogdij is een door de kantonrechter of rechtbank opgedragen voogdij
en wordt ook wel datieve voogdij genoemd. Naast deze datieve voogdij bestaat ook nog een andere, tweede vorm
van voogdij, namelijk een testamentaire voogdij. Testamentaire voogdij vindt plaats wanneer een ouder met
gezag overlijdt. Deze ouder(s) hebben bepaald wie na het overlijden voortaan als voogd het gezag over hun
kind zal uitoefenen. Deze voogd wordt dus niet door de kantonrechter of rechtbank benoemd.
De ondertoezichtstelling wordt door de kinderrechter voor ten hoogste één
jaar uitgesproken over een kind. Tot de meerderjarigheid van de jongere kan telkens aan het einde van de
termijn, waarvoor de ondertoezichtstelling bepaald is, een verzoek ingediend worden bij de kinderrechter tot
verlenging van de maatregel. Ook bij verlenging geldt een duur van ten hoogste één jaar. Verlengen kan de
kinderrechter onder andere doen op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de (pleeg-)ouders of de Raad
voor de Kinderbescherming. Bij een eventuele verlenging vraagt de kinderrechter wel eerst de mening van alle
betrokkenen en ook de mening van het kind of de jongere, in ieder geval als hij of zij twaalf jaar of ouder
is.
Indien acute hulpverlening noodzakelijk is en een onderzoek in verband
met een aangevraagde ondertoezichtstelling te lang duurt, kan de kinderrechter het desbetreffende kind of de
jongere voorlopig onder toezicht stellen. Deze voorlopige maatregel duurt maximaal drie maanden.
De hulpverlening is gericht op het gezin waartoe het kind of de jongere
behoort en waar het in principe tijdens de ondertoezichtstelling ook verblijft. De ouders blijven bij deze
maatregel het ouderlijk gezag over hun kind houden, maar moeten bij belangrijke beslissingen overleggen met
de gezinsvoogd. De beperking van het gezag is dus gelegen in het feit dat de gezagsdragers zich niet
vrijblijvend kunnen opstellen tegenover deze hulpverlening. Ouders moeten de aanwijzingen van de gezinsvoogd
opvolgen. Een gezinsvoogd kan de ouders en het kind of de jongere een schriftelijke aanwijzing geven,
bijvoorbeeld over de opleiding, de huisregels of een specialistisch onderzoek van het kind of de jongere.
Het niet opvolgen van de aanwijzing kan vergaande gevolgen hebben. Het kan leiden tot een uithuisplaatsing
of, in zeer ernstige gevallen, tot een ontheffing of ontzetting van de ouder(s) uit het gezag. Wel kunnen
ouders en jongeren vanaf twaalf jaar bij bezwaren naar de kinderrechter gaan.
De ondertoezichtstelling is dus bedoeld om een aanvaardbare
opvoedingssituatie te creëren. Dat betekent dat ouders, kind of jongere en gezinsvoogd samenwerken om de
problemen op te lossen, die de ontwikkeling van het kind of de jongere belemmeren. Het is de bedoeling dat
de ouders zelf zoveel mogelijk voor hun kind blijven zorgen en dat zij op den duur weer zonder
ondertoezichtstelling verder kunnen.
De maatregel is preventief van aard. Men acht het mogelijk dat door een
ondertoezichtstelling de verderstrekkende ontheffing of ontzetting met de onvermijdelijke uithuisplaatsing
voorkomen kan worden, mits goede hulpverlening op gang gebracht wordt. In principe blijft het kind of de
jongere tijdens de ondertoezichtstelling dus zoveel mogelijk in het eigen gezin.
In sommige situaties echter vindt de gezinsvoogd een uithuisplaatsing
voor een kind of jongere noodzakelijk. De gezinsvoogdij-instelling vraagt dan een machtiging aan bij de
kinderrechter. Hierbij gaat het om een situatie waarbij de gezinsvoogdij-instelling constateert dat de hulp
die geboden kan worden, terwijl het kind of de jongere in het eigen gezin verblijft, niet de meest
wenselijke is of niet langer voldoende waarborgen biedt voor het verminderen van de bedreiging van de
belangen van het kind of de jongere.
Een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling heeft
per definitie een tijdelijk karakter. Een machtiging voor uithuisplaatsing wordt verleend voor ten hoogste
één jaar en kan telkens met een zelfde termijn verlengd worden. Indien echter tijdens de uithuisplaatsing
geen enkel zicht is op plaatsing thuis en er ook niet meer aan thuisplaatsing gewerkt wordt, is de
ondertoezichtstelling wettelijk gezien niet meer de juiste maatregel, tenzij het verblijf buiten het gezin
vrijwillig is. Kenmerk van de ondertoezichtstelling is immers dat verantwoordelijkheid van de ouders voor
hun kind, zij het beperkt, blijft bestaan. De ondertoezichtstelling is dus de minst ingrijpende justitiële
maatregel. Het kind of de jongere verblijft in principe in zijn eigen omgeving en de hulp die geboden wordt
is gericht op het versterken van de band in het gezin. In de praktijk blijkt dat
uithuisplaatsingen vaak voorkomen. In de volgende paragraaf zal dat aan de orde komen. Ook in paragraaf 2.3
over prevalentie, komt aan de orde dat ongeveer de helft van de onder toezicht gestelde kinderen en jongeren
niet meer thuis woont.De ondertoezichtstelling kan op drie manieren stoppen; het eindigt ten eerste
als niemand na één jaar om verlenging vraagt of ten tweede wanneer de jongere meerderjarig wordt of ten
derde bij een ontheffing of ontzetting.
De doelmatigheid van de ondertoezichtstelling is in 2002 onderzocht door
Slot e.a. In dat onderzoek werden 103 dossiers geanalyseerd in opdracht van het ministerie van justitie en
werden kinderrechters, stafmedewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogden, ouders en
kinderen geïnterviewd. Uit de interviews met de gezinsvoogden kwam naar voren dat er sprake is van
wachtlijstproblematiek en dat de beschikbare contacttijd ontoereikend zou zijn. Daarnaast bleek dat de
gezinsvoogden behoefte hadden aan meer ondersteuning door de instelling en aan meer tijd voor collegiaal
overleg (Slot e.a., 2002, in Dullens (2002) en in Van Hout & Spinder, 2002).
Uit het totale onderzoek kwamen 909 zorgpunten naar voren. Zo blijkt dat
na twee jaar ondertoezichtstelling de situatie van 28% van de kinderen verbeterde, bij 38% bleef de situatie
hetzelfde en van 33% verslechterde de situatie. Het blijkt dat een derde deel van de kinderen tijdens de
ondertoezichtstelling meer dan twee keer was verhuisd. Bij de groep waar verbetering was opgetreden, hebben
zich minder vaak wisselingen van de verblijfplaats voorgedaan dan bij de verslechterde groep. Verder blijkt
dat bijna tweederde van de kinderen uit huis geplaatst was en dat de kinderen zo’n twee tot drie keer een
andere gezinsvoogd hebben gehad. Ook kwam naar voren dat er, in tegenstelling tot wat de gezinsvoogden
hadden aangegeven, geen sprake was van wachtlijstproblematiek. Tenslotte bleek dat de meeste kinderen
ingrijpende gebeurtenissen hadden meegemaakt, dat er bij één op de zes gevallen sprake was van
communicatieproblemen en dat bijna acht keer zoveel kinderen als gemiddeld in Nederland naar het speciaal
onderwijs gingen (Slot e.a., 2002, in Dullens (2002) en in Van Hout & Spinder, 2002).
Slot e.a. (2002) concluderen in hun onderzoek dat kinderen die de zwaarste
problematiek hebben en kinderen die minstens één ouder hebben die niet in Nederland geboren is, het meeste
baat hebben bij een ondertoezichtstelling. De aanbevelingen die de onderzoekers hebben gedaan zijn
allereerst dat gezinsvoogden bijgeschoold moeten worden en ten tweede dat hulp aan ouders en kind beter
afgestemd moet worden op de jeugdzorg (Slot e.a., 2002 in Dullens, 2002). Deze tweede aanbeveling wordt ook
beschreven in onderzoeken van Palmer (1996), Thomlison (1991, in Jivanjee, 1999) en Van Hout en Spinder
(2002), die verderop in dit verslag beschreven zullen worden.
Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven zijn er naast de
ondertoezichtstelling nog twee andere kinderbeschermende maatregelen die de kinderrechter kan opleggen,
namelijk ontheffing en ontzetting. Dit zijn dus ook maatregelen die worden genomen in het belang van het
kind of de jongere. Hieronder volgt een beschrijving van de ontheffing en ontzetting. Hierbij is gebruikt
gemaakt van het boek van Van der Linden e.a. (2001), pagina 6, 8, 83 en 91-93.
Een ontheffing en een ontzetting hebben veel verderstrekkende gevolgen dan
de ondertoezichtstelling. Deze maatregelen zijn namelijk gericht op het verbreken van de gezagsrelatie en de
feitelijke band. De gevolgen hiervan zijn opvoeding buiten het gezin en benoeming van een gezinsvoogd,
doorgaans een instelling. Deze maatregelen worden pas toegepast als de gevolgen hiervan minder ernstig voor
het kind of de jongere worden geacht dan continuering van de gezinssituatie.
Ontheffing wordt als maatregel toegepast als er sprake is van onmacht of
ongeschiktheid van de ouders tot de verzorging en opvoeding van hun kind(eren). De oorzaken van de onmacht
en ongeschiktheid kunnen verschillend zijn. Kenmerkend is dat er niet op de eerste plaats verwijtbaar gedrag
aan ten grondslag ligt, wat bij ontzetting wel het geval is.
Redenen voor ontzetting zijn onder andere misbruik van ouderlijk gezag
of grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding, slecht levensgedrag zoals chronisch alcoholmisbruik
en prostitutie, en een onherroepelijke veroordeling wegens het plegen van een misdrijf samen met of tegen de
minderjarige.
Voor 1901 was de vaderlijke macht onaantastbaar. Dat betekende dat de
hulpverlening aan kinderen of jongeren slechts mogelijk was als de vader zich er niet tegen verzette. In
1901 werden er een aantal wetswijzigingen doorgevoerd met betrekking tot het gezag over minderjarigen.
Bijvoorbeeld, de vaderlijke macht werd ouderlijke macht. Deze ouderlijke macht was niet onaantastbaar;
hulpverlening aan kinderen of jongeren werd mogelijk tegen de wil van ouders door de ontheffing of de
ontzetting.
De ontheffing en ontzetting zijn maatregelen die eerder bestonden dan de ondertoezichtstelling.
Hoewel de ontheffing en de ontzetting effectieve maatregelen waren, ontstond er behoefte aan een
preventieve maatregel die minder ingrijpend zou zijn. In 1921 is daarom de ondertoezichtstelling
opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Bij de ondertoezichtstelling werd door middel van hulpverlening in
het gezin geprobeerd om een escalatie van problemen te voorkomen. In 1995 werd de wet met betrekking tot
de ondertoezichtstelling aangepast (Van Hout & Spinder, 2002). Een belangrijke wijziging betreft de
scheiding tussen de rechtsprekende en de uitvoerende taak. Voorheen vielen beide taken onder
verantwoordelijkheid van de kinderrechter, maar vanaf 1995 valt de uitvoering van de maatregel onder
verantwoordelijkheid van de gezinsvoogdij-instelling. Daarnaast heeft de met gezag belaste ouder of
verzorger meer zeggenschap en grip gekregen op de inhoud van de hulpverlening (Overmeer,
2002).
De meest recente cijfers met betrekking tot ondertoezichtstelling
staan op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Volgens het CBS zijn er in 2002 in
totaal 20429 kinderen en jongeren onder toezicht gesteld. Daaronder vallen 10903 jongens en 9526 meisjes.
Het totaal aantal onder toezicht gestelde kinderen of jongeren wordt door het CBS ook aangegeven in
verschillende leeftijdsgroepen. In 2002 zijn 2095 kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar onder toezicht
gesteld, 4575 kinderen in de leeftijd van 5 tot 9 jaar, 6893 kinderen en/of jongeren in de leeftijd van
10-14 jaar en 6966 jongeren in de leeftijd van 15 tot 17 jaar (www.cbs.nl). In de leeftijd van 10 tot 14
jaar bevindt zich dus het grootste percentage onder toezicht gestelde kinderen en/of jongeren.
Bij het CBS zijn geen cijfers bekend over het aantal
uithuisplaatsingen, in het kader van de ondertoezichtstelling. Cijfers hierover zijn wel te vinden op de
website van kinderhulp. Hoewel op deze website niet wordt aangegeven op welk jaar de cijfers van toepassing
zijn, worden ze hieronder toch genoemd omdat de cijfers over de ondertoezichtstelling overeenkomen met de
hierboven genoemde, recente cijfers van het CBS.
Volgens de website van kinderhulp vallen in Nederland zo'n 25.000
kinderen of jongeren onder de jeugdbescherming. Het merendeel van de kinderen of jongeren (20.000) heeft
door de kinderrechter een gezinsvoogd toegewezen gekregen, omdat er ernstige problemen in het gezin zijn.
Verder wordt genoemd dat van de 20.000 kinderen of jongeren die onder toezicht van een gezinsvoogd staan,
ruim 50 % thuis woont. Het gaat dus om ongeveer 10.000 kinderen of jongeren. De andere helft verblijft voor
korte of langere tijd in een pleeggezin of internaat. Bijna 5.000 kinderen of jongeren staan onder voogdij
en worden niet meer door de eigen ouders opgevoed. Zij wonen in een pleeggezin, internaat of op kamers
(www.kinderhulp.nl).
Naast deze cijfers van kinderhulp worden er overeenkomstige cijfers
genoemd in verslagen van de directie kinderbescherming van het ministerie van justitie (Nijnatten, 1999). Er
wordt aangegeven dat er in 1998 in totaal 19.444 kinderen of jongeren onder toezicht zijn gesteld. Van dit
aantal zijn er 10.661 kinderen of jongeren niet uit huis geplaatst. Ruim 8.000 kinderen of jongeren zijn dus
uit huis geplaatst. Het merendeel van de kinderen of jongeren
is in een inrichting geplaatst.
Uit vroeger onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) blijkt dat er meestal
voorafgaand aan een uithuisplaatsing langere tijd (meer dan een jaar) contact is geweest met de ambulante
hulpverlening (Haagen, Van Hecke & Van Ooyen-Houben, 1983; “Het hulpverleningsbeeld”, 1989; Van
Ooyen-Houben, De Kort & Stolp-Keuzenkamp, 1987; Van der Ploeg & Scholte, 1988, in Van Ooyen-Houben,
1991). Dit gegeven suggereert dat er niet snel tot een uithuisplaatsing wordt overgegaan, maar dat er eerst
geprobeerd wordt of ambulante hulpverlening voldoende is (Van Ooyen-Houben, 1991).
In tegenstelling tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is er
veel minder onderzoek gedaan naar ontheffing en ontzetting. Cijfers daarover zijn dan ook schaars. Bij het
CBS zijn tot en met 1995 cijfers bekend over het aantal ontheffingen en ontzettingen die er per jaar plaats
vinden. In dat jaar werden 308 ouders ontheven en 11 ouders ontzet uit de ouderlijke macht.
Van Ooyen-Houben (1991) spreekt van uithuisplaatsing wanneer “ het kind zowel overdag als ‘s nachts zonder zijn ouder(s) is opgenomen in
een tehuis- of in een pleeggezinsituatie, waarbij de opvoedings- en verzorgingstaak van de ouders voor
het grootste deel door anderen (groepsleiders of pleegouders) wordt uitgevoerd” (p.15).
Aanleiding van een uithuisplaatsing kan onder andere een problematische situatie thuis zijn,
een indicatie voor specifieke behandeling of de noodzaak van een observatie van het kind of de jongere.
De plaatsing van het kind of de jongere kan bijvoorbeeld in het gezin van de ouder die geen gezag heeft,
in een pleeggezin, een tehuis voor jeugdhulpverlening (leefgroep), gezinshuis, een gesloten inrichting, een kliniek voor kinder-
en jeugdpsychiatrie of in een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (Van der Linden e.a.
(2001).
Een uithuisplaatsing wordt door de betrokkenen meestal als een
ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis ervaren (Van Ooyen-Houben, 1991). Bij de uithuisplaatsing kan het kind
of de jongere gevoelens van rusteloosheid, onzekerheid en schaamte ervaren. Dit laatste gevoel kan ook bij
ouders en hulpverleners naar voren komen, evenals gevoelens van droefheid, verbittering, ongerustheid en
schuld (Fanshel & Shinn, 1978; Van Harten-Oudijk, 1988; Junger-Tas, 1983a; Klüppel & Slijkerman,
1983; Van Ooyen-Houben e.a., 1987; Rice & McFadden, 1988; Spaans, Berben & Reeuwijk, 1989, in Van
Ooyen-Houben, 1991). De uithuisplaatsing wordt dus vaak als iets negatiefs gezien, terwijl, zoals eerder
beschreven is, de intentie is om een verbetering voor het kind of de jongere te bewerkstelligen. De
beslissing tot uithuisplaatsing wordt immers genomen, nadat er negatieve signalen zijn over de ontwikkeling
van een kind of jongere (Van Ooyen-Houben, 1991).
In 1983 heeft Knorth een onderzoek gedaan naar de ervaringen van jongeren met residentiële
opnameprocedures in de jeugdbescherming. Hoewel dit onderzoek gedateerd is, wordt het hieronder toch kort
beschreven, omdat Knorth gezien kan worden als een deskundige op het gebied van uithuisplaatsing en in
recente literatuur nog vaak aangehaald wordt. Het onderzoek naar de ervaringen met de opnameprocedures
vormde een deelonderzoek binnen het langlopende onderzoek ‘Opnames in Jeugdbescherming’. In dit
deelonderzoek is gekeken naar de beleving van jongeren van de opnameprocedure, zoals gehanteerd in het
tehuis waar zij werden opgenomen. Knorth (1983, p.2) schreef het volgende over het uit huis plaatsen van
jongeren: “Het opnemen van jeugdigen in een tehuis, om welke
redenen dan ook, is een zeer ingrijpende gebeurtenis voor alle betrokkenen. De nood moet dan ook wel zeer
hoog gestegen zijn, wil plaatsing in een internaat overwogen worden. Het is een gebeurtenis, die erg veel
spanning met zich meebrengt (Van der Ploeg, 1980) en waarvan de uiteindelijke resultaten op z’n minst
twijfelachtig moeten worden genoemd (zie b.v. Van Acker, 1981). Bekend is het risico, zeker in de
jeugdbescherming, dat tehuisbewoners tot zondebok in het gezin van herkomst worden, dat
ze gestigmatiseerd worden in de maatschappij, of dat ze afhankelijk worden van het tehuis (hospitalisatie) dan wel worden doorgeplaatst bij
‘te moeilijk gedrag”.
Bovenstaande geeft het belang aan van onderzoek over uithuisplaatsing. Vanwege gebrek aan
empirische bevindingen over de opnameprocedure heeft Knorth (1983) hier dus een onderzoek naar verricht.
Andere deelonderwerpen van dit langlopende onderzoek waren de beslissingsprocedure bij uithuisplaatsing,
de fasering van de opnameprocedure, de in de praktijk voorkomende opnamemodellen, het gebruik van
schriftelijk voorlichtingsmateriaal en de rol van ouders in het opnameproces.
Voorafgaand aan de opname van een kind of jongere moet de beslissing worden genomen om een kind
of jongere uit huis te plaatsen. De keuze om een kind of jongere uit huis te plaatsen of thuis te houden
blijft altijd een moeilijk dilemma. De beslissing die genomen wordt grijpt namelijk in op de meest
fundamentele en gevoelige gebieden van het menselijk leven; aan de ene kant hebben ouders het recht om
hun kind op te voeden, maar aan de andere kant hebben kinderen en/of jongeren het recht om op te groeien
in een gezin dat bijdraagt aan een gezonde ontwikkeling (Davidson-Arad, Englechin-Segal & Wozner,
2003).
Het ingrijpen van een gezinsvoogd heeft een geweldige impact op de
privacy van een gezin. Van gezinsvoogden wordt verwacht dat zij de juiste beslissing nemen in
overeenstemming met de wet. Daarnaast moeten beslissingen vaak gemaakt worden onder omstandigheden die niet
ideaal zijn; de beslissingen moeten onder druk genomen worden en er is vaak sprake van onvoldoende en
ambivalente informatie. Dit laatste komt met name, omdat bijvoorbeeld verwaarlozing en mishandeling vaak
achter gesloten deuren plaatsvinden (Munro, 1996; Rossi, Schuerman & Budde, 1991, in Davidson-Arad e.a.,
2003). Verder maken gezinsvoogden over het algemeen hun beslissing over de uithuisplaatsing zonder dat ze
van tevoren weten waar het kind of de jongere geplaatst zal worden. (Meddin, 1984, in Davidson-Arad e.a., 2003). Gezinsvoogden kunnen van
tevoren dus nooit met zekerheid overzien of de beslissing die ze hebben genomen de juiste is. Het kan
bijvoorbeeld gebeuren dat kinderen en/of jongeren die thuis verwaarloosd of misbruikt werden, ook
verwaarloosd of misbruikt worden in een pleeggezin of instelling. Of kinderen en/of jongeren in deze
situatie nu thuis blijven wonen of uit huis geplaatst worden, de situatie is nooit ideaal (Davidson-Arad
e.a., 2003).
Het grote belang van de beslissing over uithuisplaatsing, de
moeilijkheden bij het maken van de keuze, de zwaarwegende reacties en de grote schade die aangebracht kan
worden bij het nemen van een verkeerde beslissing, maken het essentieel dat het welzijn van de kinderen
gevolgd moeten worden nadat een beslissing is genomen.
Sastre en Ferriere (2000) hebben een onderzoek gedaan om te bepalen in welke mate het welzijn
van een adolescent is aangetast, wanneer veranderingen in de gezinsstructuur het punt bereiken dat het
kind in een instelling wordt geplaatst. Verder is onderzocht wat de invloed is van de plaatsing in een
instelling op de verschillende aspecten van het welzijn. Uit het onderzoek is gebleken dat het welzijn
van de adolescent sterk wordt aangetast wanneer de gezinsstructuur het punt bereikt dat de adolescent in
een instelling moet worden geplaatst.
Ook Davidson-Arad e.a. (2003) hebben een onderzoek gedaan naar het
welzijn van drie groepen kinderen (zogenaamde risico kinderen) bij wie uithuisplaatsing in overweging was
genomen door een gezinsvoogd. De eerste groep kinderen is daadwerkelijk uit huis geplaatst, de tweede groep
hoefde niet uit huis geplaatst te worden, maar kon thuis blijven wonen volgens de gezinsvoogd en de derde
groep kinderen bleef thuis wonen ondanks dat de gezinsvoogd had beslist dat ze het beste uit huis geplaatst
konden worden. Zes maanden nadat de beslissing was gemaakt werd bij deze kinderen onderzocht wat de invloed
was van de uithuisplaatsing versus het thuis blijven wonen. De invloed werd onderzocht aan de hand van het
model QOL: quality of life. Dit concept is gebaseerd op het Systemic Quality of Life Model wat ontwikkeld is
door Shye (1979, 1985, 1989, in Davidson-Arad e.a., 2003). Het model bestaat uit vier velden; psychologisch,
fysiek, sociaal en cultureel. Verder zijn er per veld vier schalen die aangeven hoe een individu
functioneert in een bepaald veld. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de uithuisplaatsing de kwaliteit van
kinderen op korte termijn significant verbeterde. Op alle velden van het model van de kwaliteit van leven
werd een verbetering gevonden, vooral op het fysieke en psychologische veld, terwijl er bij kinderen die
thuis bleven wonen nauwelijks verandering werd gevonden. Bij kinderen die thuis bleven wonen ondanks dat de
keuze was dat ze uit huis geplaatst moesten worden was er zelfs sprake van een significante achteruitgang op
de psychologische en fysieke velden. Bij deze groep kinderen werd de laagste kwaliteit van leven gevonden,
in vergelijking tot de andere twee groepen.
Uit bovenstaand onderzoek is dus gebleken dat risicokinderen het best
uit huis geplaatst kunnen worden. Bij de kinderen die uit huis geplaatst waren is er namelijk een
verbetering opgetreden, terwijl dit bij de andere twee groepen kinderen niet het geval was (Davidson-Arad
e.a., 2003). Uit het onderzoek wat hierna besproken zal worden, blijkt ook dat een uithuisplaatsing het
ontwikkelingsverloop van de jongeren, volgens de ouders en de jongeren zelf, positief beïnvloedt.
Het Instituut voor Orthopedagogiek in Leiden heeft in de jaren van 1989
tot 1992 een onderzoek gedaan naar de residentiele hulpverlening; “Residentiele hulpverlening geëvalueerd”.
Het onderzoek had drie doelstellingen, namelijk het vastleggen van het ontwikkelingsverloop voor, tijdens en
na het verblijf in een residentiele setting, het uitvoerig beschrijven van de behandeling die jeugdigen
krijgen en het slotte het verband bekijken tussen de twee hiervoor genoemde doelen. Het onderzoek is
uitgevoerd bij jongeren in de leeftijd van negen tot en met vijftien jaar (Jansen & Oud, 1993).
Hieronder zal worden besproken wat het resultaat is van het onderzoek over het ontwikkelingsverloop van
jongeren in een residentiele setting. De andere twee onderwerpen van het onderzoek zullen niet besproken
worden, omdat die hier niet relevant zijn.
Bij het ontwikkelingsverloop is gekeken naar welke veranderingen er bij de
jongeren optreden tijdens het verblijf in een tehuis. Om de ontwikkeling van jongeren te beschrijven is er
gekeken naar verschillende variabelen, namelijk de problemen die de jongeren hebben, de
persoonlijkheidsontwikkeling en de beleving van relaties met de gezinsleden en de verandering van de
beleving tijdens het verblijf. Bij de problemen die jongeren kunnen hebben is een onderscheid gemaakt tussen
“geïnternaliseerde problematiek” (hierbij valt te denken aan
neurotische gedragskenmerken, depressieve klachten, psychosomatische klachten en sociale teruggetrokkenheid,
p.37) en “geëxternaliseerde problematiek” (ook wel “acting out-gedrag” genoemd, waar onder andere hyperactiviteit, agressief
gedrag en delinquent gedrag onder valt, p.37). De persoonlijkheidsontwikkeling is onderzocht aan de hand van
het algemeen psychisch welbevinden van de jongere, doorzettingsvermogen, houding in sociale contacten,
recalcitrantie en zelfvertrouwen/ dominantie (Jansen & Oud, 1993).
Bij het vergelijken van de voor- en nameting is er volgens de ouders
sprake van een afname van zowel internaliserende als externaliserende problemen. Volgens de ouders is er bij
68% van de jongeren een afname van de problemen, bij 17% procent van de jongeren blijft het aantal problemen
gelijk en bij 16% is er sprake van een toename. Dit lijkt heel gunstig, maar er moet wel bij vermeld worden
dat het aantal problemen dat deze jongeren hebben hoog blijft, vergeleken bij andere jongeren.
Bovendien vindt de groepsleiding, in tegenstelling tot wat de ouders vinden,
niet dat er sprake is van een afname van het gemiddelde aantal problemen. Volgens hen is bij 37% van de
jongeren aan afname te zien van het aantal problemen, maar daartegenover is er ook bij 37% van de
jongeren sprake van een toename. Hierbij moet vermeld worden dat de groepsleiding bij aanvang van de
hulpverlening minder problemen waarneemt dan de ouders. De jongeren zelf geven aan minder gespannen en
angstig te zijn en minder last te hebben van insufficiëntiegevoelens, te beschikken over een betere
taakopvatting en meer doorzettingsvermogen en verder zelfverzekerder, minder beïnvloedbaar en dominanter
te zijn na het verblijf in het tehuis. De manier waarop jongeren hun gezinsrelaties beleven is niet erg
veranderd tijdens het verblijf in het tehuis. Het enige wat eigenlijk veranderd is, is dat de affectieve
band tussen de jongere en de natuurlijke ouders iets minder sterk is geworden. Maar dit verschijnsel is
ook vaak waar te nemen bij ontwikkelende adolescenten die niet uit huis geplaatst zijn (Jansen & Oud,
1993).
Uit bovengenoemde onderzoeken blijkt dat een uithuisplaatsing een
positieve uitwerking kan hebben. Maar behalve de uithuisplaatsing zelf, is de plek waar het kind of de
jongere moet verblijven ook van grote invloed. Het is voor kinderen en/of jongeren van groot belang dat ze
op de juiste plek terechtkomen en daar blijven. Davidson-Arad e.a. (2003) hebben onderzocht welke invloed de
plek heeft, waar het uit huis geplaatste kind terechtkomt, op de kwaliteit van leven. Uit het onderzoek kwam
naar voren dat kinderen in pleeggezinnen een hogere kwaliteit van leven hadden op drie gebieden
(psychologisch, sociaal en cultureel) in vergelijking tot kinderen die in een instelling geplaatst werden.
Hieruit blijkt dus dat het welzijn van kinderen in pleeggezinnen beter is dan kinderen in
instellingen.
Junger-Tas (1983b, in Van Ooyen-Houben, 1991) komt deels tot een zelfde
conclusie. Zij geeft een overzicht van empirisch onderzoek naar uit huis geplaatste kinderen, waaruit
inderdaad geconcludeerd kan worden dat een pleeggezin voor jonge kinderen op sociaal-emotioneel niveau
betere kansen biedt in verband met de grotere stabiliteit en betere hechtingsmogelijkheden. Op cognitief
niveau zou een tehuis echter stimulerend werken. Een kanttekening is hier echter op zijn plaats; de
resultaten zijn gebaseerd op ouder onderzoek, waardoor het niet zomaar te generaliseren is naar de huidige
situatie in Nederland.
Ook Usher, Randolph en Gogan (1999) hebben onderzoek gedaan naar de plek
waar kinderen na uithuisplaatsing terechtkomen. Uit hun onderzoek blijkt dat kinderen die hun eerste
plaatsing hebben bij familie meer stabiele ervaringen hebben dan kinderen die hun eerste plaatsing hebben in
een pleeggezin.
Rutter en Quinton (1981, in Van Ooyen-Houben, 1991) deden onderzoek
waarin drie groepen kinderen van 5-8 jaar vergeleken werden, namelijk een groep die vanaf het eerste
levensjaar in een tehuis verbleef, een groep die vanaf het eerste levensjaar in een pleeggezin verbleef en
een controlegroep die opgroeide bij hun ouders. Uit de resultaten blijkt dat de tehuiskinderen de meeste
afwijkingen vertoonden wat betreft rusteloosheid, concentratieproblemen, aandachtvragend gedrag en storend
gedrag. De kinderen die bij hun ouders opgroeiden vertoonden de minste afwijkingen en pleegkinderen zaten er
tussenin.
Concluderend kan dus gezegd worden dat kinderen en/of jongeren over het
algemeen het beste bij familie geplaatst kunnen worden, indien dit niet mogelijk is kunnen ze beter
geplaatst worden in een pleeggezin dan in een instelling.
Larsson e.a. (1986, in Van Ooyen-Houben, 1991) geven echter een
nuancering aan op de hierboven beschreven conclusie. Zij concluderen na dossieronderzoek dat de stabiliteit
van de zorg en de vaardigheden van de opvoeders bepalend is voor de ontwikkeling van kinderen en dus niet
het verblijf in een tehuis op zich.
Daarnaast kan gesteld worden dat ook kindkenmerken een rol spelen bij de
keuze voor een bepaald verblijf. Van Ooyen-Houben (1991) heeft een aantal kindkenmerken onderzocht en heeft
gekeken welke verschillen en overeenkomsten er zijn in het begin van de plaatsing tussen kinderen in
pleeggezin- en tehuissituaties. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen in een pleeggezin gemiddeld jonger
zijn dan kinderen die in een tehuis wonen. Daarnaast zijn er relatief meer jongens in medische
kindertehuizen, observatie- en behandelingshuizen en zijn er relatief meer meisjes in tehuizen voor normaal
begaafde jeugd. In de pleegzorg is het aantal jongens en meisjes meer gelijk verdeeld. Deze resultaten komen
overeen met die van Deboutte (1989, in Van Ooyen-Houben, 1991). Verder blijkt dat met de toename van de
zwaarte van de voorziening de problemen van het kind vaker reden zijn van de uithuisplaatsing en de
problemen in de thuissituatie minder vaak een rol spelen. Kinderen in pleeggezinnen zouden meer sociaal
wenselijk gedrag vertonen dan kinderen in een tehuis en zouden volgens opvoeders intelligenter reageren. Er
is dus qua probleemgedrag een oplopende lijn van pleeggezin naar tehuizen voor normaal begaafde jeugd,
medische kindertehuizen en observatie- en behandelingshuizen (Van Ooyen-Houben, 1991).
Het welzijn van de kinderen en/of jongeren hangt echter niet alleen af
van de plek waar het kind terechtkomt, maar ook van het aantal plaatsingen dat een kind of jongere meemaakt.
In de praktijk komt het vaak voor dat de plaatsing van kinderen of jongeren in een pleeggezin niet eenmalig
is, maar dat kinderen of jongeren na deze eerste plaatsing nog een aantal keer naar een andere plek worden
overgeplaatst. Verschillende onderzoeken hebben dit uitgewezen. In gemiddeld tweeënhalf jaar tijd heeft 22%
van de kinderen al meer dan drie of meer plaatsingen meegemaakt (Pardeck, 1984, in Palmer, 1996); na twee
jaar heeft 56% van de kinderen al drie of meer plaatsingen meegemaakt (Millham, Bullock, Hosie & Haak,
1986, in Palmer, 1996).
Als kinderen of jongeren eenmaal geplaatst zijn, is het dus belangrijk dat
ze zoveel mogelijk op één en dezelfde plek blijven. Bij het ene kind lukt dit beter dan bij het andere kind.
Er zijn overeenkomsten gevonden tussen de karakteristieken van een kind of jongere en een breuk bij een
plaatsing, met name bij kinderen of jongeren met gedrags- en emotionele problemen. Kinderen of jongeren die
ook verhoogd risico hebben om meer verhuizingen mee te maken, zijn kinderen of jongeren die niet of moeilijk
in staat zijn tot hechting (Walsh & Walsh, 1990, in Palmer, 1996), kinderen of jongeren die geen
ouderlijke controle gewend zijn (Palmer, 1983, in Palmer, 1996), oudere kinderen (Pardeck, 1984, in Palmer,
1996) en tenslotte kinderen of jongeren die al een geschiedenis achter de rug hebben van een aantal
plaatsingen (Walsh & Matule, 1984, in Palmer, 1996). Ook Pardeck (1982, in Van Ooyen-Houben, 1991) noemt
een aantal factoren die zouden samenhangen met het aantal overplaatsingen, namelijk de etniciteit van een
kind of jongere, de duur van de uithuisplaatsing en het aantal wisselingen van maatschappelijk
werker.
Volgens Usher e.a. (1999) is het aantal plaatsingen een belangrijke
indicator voor de kwaliteit van de residentiële zorg. Zij geven hiervoor vier redenen, waarvan er drie
belangrijk zijn om hier te noemen. De eerste reden is dat met het ervaren van meer plaatsingen de
mogelijkheid tot terugplaatsing naar huis daalt. Een andere reden is dat meer plaatsingen leiden tot
onstabiele relaties. Dit heeft een negatieve invloed op de hechting van kinderen of jongeren aan belangrijke
anderen. Deze instabiliteit kan leiden tot langdurige persoonlijkheidsproblemen. Dat de plaatsing van
kinderen of jongeren in strengere en duurdere settings vaak samengaat met een ontwrichtende
plaatsingsgeschiedenis wordt als derde reden aangegeven.
Kinderen of jongeren die uit huis geplaatst zijn kunnen, zoals hiervoor
beschreven is, verschillende “pathways” ervaren. Pathways (het verloop) wordt door Barth (1994, in Usher e.a., 1999) gedefineerd als “flow of children in and out of the child abuse en child welfare
system” (p.9). Wanneer gekeken wordt naar dat verloop kan een onderscheid
gemaakt worden tussen kinderen of jongeren waarvan de plaatsingservaring geleidelijk minder beperkend
wordt (bijvoorbeeld de overgang van een leefgroep naar een pleeggezin en vervolgens naar het huis van een
familielid) en kinderen of jongeren waarvan de plaatsing
meer beperkend wordt (bijvoorbeeld een verandering van een pleeggezin naar een leefgroep) (Usher e.a.,
1999).
De kinderen of jongeren die wisselingen in plaatsingen hebben ervaren
worden door Fanshel (1976, in Usher e.a, 1999) “turnovers” (p.24)
genoemd. Bij deze groep kinderen of jongeren kan een onderscheid gemaakt worden tussen enerzijds kinderen of
jongeren die aanvankelijk de zorg al hadden verlaten, maar weer terugkomen in de hulpverlening en anderzijds
kinderen of jongeren die veranderen van plaatsing naar een andere plaatsing gedurende hun eerste periode van
zorg, ook wel aangeduid met de term “spell” (p.24). In deze
context kan spell omschreven worden als een continue periode van gezinsvoogdij wat een enkele plaatsing
omvat, of een serie plaatsingen van verschillende types (bijvoorbeeld een leefgroep en een pleeggezin) óf
plaatsingen van hetzelfde type in verschillende settings (bijvoorbeeld twee pleeggezinnen). Met continu
wordt bedoeld dat er niet meer dan één dag zit tussen het einde van de ene plaatsing en het begin van de
volgende plaatsing. Bij de eerste groep kinderen of jongeren is het gat tussen hulpverlening groter dan één
dag (Usher e.a., 1999).
Het overplaatsen van een kind of jongere is niet zonder gevolgen.
Telkens als de plaatsing in een pleeggezin wordt afgebroken zal het kind of de jongere zich meer afgewezen
voelen en zal het zich meer teruggetrokken of juist rebellerend gedragen. Dit heeft dan weer een negatieve
invloed op de volgende plaatsing (Fahlberg, 1985, in Palmer, 1996). Gegeven dit feit is het belangrijk dat
gezinsvoogden methoden bij de interventie betrekken die het risico minimaliseren om een plaatsing van een
kind of jongere in een pleeggezin af te breken (Palmer, 1996).
Ideaal voor kinderen of jongeren zou inclusieve pleegzorg zijn, wat
betekent dat ouders betrokken worden bij het plaatsingsproces. Dat wil zeggen dat de ouders het kind of de
jongere voorbereiden en begeleiden bij het vertrek naar hun nieuwe thuis. Palmer (1996) heeft een onderzoek
gedaan naar de mate waarin ouders betrokken worden bij de uithuisplaatsing van hun kinderen en welke
manieren van betrokkenheid bijdragen aan stabiliteit van de plaatsing. Uit het onderzoek kwam allereerst
naar voren dat bijna de helft van de kinderen niet in het eerste pleeggezin blijft waar ze worden geplaatst.
Verder bleek dat slechts een minderheid van de ouders was betrokken bij het voorbereiden van de kinderen op
de scheiding met hun ouders. Kinderen die enige voorbereiding van hun ouders kregen over de ‘verhuizing’
hadden de zekerheid dat hun ouders wisten waar ze waren, hun ouders genoeg om ze gaven om de verhuizing uit
te leggen of dat ouders met de kinderen meegingen naar hun onbekende nieuwe huis. Hierdoor hadden kinderen
minder het gevoel ontvoerd te worden. Dit leverde dan ook een bijdrage aan de acceptatie van kinderen over
de plaatsing, wat het rebellerende gedrag van kinderen, wat leidt tot het afbreken van een plaatsing,
minimaliseerde.
Ook Thomlison (1991, in Jivanjee, 1999) heeft aangegeven dat
betrokkenheid van ouders bij de hulpverlening aan hun kind kan bijdragen aan het waarborgen van
gezinscontinuïteit en stabiliteit. Hoewel er in het algemeen steeds meer nadruk is gaan liggen op de
betrokkenheid van het gezin bij de behandeling van een kind, heeft dit, volgens Jivanjee (1999), weinig
aandacht gehad in relatie tot uithuisplaatsingen. Dit is de reden waarom Jivanjee (1999) een kwalitatief
onderzoek heeft verricht naar gezinsbetrokkenheid vanuit het perspectief van ouders waarvan hun kind in een
therapeutisch pleeggezin is geplaatst.
Het betrekken van ouders bij de hulpverlening aan hun kind kan dus
enerzijds bijdragen aan de acceptatie van kinderen of jongeren met betrekking tot de plaatsing en kan
anderzijds ook bijdragen aan het waarborgen van gezinscontinuïteit en stabiliteit. Daarnaast blijkt uit een enquête die de Nederlandse Vereniging voor
Pleeggezinnen (NVP) in 2002 onder haar leden heeft gehouden, dat een goede samenwerking en afstemming tussen
alle betrokkenen rondom een plaatsing ook de doelmatigheid van een ondertoezichtstelling positief zou
beïnvloeden (Van Hout & Spinder, 2002).
De ontwikkeling van uit huis geplaatste kinderen of jongeren wordt door verschillende factoren beïnvloed. Er zijn zowel factoren die de
ontwikkeling van een kind of jongere positief kunnen beïnvloeden als factoren die de ontwikkeling
negatief kunnen beïnvloeden. Risicofactoren zijn factoren die de ontwikkeling van een kind of jongere
negatief kunnen beïnvloeden. Hieronder zullen een aantal risicofactoren beschreven worden, waarbij met
name twee onderzoeken aangehaald zullen worden.
Het ene onderzoek is van Van Ooyen-Houben (1991, p.43). Zij heeft onderzoek gedaan naar
factoren die van invloed zijn op de richting en de sterkte van de ontwikkeling van een kind of jongere na
een uithuisplaatsing. Hoewel het onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) gedateerd is, worden de factoren
uit dat onderzoek hier toch beschreven, omdat blijkt dat een aantal factoren overeenkomt met factoren die
ook door andere onderzoekers genoemd worden.
Het andere onderzoek is van Brady en Caraway (2002). In dat onderzoek wordt uitleg gegeven over
factoren die het huidige functioneren van uit huis geplaatste kinderen of jongeren beïnvloeden. Brady en
Caraway (2002) hebben zich gericht op uit huis geplaatste kinderen van 7 tot 12 jaar en hebben de
volgende factoren onderzocht: geslacht, het aantal en het type trauma’s dat een kind heeft meegemaakt,
het aantal plaatsingen in een pleeggezin of en/of residentiële instelling, het aantal verschillende
verzorgers, de lengte van het huidige verblijf in de residentiële behandelsetting, de mate waarin het
kind zeker is over zijn toekomst en tevreden is met de behandeling. Op de factor “de lengte van het
huidige verblijf in de residentiële behandelsetting” na blijken alle factoren van invloed te zijn op het
huidige functioneren van het kind.
Voorjans (1996) heeft een onderzoek verricht naar de psychosociale- en gezinsproblematiek van
residentiële jongeren. Bij dit onderzoek is er gekeken of de gezinsproblematiek
uit het verleden van residentieel geplaatste jongens en meisjes samenhangt met de huidige psychosociale
problematiek. Residentiele jongeren hebben vaak last van gedragsproblemen en, hoewel in mindere mate, ook
van emotionele problemen. Uit het onderzoek blijkt dat er een relatie is tussen de aanwezigheid van
ontwikkelingsbedreigende gezinsproblemen uit het verleden van de uit huis geplaatste jongeren en het vaker voorkomen van psychosociale problemen in de adolescentiefase.
De ontwikkelingsbedreigende problemen die in veel van de natuurlijke gezinnen van de jongeren voorkwamen
waren: een problematische opvoedingsstijl, ernstige
gezinsconflicten, gebrekkige gezinscommunicatie, een onveilig opvoedingsklimaat en de afwezigheid van
toezicht op het doen en laten van het kind (p. 49). De problematische opvoedingsstijl wordt gekenmerkt door ouders die of weinig affectie tonen en
veel controle uitoefenen of ouders die zowel weinig affectie tonen als weinig controle uitoefenen.
Deze opvoedingsstijlen worden respectievelijk ‘autoritair’ en
‘verwaarlozend’ genoemd (Maccoby & Martin, 1983, in Rispens, Goudena & Groenendaal, 2001,
p.183). Kortom, er is dus sprake van een relatie tussen de psychosociale problemen van jongeren en
hun problematische gezinssituatie in het verleden. Anders gezegd: de relatie die jongeren hebben met het
gezin waar ze uit komen is dus van invloed op de lange termijn uitkomsten bij plaatsingen van jongeren.
Ook Fanshel e.a. (1989, in Van Ooyen-Houben, 1991) beschrijven dat “de situatie thuis” een belangrijke factor is. Zij geven aan dat met
name het aantal problemen in de thuissituatie die direct hun weerslag
kunnen hebben op het kind of de jongere en het aantal ingrijpende gebeurtenissen of omstandigheden van
invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van het kind of de jongere. De factor “reden van uithuisplaatsing” wordt door een aantal auteurs genoemd
(Fanshel & Shinn. 1978; Lawder e.a., 1986; Triseliotis, 1980 in Van Ooyen-Houben, 1991). De
aanleiding tot uithuisplaatsing is bij het ene kind of de ene jongere veel heftiger dan bij het andere
kind of de andere jongere.
Bij het merendeel van de jongeren, die relatief veel psychosociale problemen hebben, is sprake
van een zwakke emotionele band met de ouders. Als er een goede hechtingsrelatie is tussen ouders en kind,
zijn kinderen of jongeren beter in staat intieme relaties te ontwikkelen met anderen (Bowlby, 1973, in
Palmer, 1996). De hechting tussen ouders en kind is ook van grote invloed op de psychologische zekerheid
van het kind of de jongere. Als een kind of jongere bij zijn ouders weggehaald wordt zal het separatie angst hebben. Bij
plaatsing in bijvoorbeeld een pleeggezin zal deze angst echter afnemen als de ouder aanwezig is tijdens
de plaatsing (Palmer, 1996).
Het belang van gezinsrelaties op het succes van plaatsingen is ook te zien bij kinderen of jongeren die niet veilig gehecht zijn aan
hun ouders. Kinderen of jongeren die door hun ouders misbruikt, verwaarloosd of genegeerd zijn, zijn vaak
angstig gehecht (Egelang & Sroufe, 1981, in Palmer, 1996). Dit heeft een negatieve invloed op de
hechting met bijvoorbeeld pleegouders. Deze kinderen of jongeren zullen het moeilijk vinden om een relatie
aan te gaan met hun nieuwe verzorgers en daardoor wordt de kans op meerdere plaatsingen vergroot (Palmer,
1996).
Zoals hierboven vermeld staat, is er dus vaak, zowel vóór de uithuisplaatsing als daarna,
sprake van een problematische en instabiele opvoedingssituatie. In zulke situaties, waarbij de
uithuisplaatsing zelf ook een separatie ervaring is, ontbreken vaak de voorwaarden als stabiliteit,
continuïteit en sensitiviteit, waardoor een veilige hechting niet of nauwelijks tot stand kan komen. Van
Ooyen-Houben (1991) geeft aan dat speciale aandacht voor de hechting van uit huis geplaatste kinderen of
jongeren noodzakelijk is, omdat een veilige hechting essentieel zou zijn voor een gezonde ontwikkeling. Zoals ook al eerder is
beschreven, zou de aan- of afwezigheid van een veilige hechting dus gevolgen hebben voor zowel
de sociaal-emotionele als de cognitieve aspecten van het functioneren van kinderen of jongeren op korte
en lange termijn. Hechtingsmogelijkheden zijn dus een belangrijke factor voor het ontwikkelingsverloop
van kinderen of jongeren na een uithuisplaatsing. Een pleeggezin wordt, in tegenstelling tot een tehuis,
gezien als een opvoedingssituatie met hechtingsmogelijkheden. Dit zou kunnen verklaren dat kinderen of
jongeren zich in een pleeggezin beter ontwikkelen dan in een tehuis (Van Ooyen-Houben, 1991). Hierbij kan
nog een kanttekening geplaatst worden. De ontwikkeling van een kind of jongere wordt naast de plek dus
ook bepaald door het wel of niet in staat zijn om zich te kunnen hechten in een gezin.
Aansluitend op het bovenstaande over hechting kan ook de factor “verblijfplaats van het kind of de jongere” genoemd worden.
Hierbij zijn namelijk met name de mogelijkheden die de verblijfplaats biedt tot het aangaan van
hechtingen van belang. Zoals al eerder genoemd is zouden de voorwaarden voor het aangaan van hechtingen
in een pleeggezin beter zijn dan in een tehuis; hierdoor zouden kinderen of jongeren in een pleeggezin
zich ook beter ontwikkelen dan kinderen of jongeren in een tehuis. Verder zouden ook andere kenmerken van
de verblijfplaats een rol spelen, bijvoorbeeld de sfeer of het klimaat in de leefgroep of in het
pleeggezin, de leeftijd en ervaring van de opvoeders en de grootte en de leeftijdsopbouw van de leefgroep
of het pleeggezin (Fanshel & Shinn, 1978; Hodges & Tizard, 1989a, 1989b; Junger-Tas, 1981, 1983b;
Larsson e.a., 1986; Tizard e.a., 1971, 1974, 1975, 1978, in Van Ooyen-Houben, 1991).
Een andere factor die in het verlengde van de risicofactor met
betrekking tot de hechtingsmogelijkheden genoemd kan worden is de factor “wisselingen van verblijfplaats, verzorger en van begeleider”. De
wisselingen zouden een negatief effect hebben op de kinderen of jongeren (Fanshel e.a., 1989; Junger-Tas,
1983b; Pardeck, 1982; Tizard e.a., 1971, 1974, 1975, 1978, in Van Ooyen-Houben, 1991).
De gezinsomgeving speelt dus een centrale rol bij de emotionele
ontwikkeling (waaronder de hechting), maar ook bij de cognitieve en gedragsontwikkeling van jonge kinderen
(Bradley, Caldwell, & Rock, 1988; Bradley e.a., 1989, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Het gezin
blijft ook in de adolescentie een belangrijke invloed uitoefenen (Maccoby, 1992, in Adam &
Chase-Landsdale, 2002). De effecten van verschillende aspecten van de gezinsomgeving zijn onderwerp van
onderzoek geweest. Er is, hoewel in mindere mate, bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar gezinsinstabiliteit.
Het blijkt dat instabiliteit in de gezinsomgeving tot acute stress leidt bij kinderen of jongeren. Daarnaast
beïnvloedt gezinsinstabiliteit ook het gevoel van veiligheid van het kind of de jongere en de mogelijkheden
van het kind of de jongere om met veranderingen in zijn latere leven om te gaan (Simmons, Burgeson,
Carlton-Ford, & Blyth, 1987, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). De mate van gezinsinstabiliteit zou
dus van invloed kunnen zijn op hoe een kind of jongere omgaat met een uithuisplaatsing.
Adam en Chase-Landsdale (2002) gebruiken in hun onderzoek twee
indicatoren voor gezinsinstabiliteit. De eerste indicator is “parental separations” (p.792). Bij separaties van ouders gaat het om het
aantal separaties of verliezen van belangrijke volwassen verzorgers in het leven van het kind of de jongere.
“Residential mobility” (p.792) is de tweede indicator en heeft
betrekking op het aantal verhuizingen. Het blijkt dat een verleden met frequente separaties van belangrijke
ouderfiguren erg schadelijk kan zijn voor het welzijn van het kind of de jongere. Naast veranderingen van
ouderfiguren brengen ook veranderingen van woonplek ontwrichting van de dagelijkse relaties en routines met
zich mee. Separaties van ouders en verhuizingen zijn dus gerelateerd aan negatieve kinduitkomsten (Adam
& Chase-Landsdale, 2002).
Interesse in het effect van separaties van ouders komt voort uit de
literatuur met betrekking tot echtscheiding. Bij onderzoek naar het effect van echtscheiding is gebleken dat
het belangrijk is in welke ontwikkelingsperiode van het kind of de jongere de scheiding heeft
plaatsgevonden. Echtscheiding in de vroege kinderjaren zou het meest schadelijk zijn, omdat een kind in die
periode een hoge mate van contact heeft met en ook afhankelijk is van zijn verzorgers (Kobak,1999, in Adam
& Chase-Landsdale, 2002).
De negatieve kinduitkomsten, die gerelateerd zijn aan een groot aantal
verhuizingen, hebben dus betrekking op problemen in het sociaal, emotioneel en schools functioneren (Brown
& Orthner, 1990; Haveman & Wolfe, 1995; Humke & Schaefer, 1995, in Adam & Chase-Landsdale,
2002). Mogelijke mediatoren die hierbij een rol spelen zijn het verliezen van een bekende omgeving,
activiteiten, routines, sociale steun netwerken, vermindering van het welzijn van ouders en de kwaliteit van
de ouder-kind relatie (Cohen, Johnson, Struening, & Brook, 1989; Hagan, MacMillann, & Wheaton, 1996;
Hendershott, 1989; Pittman & Bowen, 1994, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Daarnaast kunnen
bepaalde gezinskenmerken, zoals de gezinsstructuur en het niveau van ouderlijke steun, als ook de leeftijd
en/of sekse van het kind of de jongere de effecten van verhuizingen matigen (Simmons e.a., 1987; Swanson
& Schneider, 1999; Tucker, Marx, & Long, 1998, in Adam & Chase-Landsdale, 2002). Verder kunnen
er verschillende redenen zijn waarom iemand gaat verhuizen. Aangenomen wordt dat het verhuizen op zich al
een bron van spanning is, los van de spanning behorende bij de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot
het verhuizen (Adam & Chase-Landsdale, 2002).
Veel onderzoek naar separaties van ouders, verhuizingen en kinduitkomsten kregen als kritiek te
verduren dat gezins- en ouderkenmerken bijdragen aan zowel de gezinsinstabiliteit als de negatieve
kinduitkomsten. Met deze kenmerken worden onder andere het gezinsinkomen, leeftijd en opleidingsniveau
van de ouders bedoeld. In recent onderzoek naar verhuizingen heeft men voor een aantal van deze kenmerken
gecontroleerd. Onderzoeken naar separaties van ouders zijn niet zo systematisch gedaan.
(Adam & Chase-Landsdale, 2002).
Uit het onderzoek van Adam en Chase-Landsdale (2002) naar het effect van
separaties van ouders en verhuizingen op ontwikkelingsuitkomsten van de adolescent blijkt dat er sterke
verbanden bestaan tussen de aanpassingsproblemen van een adolescent en zijn verleden ten aanzien van
gezinsinstabiliteit en ontwrichting. Dit effect is ook waarneembaar wanneer gecontroleerd wordt op
demografische gezinskenmerken en het effect van de perceptie van de adolescent met betrekking tot de
kwaliteit van de huidige relatie met moeder- en vaderfiguren, volwassen en peer steun netwerken en de
huidige buurt. De effecten zijn aanwezig voor zowel separatie van moeder- en vaderfiguren, langdurige en
tijdelijke ouderfiguren en gedurende elke ontwikkelingsperiode.
Aspecten uit bovengenoemd onderzoek, zoals gezinsinstabiliteit,
separatie van ouders en verhuizingen spelen ook een rol bij kinderen of jongeren die uit huis geplaatst
zijn. De effecten van deze aspecten zouden dus mogelijkerwijs ook van invloed kunnen zijn op uit huis
geplaatste kinderen of jongeren.
Uit literatuuronderzoek door Van Ooyen-Houben (1991) blijkt dat
“de leeftijd van het kind of de jongere ten tijde van de
uithuisplaatsing” een factor is die ook van invloed is op de ontwikkeling van kinderen of jongeren na
uithuisplaatsing. Oudere kinderen lijken het minder goed te doen dan de kinderen die op jongere leeftijd
geplaatst worden (Fanshel & Shinn, 1978; Reeuwijk & Berben, 1988). In haar eigen onderzoek komt Van
Ooyen-Houben (1991) zelfs tot de conclusie dat leeftijd de belangrijkste factor die de kans op een wenselijk
of ongewenst verloop van de ontwikkeling op een termijn van twee jaar vergroten of verkleinen. Jonge
kinderen lijken een meer wenselijke ontwikkeling door te maken dan kinderen die wat ouder zijn wanneer ze
uit huis geplaatst worden.
De factor “de ontwikkelingsstand
bij entree” voorspelt volgens Fanshel en Shinn (1978, in Van Ooyen-Houben, 1991) de ontwikkelingsstand
bij vervolgmetingen. Zij vonden in het algemeen redelijke correlaties tussen de scores op verschillende
meetmomenten. Dit duidt op stabiliteit van de betreffende kenmerken van de kinderen of jongeren. Ook
“intelligentie” wordt genoemd als risicofactor.
Aansluitend bij de factor over de ontwikkelingsstand kan de factor
“het aantal stoornissen van een kind of jongere ten tijde van de
uithuisplaatsing” genoemd worden. Hoe meer stoornissen een kind of jongere heeft aan het begin van de
uithuisplaatsing, hoe groter het risico is dat de ontwikkeling van het kind of de jongere negatief
verloopt.
Uit het onderzoek van Brady en Caraway (2002) komt naar voren dat er een
significant negatieve relatie is tussen het aantal en type trauma’s én zelfgerapporteerde angst. Dit wil
zeggen dat kinderen die verschillende type trauma’s hadden doorgemaakt minder angst rapporteerden dan
kinderen die minder trauma’s hadden meegemaakt.
Een ander onderzoeksresultaat met betrekking tot het aantal trauma’s is
dat het aantal trauma’s significant positief gecorreleerd is aan de behandelduur. Kinderen die dus meer type
trauma’s hebben meegemaakt moeten langer opgenomen blijven dan kinderen die minder trauma’s hebben
ervaren.
Daarnaast is “egoveerkracht”
ook een factor die invloed heeft op de ontwikkeling van kinderen of jongeren na de uithuisplaatsing.
Egoveerkracht verwijst naar de eigenschap “flexibel maar ook
vasthoudend te reageren in probleemsituaties” (Kievit, Wit, Groenendaal & Tak, 1998, p.563). Met
behulp van deze vaardigheid kunnen kinderen of jongeren problemen zelfstandig het hoofd bieden. Kinderen met
een goede egoveerkracht beschikken over meer strategieën om problemen op te lossen. Een goede egoveerkracht
bij uit huis geplaatste kinderen of jongeren kan hun ontwikkeling dan ook positief beïnvloeden. Indien uit
huis geplaatste kinderen of jongeren geen goede egoveerkracht hebben kan dit gezien worden als een
risicofactor.
Rutter (1990, in Wenar & Kerig, 2000) geeft aan dat ook geslacht een
risicofactor is. Hij geeft aan dat jongens en meisjes verschillend reageren op stress in het gezin; jongens
laten meer gedragsproblemen zien dan meisjes. Maccoby and Jacklin (1974, in Craig, 2002) concludeerden al
eerder dat jongens agressiever zijn dan meisjes. Het externaliserende gedrag van jongens wordt vaker als
moeilijk en storend ervaren, waardoor jongens mogelijk sneller onder toezicht gesteld worden. In hoofdstuk 3
over prevalentie is deze tendens terug te zien. Jongens worden vaker onder toezicht gesteld dan meisjes,
hoewel het verschil niet heel groot is.
Verder is “de bezoekfrequentie van de ouders” een
factor die van invloed is op het kind of de jongere. De conclusies met betrekking tot deze factor zijn
echter wel tegenstrijdig. Bij het ene onderzoek wordt een lage bezoekfrequentie als risicofactor gezien:
naarmate de ouders of andere personen uit de thuissituatie een kind vaker bezoeken, lijkt de ontwikkeling
van een kind of de jongere beter te verlopen en gaat het kind of de jongere eerder terug naar huis
(Fanshel & Shinn, 1978; Hessle, 1989; Junger-Tas, 1983b; Lawder e.a., 1986; Vissers, 1989, in Van
Ooyen-Houben, 1991). De emotionele inpassing in de uithuisplaatsing kan echter ook bij frequent bezoek
minder goed verlopen (Fanshel & Shinn, 1978, in Van Ooyen-Houben, 1991).
Bij het andere onderzoek, van Van Ooyen-Houben (1991), blijkt de frequentie van oudercontacten
slechts in geringe mate samen te hangen met de ontwikkeling van het kind of de jongere. Waar er wel
samenhang is, lijkt deze negatief te zijn; hoe meer oudercontacten hoe meer ongewenste gedragingen het
kind of de jongere vertoont. Dit staat dus in tegenstelling tot de algemeen aanvaarde opvatting, dat
regelmatig oudercontact goed is. Beide onderzoeken zijn echter gedateerd, waardoor de resultaten moeilijk
te generaliseren zijn naar deze tijd.
Uit het onderzoek van Brady en Caraway (2002) is gebleken dat er een
positieve relatie is tussen het niveau van zekerheid over het huidige behandelplan en het niveau van
tevredenheid hiermee. Dit geeft aan dat kinderen die meer zekerheid rapporteerden ook meer tevreden zijn.
Daarnaast werd er een significant negatieve relatie gevonden tussen tevredenheid met het huidige
behandelplan en zelfgerapporteerde depressie. Dit betekent dat kinderen die meer ontevreden waren over hun
behandelplan een hoger niveau van depressie hebben aangegeven.
Van Ooyen-Houben (1991) heeft een onderzoek verricht naar kinderen die
op het moment van de uithuisplaatsing tussen de nul en elf jaar oud zijn, om inzicht te krijgen in de
achtergronden en de gedragskenmerken van deze kinderen in verschillende verblijfplaatsen en in het verloop
van hun ontwikkeling. Dit onderzoek zal hieronder, ondanks de gedateerdheid, kort worden toegelicht, omdat
dit één van de weinige onderzoeken is, waar zo uitgebreid onderzoek is gedaan naar de ontwikkeling van
kinderen die uit huis geplaatst zijn. Daarnaast geeft het een beeld van uit huis geplaatste kinderen, wat
daarna aangevuld wordt met kenmerken uit andere literatuur.
In het onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) worden vijf
onderzoeksvragen aan de orde gesteld. De eerste onderzoeksvraag betreft de vraag wat de achtergrond van de
kinderen en van de plaatsingen is. Omdat de andere onderzoeksvragen hier niet van belang zijn, worden alleen de resultaten van de eerste vraag besproken. Uit het onderzoek komt naar
voren dat verhoudingsgewijs meer jongens dan meisjes uit huis geplaatst worden. Dit resultaat wordt
ook in andere onderzoeken gevonden (Haagen e.a., 1983; Van Ooyen-Houben, e.a., 1987 in Van Ooyen-Houben,
1991). Verder blijkt dat de leeftijd van de kinderen bij de eerste uithuisplaatsing varieert van nul tot elf
jaar. Het grootste deel van de onderzoeksgroep is echter jonger dan zeven jaar. De meeste kinderen uit het
onderzoek hebben een Nederlandse achtergrond en volgen normaal basisonderwijs. Daarnaast vertonen de meeste
kinderen stoornissen van sociaal-emotionele aard. Hoewel de problematiek van het kind wel mede een reden kan
zijn tot uithuisplaatsing, zijn ongunstige gezinsomstandigheden vaker de oorzaak van uithuisplaatsing
(Knorth, 1984 in Van Ooyen-Houben, 1991). Het betreft vaak éénoudergezinnen, waarbij de kostwinner geen
beroep uitoefent of tot de lagere beroepsklassen behoort (Haagen, e.a., 1983; Hessle, 1989; Knorth e.a.,
1984; Van Ooyen-Houben e.a., 1987 in Van Ooyen-Houben, 1991). Doordat er in de gezinnen vaak meerdere en
complexe problemen spelen, is er vaak al voorafgaand aan de uithuisplaatsing ambulante hulp verleend
(Knorth, 1984, Wetering, 1987, Haagen, e.a., 1983, Van Ooyen-Houben, e.a., 1987 in Van Ooyen-Houben, 1991).
De eerste uithuisplaatsing is bijna altijd als tijdelijk bedoeld en justitiële plaatsingen zijn in de
meerderheid. Uit het onderzoek van Van Ooyen-Houben (1991) blijkt dat tweederde van de kinderen binnen twee
jaar vertrokken is uit de voorziening waar zij het eerst verbleven na uithuisplaatsing. Iets minder dan de
helft van de kinderen gaat binnen twee jaar terug naar huis. Daarnaast zijn er kinderen die twee jaar in een
pleeggezin of leefgroep verbleven of die gekenmerkt worden door een gemengd plaatsingspatroon (Van
Ooyen-Houben, 1991).
Gedragingen die door diverse auteurs zijn waargenomen bij kinderen na
uithuisplaatsing zijn door Van Ooyen-Houben (1991) op een rijtje gezet (p.42):
· Aspecten van het sociaal-emotionele
functioneren;
-
Het vertonen van het “acute distress syndrome”
(protest, wanhoop, onthechting) op zeer korte termijn. Daarna verdwijnt dit weer.
-
Problemen hebben met het aangaan van relaties
(teruggetrokken gedrag, niet in staat zijn tot het aangaan van bindingen; ongespecificeerde vriendelijkheid,
die snel vervalt in onverschilligheid).
-
Aandachtvragend en vastklampend gedrag, maar ook
bitterheid en jaloezie.
-
Psychische onevenwichtigheid.
-
Agressief gedrag en driftbuien.
-
Deviant gedrag.
-
Gedragsproblemen.
-
Gering incasseringsvermogen, geringe
egoveerkracht.
· Aspecten van het cognitief functioneren;
-
Cognitieve voor- of achteruitgang.
-
Gebrek aan concentratievermogen.
-
Teruggang in exploratie, alertheid en
activiteit.
Een uithuisplaatsing kan gezien worden als een stressvolle
levensgebeurtenis voor een kind, omdat het gepaard gaat met een aantal ingrijpende veranderingen. Er wordt
aangenomen dat ingrijpende gebeurtenissen samenhangen met veranderingen in het functioneren (Van
Ooyen-Houben, 1991). Johnson (1986, in Van Ooyen-Houben, 1991) geeft aan dat er sprake is van een
wederkerige relatie; de aanwezigheid van problemen kan leiden tot het ervaren van negatieve gebeurtenissen
die weer problemen met zich mee kunnen brengen. Na een uithuisplaatsing zouden dus mogelijk veranderingen
kunnen optreden in het lichamelijk, sociaal-emotioneel en cognitief functioneren van het kind. In de periode
voor de uithuisplaatsing hebben de kinderen echter vaak al andere stressvolle gebeurtenissen meegemaakt of
in stressvolle omstandigheden geleefd. De kinderen die uit huis geplaatst worden zijn dus blootgesteld aan
meer stressoren, waardoor de effecten van een uithuisplaatsing moeilijk te scheiden zijn van de effecten van
de opvoedingssituatie die aan de uithuisplaatsing vooraf is gegaan. Daarnaast is ook de periode na de
uithuisplaatsing vaak niet stabiel. Uit onderzoek van Haagen e.a. (1983), Van Ooyen-Houben e.a. (1987, in
Van Ooyen-Houben, 1991) en reeds eerder beschreven onderzoek blijkt dat jonge kinderen vaak meerdere keren
ergens geplaatst worden. Ook na terugplaatsingen naar huis volgt vaak weer een nieuwe plaatsing (Van
Ooyen-Houben, 1991). Gezien de meervoudige stressvolle omstandigheden waar ze mee te maken hebben, lopen
deze kinderen wel een bijzonder risico op een problematische ontwikkeling (Van Ooyen-Houben, 1991). Dit
wordt bevestigd in onderzoek, waaruit blijkt dat naarmate iemand meer stressvolle gebeurtenissen heeft
meegemaakt er een grotere kans bestaat op problemen en stoornissen (Van der Ploeg, 1990; Rutter, 1981;
Veerman, 1990, in Van Ooyen-Houben, 1991).
Hoewel er veel kinderen of jongeren zijn die uit huis geplaatst worden,
ontbreekt er, volgens Brady en Caraway (2002), informatie over de specifieke kenmerken van deze kinderen of
jongeren zelf. Er is namelijk weinig aandacht geweest voor de ervaringen van deze kinderen of
jongeren.
Brady en Caraway (2002) hadden zich als doel gesteld beschrijvende informatie te verzamelen
over kinderen of jongeren uit een residentiële behandelsetting om zo de unieke ervaringen van deze
populatie beter te kunnen begrijpen. Uit hun onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kinderen of jongeren die
uit huis geplaatst zijn in hun kindertijd minstens één traumatische gebeurtenis hebben ervaren. Vaak is
er sprake van meer trauma’s en andere stressoren, zoals verschillende plaatsingen en wisselende
verzorgers. Deze kinderen of jongeren ervaren dus een chaotische kindertijd, die gekenmerkt wordt door
ervaringen van significante stress en trauma. Verder blijkt dat de meerderheid van de kinderen of
jongeren de huidige plaatsing aan zijn eigen acties toeschrijft. Deze kinderen of jongeren hebben echter
wel het gevoel een sterker persoon te zijn geworden door de ervaringen in hun leven. De uit huis
geplaatste kinderen of jongeren hebben ook het gevoel dat er tenminste één volwassene is in hun leven die
zij kunnen vertrouwen.
Kinderen of jongeren die gedwongen zijn om uit huis geplaatst te worden
kunnen traumatische ervaringen opdoen (Leslie, Landsverk, Ezzet-Lofstrom, Tschann, Slymen & Garland,
2000, in Davidson-Arad e.a., 2003). Het gescheiden worden van hun gezin en verlies van hun ouders kan het
gevoel van kinderen of jongeren dat ze ergens bij horen ondermijnen. Ook het gevoel van zelfrespect kan nog
verder beschadigd worden. Uit huis geplaatste kinderen of jongeren voelen zich vaak afgewezen, niet geliefd
en waardeloos. Ze hebben het gevoel dat ze mislukkelingen zijn en zien het feit dat ze uit huis gehaald
worden als straf voor slecht gedrag. Verder is uit onderzoek gebleken dat uit huis geplaatste kinderen of
jongeren hevige problemen hebben in interpersoonlijke relaties en een verhoogd risico hebben voor het
ontwikkelen van psychopathologie en antisociaal gedrag (Buehler, Orme, Post, & Patterson, 2000; Clausen,
Landsverk, Ganger, Chadwick & Litrownik, 1998; Levine, 1998; Moss & Moss, 1984; Orme & Buehler,
2001; Thompson, 1985; Wilkes, 1992, in Davidson-Arad e.a., 2003).
Een uithuisplaatsing brengt veel verwarring voor de kinderen of jongeren
met zich mee. Dit komt doordat er van tevoren weinig voorbereiding en uitleg is van de ouders over de
uithuisplaatsing. Verwarring wordt ook veroorzaakt doordat kinderen of jongeren meemaken dat er in een
pleeggezin een ander kind of jongere ineens zonder verklaring vertrekt (Palmer, 1996).
Kinderen die alleen opvang hebben gehad bij familie zijn jong. Ze hebben
de afwezigheid van hun ouders gemerkt en voelen zich soms verwaarloosd Jongere kinderen die verschillende
typen mishandeling hebben ervaren, blijken na een pleegzorgplaatsing vaak geplaatst te zijn bij een ander
pleeggezin of bij familie. Kinderen in restrictievere settings zijn ouder en hebben vaak allerlei types van
mishandeling meegemaakt (Leslie, Landsverk, Horton, Ganger, & Newton, 2000).
De problemen en moeilijkheden van onder toezicht gestelde jongeren blijken
zeer divers te zijn. De meest voorkomende serieuze problemen zijn problemen rondom het ouderlijk gezag en de
ouder-kind relatie. Er is vaak sprake van pedagogische verwaarlozing. Verder hebben ouders vaak relationele,
psychische en financiële problemen en/ of problemen met de huisvesting. De problemen waar de jongeren zelf
mee te kampen hebben, hebben vaak betrekking op hun ontwikkeling, scholing en vrijetijdsbesteding. Ook zijn
er vaak psychische problemen (Mertens 1996, in Reith, 2003).
Ook Fanshel en Shinn (1978, in Van Ooyen-Houben, 1991) hebben een
longitudinaal onderzoek gedaan. Zij concluderen dat uit huis geplaatste kinderen of jongeren in de loop van
het vijf jaar durende onderzoek meer gedragsproblemen lieten zien; ze werden minder meegaand en aardig,
koppiger, meer teruggetrokken en meer gespannen. Dit betreft met name de kinderen of jongeren die weinig
bezoek van hun ouders kregen en die pas na hun zesde jaar uit huis geplaatst werden. Wat betreft
schoolprestaties en emotionele aanpassing (nervositeit en slaapproblemen) werd er bij de uit huis geplaatste
kinderen of jongeren geen verslechtering geconstateerd; het beeld bleek ook niet af te wijken van het beeld
van de kinderen of jongeren die weer terug naar huis geplaatst waren.
De cognitieve ontwikkeling ging bij de uit huis geplaatste kinderen of
jongeren in de eerste tweeëneenhalf jaar vooruit, maar daarna was er sprake van een lichte achteruitgang. Na
vijf jaar lieten uit huis geplaatste kinderen of jongeren nog wel een beter beeld zien wat betreft cognitief
functioneren dan de kinderen of jongeren die weer thuis geplaatst waren. Evenals in het hierboven beschreven
onderzoek van Tizard (1971, 1974, 1975, 1978, 1989a en 1989b) komen Fanshel en Shinn (1978, in Van
Ooyen-Houben, 1991) ook tot de conclusie dat de verandering op cognitief gebied vooral in de eerste jaren
van de plaatsing inzet.
Tizard e.a. (1971, 1974, 1975, 1978, 1989a en 1989b, in Van
Ooyen-Houben, 1991) hebben een longitudinaal onderzoek gedaan, waaruit zij concluderen dat de ontwikkeling
van kinderen of jongeren met een vroege tehuiservaring sterk afhangt van de omgevingscondities waarin ze
later worden geplaatst. Als de condities gunstig zijn, kunnen de kinderen of jongeren zich ondanks de
tehuiservaring goed ontwikkelen. De onderzoekers zien echter overvriendelijke reacties tegen vreemden als
atypisch hechtingsgedrag, wat een blijvend effect is en ook niet verdwijnt onder gunstige
omstandigheden.
Als de ontwikkeling van een jongere in gevaar komt, kan de kinderrechter
het gezag van ouders beperken door de jongere onder toezicht te stellen van een gezinsvoogdij-instelling,
die een gezinsvoogd aanwijst. De gezinsvoogd begeleidt de jongere en helpt de ouders bij de opvoeding. In
2002 zijn in totaal 20429 jongeren onder toezicht gesteld. Daaronder vallen 13859 jongeren van 10 tot 17
jaar. Iets minder dan 10.000 jongeren zijn uit huis geplaatst. Uit onderzoek naar de doelmatigheid van de
ondertoezichtstelling is gebleken dat jongeren die de zwaarste problematiek hebben en jongeren die minstens één ouder hebben die niet in Nederland geboren is, het meeste baat
hebben bij een ondertoezichtstelling. In sommige situaties vindt de gezinsvoogd het noodzakelijk dat
de jongere uit huis geplaatst wordt. Een uithuisplaatsing wordt meestal als een ingrijpende gebeurtenis
ervaren. Dit wordt ook aangegeven in ander onderzoek waarin geconcludeerd wordt dat uit huis geplaatste
jongeren onder andere het risico lopen om in de maatschappij gestigmatiseerd te worden.
Het welzijn van jongeren wordt aangetast als blijkt dat de jongere in een instelling moet worden
geplaatst. Uit eenzelfde soort onderzoek bleek echter ook dat de uithuisplaatsing de kwaliteit
van jongeren op korte termijn significant verbeterde en dat risicokinderen dus het best
uit huis geplaatst kunnen worden. Het gaat dan om jongeren bij wie de thuissituatie zo ernstig is dat
uithuisplaatsing in overweging wordt genomen. Ook blijkt dat een uithuisplaatsing het
ontwikkelingsverloop van de jongeren positief beïnvloedt. Daarnaast is het aantal plaatsingen dat
jongeren meemaken en de plek waar de jongeren terecht komen ook bepalend voor hun welzijn. Uit
verschillende onderzoeken naar de invloed van de plek waar een uit huis geplaatste jongere terechtkomt
kan gezegd worden dat jongeren over het algemeen het beste bij familie geplaatst kunnen worden en indien
dit niet mogelijk is kunnen ze beter geplaatst worden in een pleeggezin dan in een instelling. De
stabiliteit van de zorg en de vaardigheden van de opvoeders is echter ook bepalend voor de ontwikkeling
van kinderen. Daarnaast spelen kindkenmerken een rol bij de keuze voor een bepaald verblijf. Ideaal voor
jongeren zou inclusieve pleegzorg zijn, wat betekent dat ouders betrokken worden bij het
plaatsingsproces. Risicofactoren zijn factoren die de ontwikkeling van een jongere negatief kunnen
beïnvloeden. Uit onderzoek blijkt dat er een relatie is tussen de psychosociale problemen van jongeren en
hun problematische gezinsverleden. Daarnaast noemen een aantal auteurs de risicofactor “reden van uithuisplaatsing”. Verder is de hechting tussen ouders en
jongeren van invloed op het aangaan van intieme relaties met andere verzorgers. Aansluitend bij hechting
kunnen de risicofactoren “verblijfplaats van de jongere” en
“wisselingen van verblijfplaats en verzorger” genoemd worden.
Ook zou de mate van gezinsinstabiliteit van invloed kunnen zijn op de manier waarop jongeren met hun
uithuisplaatsing omgaan. Tenslotte zijn er nog een aantal andere risicofactoren te noemen, namelijk
“de leeftijd van de jongere ten tijde van de
uithuisplaatsing”, “de ontwikkelingsstand bij entree”,
“intelligentie”, “het
aantal stoornissen van een jongere ten tijde van de uithuisplaatsing”, “egoveerkracht” en “geslacht van
de jongere”. Uit onderzoek blijkt dat de meeste jongeren binnen twee jaar vertrokken zijn uit de
voorziening waar zij het eerst verbleven na uithuisplaatsing. Een uithuisplaatsing gaat gepaard met
ingrijpende veranderingen die samenhangen met veranderingen in het lichamelijk, sociaal-emotioneel en
cognitief functioneren. Uit ander onderzoek blijkt dat jongeren die uit huis geplaatst zijn in hun
kindertijd minstens één traumatische gebeurtenis hebben ervaren en dat zij de huidige plaatsing aan hun
eigen acties toeschrijven. Jongeren die uit huis geplaatst zijn maken vaak meer trauma’s en stressoren
mee in hun leven, zowel voor, tijdens als na de uithuisplaatsing. Ze hebben daarom een verhoogd risico op
een problematische ontwikkeling. Uit huis geplaatste jongeren laten dan ook meer gedragsproblemen zien.
De meest voorkomende problemen van onder toezicht gestelde jongeren zijn problemen in de ouder-kind
relatie. De ontwikkeling van jongeren met een vroege tehuiservaring hangt
sterk af van de omgevingscondities waarin ze later worden geplaatst. Hoewel er redelijk veel
informatie is over de kenmerken en achtergronden van uit huis geplaatste jongeren is er zeer weinig
bekend over de belevingen van de uit huis geplaatste jongeren zelf. Hoe ervaren zij het om uit huis
geplaatst te zijn en om niet meer thuis te wonen. Daar zal het onderhavige onderzoek dan ook over
gaan.
Dit onderzoek is een afstudeeronderzoek van twee pedagogiek studenten aan de Universiteit
Utrecht. Het onderzoek heeft dus in eerste instantie het leerproces van de studenten tot doel, namelijk
het leren verrichten en rapporteren van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoek heeft daarnaast
voornamelijk een praktische relevantie. De resultaten van het onderzoek kunnen mogelijk gebruikt worden
door hulpverleners die te maken hebben met onder toezicht gestelde jongeren, zoals groepsopvoeders,
pleegouders en gezinsvoogden. Door inzicht te krijgen in de beleving van uit huis geplaatste jongeren
zullen deze hulpverleners die jongeren wellicht beter kunnen begeleiden. Verder kunnen andere mensen, die weinig weten over uit huis geplaatste jongeren, door het
lezen van de resultaten van dit onderzoek meer te weten komen over hoe het is om uit huis geplaatst te
zijn.
Uit de prevalentiecijfers, die genoemd zijn in paragraaf 2.3 blijkt dat
het gaat om ongeveer 10.000 jongeren die onder toezicht gesteld staan en uit huis geplaatst zijn. Dit grote
aantal jongeren benadrukt nogmaals het belang van onderzoek naar hun beleving. Hoewel er dus veel jongeren zijn die uit huis geplaatst worden, ontbreekt er, volgens Brady en
Caraway (2002), informatie over de specifieke kenmerken van deze jongeren zelf. Er is volgens hen weinig
aandacht geweest voor de ervaringen van deze jongeren. Naast deze cijfers blijkt
het belang van dit onderzoek ook uit onderzoek van bijvoorbeeld Knorth (1983). Hij geeft aan dat uit huis
geplaatste jongeren onder andere het risico lopen om in het gezin van herkomst een zondebok te worden en
in de maatschappij gestigmatiseerd te worden.
De kennis die dit onderzoek oplevert over hoe onder toezicht gestelde jongeren hun
uithuisplaatsing beleven, kan gezien worden als de theoretische relevantie van dit onderzoek.
Hoewel verschillende aspecten van onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn
onderzocht zijn, zoals de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling door Slot e.a. (2002), het welzijn
van jongeren na uithuisplaatsing (Jansen & Oud, 1993; Sastre & Ferriere, 2000; Davidson-Arad e.a., 2003), de ervaringen van jongeren met residentiële opnameprocedures in de jeugdbescherming (Knorth,
1983), de invloed van de plek op de kwaliteit van leven (Davidson-Arad e.a., 2003; Junger-Tas, 1983b;
Usher, Randolph & Gogan, 1999 en Rutter & Quinton, 1981), kindkenmerken bij jongeren in
pleeggezin- en tehuissituaties (Van Ooyen-Houben, 1991) en onderzoek naar de gezinsbetrokkenheid vanuit
het perspectief van ouders (Jivanjee, 1999), is er nog geen onderzoek gedaan naar hoe onder toezicht
gestelde jongeren het ervaren om uit huis geplaatst te zijn. Dit onderzoek stelt zich dan ook als doel
door middel van kwalitatief onderzoek aan de hand van open interviews inzicht te geven in hoe onder
toezicht gestelde jongeren in de leeftijd van 10 tot 18 jaar het beleven om uit huis geplaatst te
zijn.
Doordat er nog weinig kennis is over hoe jongeren het beleven om uit huis
geplaatst te zijn gaat het hier om een explorerend onderzoek. Het betreft dus niet een toetsend onderzoek
waarbij bestaande kennis of oplossingen getoetst worden (Baarda & De Goede, 2001; Baarda, De Goede &
Teunissen, 2001; ’t Hart, Van Dijk, De Goede, Jansen & Teunissen, 2001).
Dit onderzoek is allereerst ethisch verantwoord, omdat de onder toezicht
gestelde jongeren die geïnterviewd zijn op de hoogte zijn gesteld van het onderzoek en de bedoeling ervan.
Daarnaast hebben deze jongeren vrijwillig deelgenomen aan het onderzoek. Ook is er toestemming gevraagd aan
de betreffende gezinsvoogden en/of hun biologische ouders of deze jongeren aan dit onderzoek mochten
deelnemen. De anonimiteit van deze jongeren is gewaarborgd door fictieve
namen te gebruiken. Verder worden strikt persoonlijke gegevens niet aan derden verstrekt zonder toestemming
van de onderzochten; in dit onderzoek de onder toezicht gestelde jongeren, hun gezinsvoogd en/of biologische
ouders. Tenslotte brengt het afnemen van een interview geen schade toe aan de onderzochten. De jongeren
hebben in het interview alleen datgene verteld wat zij zelf wilden vertellen (Baarda, e.a.,
2001).
Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van 10 tot 18 jaar het feit
dat zij uit huis geplaatst zijn?
3.1.4
Onderzoeksvragen
De beschrijvende vraagstelling die in dit kwalitatieve onderzoek centraal
staat is: "Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van 10 tot 18
jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?".
De onderzoeksvragen behorende bij deze vraagstelling zijn:
1. Welke
redenen van uithuisplaatsing worden door de onder toezicht gestelde jongeren aangegeven?
2. Hoe hebben
de onder toezicht gestelde jongeren hun uithuisplaatsing beleefd?
3. Waar
hebben de onder toezicht gestelde jongeren gewoond na hun uithuisplaatsing, waar wonen zij nu en hoe beleven
zij deze plekken?
4. Welke
gevoelens spelen een rol bij onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren?
5. Met welke
hulpverleners hebben de onder toezicht gestelde jongeren contact en hoe beleven zij deze
contacten?
6. Hoe
beleven de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren het contact met de
beroepsopvoeders?
7. Hoe
beleven de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren (het contact met) hun gezin van
herkomst?
8. Hoe zien
de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren hun toekomst en wat voor wensen hebben
ze?
9. Wat vinden
de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren belangrijk dat andere mensen weten over onder
toezicht gestelde jongeren?
In eerste instantie was het onderzoek gericht op kinderen in de leeftijd
van 8 tot 12 jaar. Omdat het werven van respondenten in de praktijk zeer moeilijk is gebleken, is ervoor
gekozen om af te wijken van die leeftijdscategorie. De leeftijdscategorie is uiteindelijk dus bepaald door
de beschikbare respondenten. In hoofdstuk 3.2 zal dit nader worden toegelicht. De leeftijd van de
respondenten in dit onderzoek varieert van 10 tot 18 jaar.
Daarnaast richt dit onderzoek zich op jongeren van zowel het mannelijk
als het vrouwelijk geslacht. De jongeren wonen in Nederland, in de provincie Gelderland.
Zoals uit hoofdstuk 2 al duidelijk is geworden, kan de hulpverlening aan
jongeren vrijwillig plaatsvinden of een gedwongen karakter hebben. In het laatste geval legt de
kinderrechter een kinderbeschermende maatregel op. Deze maatregel bestaat uit drie vormen, namelijk een
ondertoezichtstelling, een ontheffing en een ontzetting (Van Lieshout, 2003). De hulpverlening, rondom de
jongeren die aan dit onderzoek hebben deelgenomen, heeft zo'n gedwongen karakter. De kinderrechter heeft bij
deze jongeren de kinderbeschermings-maatregel van een ondertoezichtstelling opgelegd. De ontheffing of
ontzetting worden in ditonderzoek buiten beschouwing gelaten.
De ondertoezichtstelling wordt door de kinderrechter opgelegd als de
zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van een minderjarige ernstig bedreigd worden en andere
middelen om deze bedreiging af te wenden hebben gefaald, of zullen falen (Van Lieshout, 2003; Voorjans,
1996). De onder toezicht gestelde jongeren hebben een gezinsvoogd toegewezen gekregen. Indien de gezinsvoogd
dat nodig acht kan hij een machtiging bij de kinderrechter aanvragen om de jongere uit huis te laten
plaatsen. Een belangrijk kenmerk van deze jongeren is naast het onder toezicht gesteld zijn, dus het feit
dat zij uit huis geplaatst zijn vanwege een problematische gezinssituatie. Een problematische gezinssituatie
kan omschreven worden als: het voorkomen van gedrags- en/ of opvoedingsstoornissen, kindermishandeling,
verslaving, crimineel gedrag, ernstige problemen van ouders die hun weerslag hebben op de jongeren, al dan
niet in combinatie met elkaar. Een aantal risicofactoren die tot probleemgedrag zouden kunnen leiden
zijn: weinig emotionele bindingen tussen de gezinsleden, ernstige
conflicten tussen de gezinsleden, gebrekkige gezinscommunicatie, een onveilig opvoedingsklimaat, een
gebrekkige begeleiding van de gedragsontwikkeling van de jongere en een problematische opvoedingsstijl. Deze
problematische opvoedingsstijl houdt in dat ouders te weinig affectie tonen en te veel controle uitoefenen
(Voorjans, 1996).
De jongeren wonen dus niet meer thuis bij hun natuurlijke of adoptief
ouders, maar in een pleeggezin, een gezinshuis, een tehuis voor jeugdhulpverlening, een gesloten inrichting,
een kliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie of in een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis.
In dit onderzoek betreft het alleen kinderen die uit huis geplaatst zijn naar een pleeggezin, gezinshuis of
een leefgroep. De kinderen van adoptief ouders die uit huis geplaatst zijn en kinderen die geplaatst zijn in
een gesloten inrichting, een kliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie of in een psychiatrische afdeling van
een algemeen ziekenhuis worden in dit onderzoek dus buitengesloten.
Kort samengevat richt het onderzoek zich dus op de volgende eenheden; In
Nederland in de provincie Gelderland wonende, onder toezicht gestelde jongeren (jongens en meisjes) die bij
hun natuurlijke ouder(s) woonden, maar in verband met een problematische gezinssituatie uit huis geplaatst
zijn.
De kenmerken van deze eenheden zijn; leeftijd (van 10 tot 18 jaar) en
woonsituatie (een pleeggezin, gezinshuis of een tehuis voor jeugdhulpverlening).
Bij dit belevingsonderzoek is een kwalitatieve benadering beter dan een
kwantitatieve benadering, omdat het bij dit onderzoek gaat om het achterhalen van de beleving en de
betekenisgeving van de jongeren. Eén van de belangrijkste principes van kwalitatief onderzoek is juist dat
het gericht is op een beschrijving van de betekenisverlening van betrokkenen. Verder zou het onderzoek
kunnen bijdragen aan verbetering van de hulpverleningspraktijk. In deze situatie is het gebruik van
kwalitatieve onderzoeksmethoden ook bij uitstek geschikt (Wester & Hak, 2003).Daarnaast is er sprake van
een open vraag, weinig voorkennis en een beperkt aantal proefpersonen (Baarda e.a., 2001; Wester & Hak,
2003). Het onderzoeksprobleem wordt als een omvattend, samenhangend geheel benaderd, wat wordt aangeduid met
de term ‘holisme’. In dit onderzoek wordt naar verschillende belevingen van uit huis geplaatste jongeren
gekeken, onder andere hoe ze de uithuisplaatsing zelf hebben beleefd,
hoe ze hun nieuwe woonplek beleven en hoe ze het contact met hulpverleners en beroepsopvoeders beleven.
Uitgaande van het holistische principe wordt er onder andere geprobeerd om alle facetten van de beleving van
de uit huis geplaatste jongeren in het onderzoek te betrekken (Baarda e.a., 2001).
Kwalitatief onderzoek richt zich op het verzamelen van meningen,
opvattingen en ideeën van de onderzochten (’t Hart e.a., 1996). Dit onderzoek verzamelt gegevens met
betrekking tot de beleving van onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn.
Om deze informatie te kunnen verzamelen is het stellen van vragen als
dataverzamelings-methode gebruikt. Dit betreft dus een vraagmethode. De techniek die binnen de vraagmethode
gebruikt is, is het mondeling stellen van vragen. Het instrument wat binnen deze techniek past is een
interview en wel een open interview (’t Hart e.a., 1996). De open interviews zijn in de meeste gevallen
gehouden op de huidige woonplek van de respondenten. Alleen Kim is geïnterviewd bij één van de onderzoekers
thuis.
In een open interview bepaalt degene die geïnterviewd wordt het verloop
van het gesprek. De rol, die de onderzoekers in dit onderzoek op zich hebben genomen, is die van
interviewer. De interviewer stelt aan het begin van het gesprek een open vraag om de richting van het
gesprek te bepalen en stelt slechts tijdens het gesprek vragen om het gesprek op gang te houden. De open
vraag die in het begin van het interview aan de respondenten gesteld is, luidt als volgt; “Als ik straks een verslag ga schrijven over uit huis geplaatste jongeren, heb
jij dan een idee wat ik daarin kan zetten? Wat vind jij belangrijk dat anderen weten over uit huis
geplaatste jongeren”.
Omdat de interviewer in een dergelijk gesprek ook nog enkele
gespreksthema’s of topics gebruikt, wordt het open interview ook wel een topic interview genoemd. Deze
topiclijst is slechts richtinggevend. Het verloop van het gesprek wordt, zoals eerder gezegd, voor het
belangrijkste deel door de respondenten bepaald. Dit is ook kenmerkend voor kwalitatief onderzoek, waar de
beleving van de respondent centraal gesteld wordt (Baarda, e.a., 2001).
Daarnaast past de dataverzamelingstechniek open interviewen bij de
leeftijd van de onderzochten. Kinderen vanaf een jaar of zes hebben taalgebruik wat veel lijkt op dat van
een volwassene. Het kind bevat de basale kennis van de grammaticale structuur van de moedertaal. De
taalontwikkeling is op deze leeftijd voornamelijk een kwestie van verfijning en de taalschat wordt verder
uitgebreid (Van Beemen, 1995).
Het grootste deel van de ‘controlevariabelen’ zijn uitvoerig beschreven in het literatuur
gedeelte van dit verslag (hoofdstuk 2). Hieronder zullen alle controle variabelen nogmaals genoemd worden
om een overzicht te geven van de verschillende factoren. Ook zullen een aantal controlevariabelen worden
genoemd die niet in het literatuur gedeelte terug te vinden zijn, maar die mogelijk wel van invloed zijn.
De controlevariabelen die in dit onderzoek mogelijk naar voren komen zijn: geslacht (jongen of meisje);
huidige leeftijd (10 tot 18 jaar); leeftijd bij uithuisplaatsing; verblijfplaats van de jongere na
uithuisplaatsing (pleeggezin, gezinshuis, leefgroep); reden van uithuisplaatsing; de situatie thuis; het
aantal en het type ontwikkelingsbedreigende gezinsproblemen (een problematische opvoedingsstijl, ernstige
gezinsconflicten, gebrekkige gezinscommunicatie, een onveilig opvoedingsklimaat en de afwezigheid van
toezicht op het doen en laten van de jongere); egoveerkracht; etnische achtergrond (autochtoon of
allochtoon); intelligentie (beneden gemiddeld, gemiddeld, boven gemiddeld); het aantal en het type
trauma’s dat een jongere heeft meegemaakt (lichamelijke mishandeling, ernstige verwaarlozing, seksueel
misbruik, getuige van huiselijk geweld); het aantal plaatsingen in een pleeggezin, gezinshuis en/of
residentiële instelling (anders gezegd het aantal wisselingen van verblijfplaats); het aantal
verschillende verzorgers; de lengte van het huidige verblijf in het pleeggezin, het gezinshuis of de
residentiële behandelsetting; de mate waarin de jongere zeker is over zijn toekomst (de jongere heeft
geen idee wat de toekomst zal zijn, de jongere kan een aantal mogelijkheden noemen, de jongere denkt het
te weten, de jongere weet het in die zin dat het denkt dat het niet zal veranderen, de jongere weet het
precies in die zin dat het zeker niet zal veranderen); de mate waarin de jongere tevreden is met de
eventuele behandeling (de jongere heeft er een hekel aan, heeft er twijfels over, voelt zich er goed
over, is er blij mee, is erg gelukkig); mate van sociale steun (veel of weinig); aard van de
hulpverlening (vrijwillig of gedwongen); de bezoekfrequentie van ouders; type problemen van de jongere
(geïnternaliseerd of geëxternaliseerd) en de aan- of afwezigheid van veilige hechting (Brady &
Caraway, 2002; Jansen & Oud, 1993; Palmer, 1996; Van Ooyen-Houben, 1991; Voorjans, 1996).
In dit onderzoek is geen rekening gehouden met controlevariabelen. Kwalitatief onderzoek leent
zich hier ook minder dan experimenteel onderzoek, waarbij controlevariabelen van belang zijn om het
effect van een externe stimulus te bepalen (’t Hart e.a., 1996). De controlevariabelen worden daarom ook
niet nader beschreven.
De attenderende begrippen die in de doelstelling naar voren komen zijn:
beleving, ondertoezichtstelling, jongeren en uithuisplaatsing.
Het design van dit onderzoek is een survey. Bij een survey worden gegevens verzameld over de
onderzoekseenheden door gebruik te maken van een interview. Deze gegevens worden meestal op één bepaald
tijdstip of in één bepaalde periode verzameld. Het komt echter ook voor dat op meerdere tijdstippen
gegevens worden verzameld. In dit onderzoek zijn de data verzameld door open interviews af te nemen bij
onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn. De interviews zijn eenmalig afgenomen in de
periode tussen december 2003 en juni 2004. In de meeste gevallen, ook bij dit onderzoek, worden gegevens
verzameld bij een steekproef van onderzoekseenheden uit een nader omschreven populatie. Hoewel bij
survey-onderzoek in de regel een groot aantal onderzoekseenheden worden betrokken, is het aantal
respondenten in dit kwalitatieve onderzoek minder groot. Binnen dit onderzoek wordt niet gezocht naar
oorzakelijke verbanden zoals bij een experiment, dus ligt survey-onderzoek echter wel voor de hand. Ook
past dit design bij de beschrijvende vraagstelling van dit type onderzoek (Baarda & De Goede,
1995).
Dit onderzoek richt zich op in Gelderland wonende, onder toezicht
gestelde en uit huis geplaatste jongens en meisjes in de leeftijd van 10 tot 18 jaar. In dit onderzoek zal
niet die hele populatie onderzocht worden, maar slechts een deel ervan. Het gaat hier dan ook om een
steekproef. Het betreft een selecte steekproef, omdat de onderzoekers respondenten toegewezen hebben
gekregen via gezinsvoogden van Bureau Jeugdzorg in Zutphen en één gezinsvoogd uit
Doetinchem. De contacten met deze gezinsvoogden zijn voortgekomen uit de contacten die de
onderzoekers hebben gelegd met drie gezinsvoogden naar aanleiding van een ander, kleinschalig onderzoek. In
dat onderzoek is de beleving van gezinsvoogden over uithuisplaatsing onderzocht. Deze gezinsvoogden hadden
toegezegd de onderzoekers te helpen bij het werven van de respondenten. Via deze drie gezinsvoogden zijn dan
ook andere gezinsvoogden benaderd. Deze steekproef is dus ook voor een deel een
sneeuwbalsteekproef.
Uit de praktijk zou blijken dat na 25 tot 30 interviews geen nieuwe
informatie over het onderwerp naar voren komt. Dan is dus het punt van verzadiging bereikt. Bij onderzoeken
met specifiekere probleemstellingen zou het verzadigingspunt al bereikt worden bij 15 tot 25 interviews. Het
aantal respondenten hangt dus af van de verzadiging. Als er bij de dataverzameling sprake is van verzadiging
en dus geen nieuwe informatie meer wordt gevonden kan de steekproef over het algemeen als representatief
worden beschouwd De steekproefgrootte in dit onderzoek betreft 10 respondenten (Baarda e.a., 2001; ’t Hart
e.a., 1996).
Zoals al eerder vermeld is, richt dit onderzoek zich op de leeftijdscategorie van 10 tot 18
jaar. Deze leeftijdscategorie kan opgesplitst worden in twee groepen. Voor de
respondenten van 10 tot 12 jaar wordt meestal in de literatuur de term kinderen gehanteerd. Deze kinderen
volgen het basisonderwijs. De respondenten van 12 tot 18 jaar worden meestal aangeduid met de term
jeugdigen of jongeren. Deze jongeren bevinden zich in de adolescentiefase en volgen het voortgezet
onderwijs. In het onderzoeksverslag wordt steeds gesproken over jongeren vanwege het feit dat acht van de
tien respondenten twaalf jaar of ouder zijn ten tijde van het interview.
Binnen de groep respondenten van 10 tot 18 jaar kan een verschil in
beleving veroorzaakt worden doordat er na het twaalfde jaar psychologische veranderingen ontstaan, die
kenmerkend zijn voor de adolescentiefase. Als gekeken wordt naar de cognitieve ontwikkeling en de stadia die
Piaget onderscheidt, dan vallen de respondenten in twee verschillende stadia. De kinderen tot twaalf jaar
zitten volgens Piaget in het concreet operationele stadium. De informatie die in de redenatie wordt
toegepast heeft in dit stadium betrekking op realistische, concreet voorstelbare situaties. In het formeel
operationele stadium maakt het denken zich los van de concrete inhoud en richt het zich op een abstract
niveau. Dit laatste stadium begint rond elf á twaalf jaar. Er is echter kritiek op de stadia van Piaget. Het
blijkt namelijk dat de ontwikkelingen meer geleidelijk verlopen op diverse tijdstippen en in verschillende
volgorden. Wat de cognitieve ontwikkeling betreft zullen de respondenten van 10 tot 18 jaar dus niet zo veel
van elkaar verschillen (Van Beemen, 1995).
Het begrip beleving staat in dit onderzoek centraal. Onder beleven wordt
ondervinden, meemaken verstaan (Van Haeringen, 1977). De Bruyn, Pameijer, Ruijssenaars & Van Aarle,
(2001) definiëren beleving als volgt: "De persoonsgebonden emotionele
(positieve of negatieve) waarde, die door de cliënt aan de situatie, gebeurtenis of gedrag wordt
verbonden" (p.57). In de definitie van De Bruyn e.a. (2001) wordt beleven gezien als de redenen of
motivatie voor gedrag in waarderende zin. Dit is een cognitief gebeuren, wat indirect
plaatsvindt.
In dit onderzoek betreft het de beleving van onder toezicht gestelde
jongeren. Naast de ondertoezichtstelling zijn de jongeren uit dit onderzoek ook
uit huis geplaatst en wonen in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Hieronder volgen de definities van
deze drie plekken.
Een pleeggezin is een plek in een ander gezin waar een kind kan wonen die
wegens omstandigheden niet meer thuis kan wonen. Pleegouders nemen tijdelijk de zorg over van de ouders. Het
kind blijft contact houden met zijn eigen familie voor zover dat mogelijk is (Landelijk Bureau Voorlichting
Federatie Pleegzorg, 1998).
Een leefgroep wordt met verschillende termen aangegeven. Zo spreekt men bijvoorbeeld ook wel
over een tehuis voor jeugdhulpverlening, een (kinder)tehuis of een residentiële instelling. In een
leefgroep worden kinderen en jongeren van nul tot achttien jaar opgevangen, die niet meer thuis kunnen
wonen, vanwege problemen en/of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard
die de ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig beïnvloeden. De jongeren verblijven dag en nacht op de
leefgroep. Zij worden opgevoed en verzorgd door een team van hulpverleners die dag- en nachtdiensten
draaien op de leefgroep (Van Well, 1998).
Een gezinshuis is een leefvorm die tussen pleegzorg en een leefgroep in zit.
In een gezinshuis worden kinderen en jongeren opgevoed en begeleid door gezinshuisouders. De
relatie tussen de gezinshuisouders en de kinderen die daar wonen is afstandelijker dan de relatie tussen
pleegouders en pleegkinderen. Kinderen die moeite hebben om zich te hechten kunnen beter in een
gezinshuis terecht dan in een pleeggezin. De gezinshuisouders bieden hun gezin(systeem) aan als
professionele hulpverleningsvorm aan een instelling. Veelal is één, of zijn beide ouders in dienst van de
instelling en wonen zij in een pand van de instelling dat beschikbaar is gesteld voor het werk dat zij
doen. Ook krijgen de gezinshuisouders vaak professionele ondersteuning vanuit de instelling. Het aantal
kinderen die gezinshuisouders op deze manier opvoeden kan uiteenlopen van 1 tot 8 met gemiddeld 3 tot 4
kinderen (www.gezinshuis.solcon.nl, www.mobiel-pleegzorg.nl). De
beleving van de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren wordt gemeten door bij de
jongeren open interviews af te nemen. In deze interviews komen verschillende dimensies, die bij de
beleving van uithuisplaatsing te onderscheiden zijn, als (sub)topics aan de orde. De topiclijst (Baarda,
De Goede & Van der Meer-Middelburg, 2000) van de open interviews ziet er als volgt uit:
1. Uitleg pleeggezin, gezinshuis en/of leefgroep.
- daginvulling
- eerste gedachte
- school / werk
- huisgenoten
- verschil “gewoon” gezin
- verblijf in weekend
2. Beleving woonplek
- leuk
- niet leuk
- sfeer
- contact huisgenoten
3. Uithuisplaatsing
- feiten
- gedachten
- gedrag
- reactie biologische ouders
4. Eerste periode huidige woonplek
5. Reden uithuisplaatsing
- andere woonplekken
- leeftijd
- verschil andere woonplekken
6. Denken aan biologische ouders
- huidig contact
- verandering contact
7. Biologisch broertjes en/of zusjes
- huidig contact
- verandering contact
8. Gezinsvoogd
- taken
- contact
9. Verandering huidige situatie
10. Toekomstperspectief
- wonen
- werken
- relatie
- kinderen
11. Drie wensen
De topiclijst is in de loop van het onderzoek steeds iets gewijzigd. De
topiclijst zoals hierboven is weergegeven is zoals die uiteindelijk is geworden Na het vierde interview (het
interview met Bas) is er explicieter aandacht gegeven aan het thema ondertoezichtstelling door “de
gezinsvoogd” als topic toe te voegen. De subtopics zijn “de taken” van de gezinsvoogd en “het contact”.
Verder is “school” toegevoegd als subtopic bij de topic “uitleg pleeggezin, gezinshuis en/of leefgroep”. De
topic “reden van uithuisplaatsing” is in de loop van het onderzoek als vijfde op de topiclijst gezet in
plaats van als derde. De reden is vaak een moeilijk en ingrijpend verhaal, wat beter iets later in het
gesprek aangekaart kan worden tenzij de jongere er zelf eerder over begint.
De betrouwbaarheid van een open interview wordt in dit onderzoek
vergroot doordat de interviews geregistreerd worden met behulp van een bandrecorder, zodat de gegevens zo
nauwkeurig mogelijk geanalyseerd kunnen worden.
Kwalitatief onderzoek wordt door Wester en Hak (2003) als volgt
gedefinieerd: “kwalitatief onderzoek is een proces van het
stapsgewijs opbouwen van een theorie (begrippen en theoretische relaties daartussen) die betrekking heeft op
(delen van) de geleefde wereld, waarin bij iedere stap in dat proces opnieuw het vinden van toegang tot de
onderzochte wereld en de interpretatie van de daarbij verzamelde gegevens voortkomen uit een reflectie op
het tot dan toe opgebouwde inzicht” (p.11). Binnen dit kwalitatief onderzoek worden kwalitatieve
analysemethoden gebruikt (’t Hart e.a., 1996). Het doel van de kwalitatieve analyse in dit onderzoek
is dus een bepaalde structuur of een bepaald patroon aan te brengen in de
verzamelde data en te komen tot een zinvolle ordening. Tijdens het analyseren van de gegevens zullen er
categorieën gevormd worden, die telkens aangepast worden naarmate er meer gegevens geanalyseerd zijn. Dit
wordt een iteratief proces genoemd (Baarda, e.a, 2001). Deze iteratieve werkwijze draagt bij aan de
betrouwbaarheid. Bij het analyseren van de gegevens zullen acht stappen als richtlijn gebruikt worden
(Baarda, e.a., 2001). Deze stappen worden hieronder apart beschreven, maar zullen tijdens het analyseproces
niet als strikt gescheiden stappen gehanteerd worden (Flick, 1998).
Stap 1: Informatie selecteren op relevantie.
Nadat elk interview op een bandrecorder is opgenomen, heeft de onderzoeker die het interview
gedaan had, het interview letterlijk uitgetypt. Wanneer de onderzoeker woorden niet kon verstaan heeft de
andere onderzoeker geprobeerd die woorden te ontcijferen. Bij blijvende onduidelijkheid over bepaalde
woorden, zijn die woorden met een kleurtje in de tekst van het interview aangegeven. Verder zijn niet
alle ja’s van de interviewer, die bedoeld zijn om de respondent te stimuleren om verder te praten en om
de respondent te laten horen dat de interviewer actief luistert, uitgetypt. Dit is namelijk niet relevant
en zo is er tijd bespaard.
Nadat elke onderzoeker het interview heeft doorgelezen, is bekeken welke informatie irrelevant
is. In deze stap is de irrelevante informatie geschrapt. Beide onderzoekers hebben deze stap ieder voor
zich uitgevoerd. In de tekst zijn de irrelevante zinnen doorgestreept. Een voorbeeld hiervan is dat een
jongere uitlegt waar haar school is: “Nou, dan hoef je alleen naar
de stoplichten, daar rechtdoor en dan het bruggetjes over en dan zie je de school liggen”. De
vraagstelling en de daarop gebaseerde onderzoeksvragen hebben het uitgangspunt gevormd bij het bepalen
van wat relevant is en wat niet. Daarnaast is uiteindelijk bepaald of iets weggestreept moest worden,
door te vergelijken wat beide onderzoekers hadden.
Stap 2: Relevante tekst opsplitsen in fragmenten.
Ieder fragment moet informatie geven over één onderwerp. Er is in dit onderzoek per regel
bekeken of de tekst nog steeds over hetzelfde onderwerp ging. Het fragment is ten einde wanneer het
onderwerp van de tekst verandert. In de tekst wordt een fragment aangegeven met gekleurde vlakken. Ook
hier hebben de onderzoekers het eerst ieder voor zichzelf gefragmenteerd en daarna is het
vergeleken.
Stap 3: Het labelen van de tekstfragmenten.
Labelen wil zeggen; de tekstfragmenten van een naam of namen voorzien. Dit vergemakkelijkt het
opzoeken.
Omdat de vraagstelling beschrijvend van aard is, gaat het bij het labelen minder om feiten dan
om indrukken en ervaringen. Sommige fragmenten gaan dan wel om hetzelfde, maar kunnen toch meer labels
krijgen. Er zijn dus stukjes van een fragment gelabeld.
Met labelen is in dit onderzoek zo dicht mogelijk bij de tekst gebleven. Het is dus een zo
letterlijk mogelijke weergave van wat er gezegd is. Bij het bepalen van de uiteindelijke labels, hebben
de onderzoekers vergeleken wat elke onderzoeker voor zichzelf had bedacht.
Stap 4: Het ordenen en reduceren van de labels.
Het is mogelijk om te kiezen tussen een hiërarchische ordening om het verband duidelijk te
maken, een ordening in tijd of een procesordening. Bij de laatste vorm van ordening is er de mogelijkheid
om onderscheid te maken tussen labels die betrekking hebben op het proces zelf, op de context of op de
intenties.
Er is in dit onderzoek gebruik gemaakt van procesordening. De labels die over hetzelfde
onderwerp gaan zijn bij elkaar gezet met als kopje het onderwerp. Deze groepjes labels vormen een
dimensie. De onderwerpen zijn zo chronologisch mogelijk onder elkaar gezet.
Stap 5: Het vaststellen van de geldigheid van de labeling.
Nadat van het eerste interview een voorlopig labelingssysteem was opgesteld, is die aangepast
na feedback van de begeleider. Het is belangrijk om te controleren of dit schema geldig blijft. Nieuwe
gegevens worden bij min of meer gelijkwaardige personen, situaties of processen verzameld. Vervolgens
hebben de onderzoekers het tweede en derde interview ook van labels voorzien volgens de eerste vier
stappen. Op deze nieuwe gegevens is dus een nieuwe labeling toegepast en is gekeken of dit dekkend
is.
De labels van de eerste drie interviews zijn vervolgens
samengevoegd. De labels behorende bij één respondent zijn met een bepaalde kleur aangegeven, zodat het
gemakkelijk terug te vinden is welke labels uit welk interview afkomstig is. Vervolgens zijn interview vier
tot en met zeven apart van elkaar gelabeld. Ook deze vier interviews zijn samengevoegd, elk interview met
een eigen kleurtje. Daarna zijn de twee labelingssystemen, die van interview één tot en met drie en
interview vier tot en met zeven, samengevoegd tot één labelingssysteem.
Bij de analyse van elk volgend interview zijn er een aantal nieuwe labels bijgekomen en een
aantal labels zijn gesplitst, samengevoegd en/of weggehaald. Een aantal labels is weggelaten, omdat de
betekenis onduidelijk blijkt. Een voorbeeld hiervan is het label “vanaf het begin af aan al zo geweest”. Dit label zegt niks over wat al vanaf het begin af aan zo is geweest
en heeft op zichzelf weinig betekenis. Een andere reden om een label weg te laten is, omdat het
geen antwoord geeft op de onderzoeksvraag. Het volgende label is weggelaten, omdat het eigenlijk niks met
de onderzoeksvragen te maken heeft; “mensen kunnen het zelf niet meer, dus het zal toch iemand voor ze
moeten doen”. De labels met betrekking tot het kamertrainingscentrum en het begeleid zelfstandig wonen
zijn weggelaten in de uitwerking van de resultaten. Deze werden maar door één respondent genoemd.
Bovendien heeft het onderzoek zich beperkt tot het pleeggezin, gezinshuis en de leefgroep.
Naast samenvoegen zijn ook een aantal labels opgesplitst in twee verschillende labels. Een
voorbeeld hiervan is het label ”afspraken met mij maken wanneer ik naar mijn moeder ga, een
weekend er slapen”. Dit label is uitgesplitst in het label “afspraken met mij maken” en
“afspreken wanneer ik weekend bij moeder ga slapen”. Door het uitsplitsen zijn de labels wat
korter geworden. Maar er zijn ook labels korter gemaakt. Het korter maken heeft als doel ze
overzichtelijker te maken. Dit is gedaan, nadat de eerste zeven interviews gelabeld waren. Wel is steeds
zo dicht mogelijk bij de tekst van de respondent gebleven.
Naast het aanpassen van de labels door splitsen, samenvoegen en weghalen, zijn ook een aantal
dimensies veranderd. De dimensie “leuke dingen in gezinshuis” is weggelaten en de labels behorende bij
deze dimensie zijn ondergebracht bij een andere dimensie. Zo is de label “pretpark” ondergebracht bij de
dimensie “beleving gezinshuis” als “naar pretpark is leuk” en de label “paardrijden” bij de dimensie
“gezinshuis” als “op paardrijden”.
De geldigheid van de definitieve labeling komt tot uitdrukking in de vraag of die alleen geldt
voor de interview- en observatiegegevens op basis waarvan de labeling tot stand is
gekomen, of dat de labeling ook geldt voor nieuwe interview- en observatiegegevens.
Stap 6: Het definiëren van kernlabels.
Voor iedere kernlabel moet uit de definitie duidelijk worden wat er onder
verstaan wordt. Een voorbeeld van een kernlabel is “uithuisplaatsing”. Een kernlabel omvat een aantal
dimensies. Onder het kernlabel “uithuisplaatsing” vallen bijvoorbeeld de dimensies “op straat leven”,
“reden uithuisplaatsing”, “het uit huis geplaatst worden”en “beleving uithuisplaatsing”. Een kernlabel omvat een aantal
dimensies. Het is een soort overkoepelend begrip dus. Dimensies zijn groepjes labels die over hetzelfde
onderwerp gaan. Ook hier is geprobeerd zo dicht mogelijk bij de tekst te blijven. Door eerst ieder voor
zich een kernlabel te bepalen en die vervolgens te vergelijken, zijn de kernlabels
geformuleerd.
Stap 7: Het vaststellen van de intersubjectiviteit.
Bij intersubjectiviteit gaat het om de vraag in hoeverre onderzoeksresultaten afhankelijk zijn
van toevallige kenmerken van een onderzoeker. In het kader van de vraag naar de betrouwbaarheid van de
onderzoeksresultaten is het belangrijk om vast te stellen in hoeverre de gevonden resultaten afhankelijk
zijn van de persoon van de onderzoeker. Het kan zijn dat de onderzoeker zich bij het interpreteren van
het onderzoeksmateriaal sterk heeft laten leiden door zijn eigen ervaringen. De betrouwbaarheid is in dit
onderzoek gecontroleerd door steeds alle twee onafhankelijk van elkaar te fragmenteren en te labelen en
dat te vergelijken op overeenkomsten.
Stap 8: Het beantwoorden van de
vraagstelling.
Hier is gekeken welke labels belangrijk zijn bij beantwoording van de
vraagstelling.
Het proces van de eerste drie hierboven beschreven stappen wordt ook wel
open coderen genoemd, stap vier axiaal coderen en de laatste drie stappen selectief coderen. Het open,
axiaal en selectief coderen wordt tezamen theoretisch coderen genoemd (Flick, 1998).
Het analyseren van de gegevens kan handmatig gebeuren of met behulp van het computerprogramma
Winmax. De onderzoekers hebben in eerdere onderzoeken ervaring opgedaan met beide vormen van analyse. De
voorkeur van beide onderzoekers is om interviews handmatig te analyseren. Deze voorkeur heeft ertoe
geleid dat in dit onderzoek ook voor deze methode is gekozen.
Voor dit onderzoek hebben de onderzoekers tien onder toezicht gestelde jongeren gesproken over
hun uithuisplaatsing. Voordat de resultaten besproken worden, zullen in paragraaf 4.1 eerst alle
respondenten aan de lezer voorgesteld worden, zodat de lezer zich een beeld kan vormen van deze jongeren
en de resultaten beter zal kunnen plaatsen.
In paragraaf 4.2 wordt de uithuisplaatsing beschreven als één van belangrijkste kenmerken van
de onder toezicht gestelde jongeren. Daarbij zullen de reden van uithuisplaatsing, de uithuisplaatsing
zelf en de beleving van de uithuisplaatsing van zowel de jongeren als hun ouders aan bod
komen.
De jongeren zijn dus uit huis geplaatst en geplaatst in een pleeggezin, gezinshuis of
leefgroep. Die plaatsingen worden beschreven in paragraaf 4.3. Eerst zal de plaatsingsgeschiedenis van de
jongeren aan de orde komen. Vervolgens worden per plek de kenmerken en de beleving besproken. Tenslotte
zal er ook kort iets over een gastgezin gezegd worden.
De plaatsing brengt allemaal gevoelens met zich mee. Hoe de jongeren zich aan het begin van de
plaatsing en in de loop van de plaatsing voelen wordt beschreven in paragraaf 4.4. Ook gevoelens van
machteloosheid zullen in die paragraaf aan bod komen.
In paragraaf 4.5 wordt dan bekeken met welke mensen de jongeren door de uithuisplaatsing en de
ondertoezichtstelling allemaal contact hebben. Allereerst zijn dat de hulpverleners, namelijk de
gezinsvoogd en de pleegzorgwerker. Verder hebben de jongeren contact met de beroepsopvoeders, zij staan
een beetje tussen de hulpverleners en de ouders in. Nadat ook de groepsgenootjes en leeftijdsgenootjes
aan bod zijn geweest, wordt het contact met het gezin van herkomst beschreven. Zowel het contact met de
biologische ouders, als met broertjes en zusjes komt aan de orde.
Wat deze jongeren zoal doen op een dag is te lezen in paragraaf 4.6. Daar wordt ingegaan op de
dagelijkse structuur, school, taken, bezigheden en het weekend.
Daarna zal in paragraaf 4.7 stil gestaan worden bij de toekomstverwachtingen van de jongeren.
Ook hun wensen zullen beschreven worden in die paragraaf.
De jongeren hebben ook zelf een visie op hoe hun leven verlopen is en op de hulpverlening. Dit
zal aan de orde komen in paragraaf 4.8. Dat niet alles naar wens verlopen is, blijkt uit de klachten over
de hulpverlening die ook in deze paragraaf aan bod komen.
Tenslotte zal in paragraaf 4.9 afgesloten worden met een aantal belangrijke punten die de
jongeren de lezer willen meegeven.
Hieronder worden de tien onder toezicht gestelde jongeren aan de lezer voorgesteld. De jongeren
hebben uiteraard een fictieve naam, die zij in de meeste gevallen zelf bedacht hebben.
Kim is tijdens het interview ruim zeventien jaar. Zij zit op een school voor praktijkonderwijs.
Kim heeft de stoornis ADHD. ADHD is de engelse afkorting voor een aandachtstekort stoornis met
hyperactiviteit. Volgens Kim is zij uit huis geplaatst, omdat de kinderrechter vond dat zij niet op tijd
naar school ging, niet op tijd eten kreeg en niet op tijd naar bed ging. Toen Kim uit huis geplaatst werd
heeft zij in een pleeggezin gewoond. Daar is zij drie keer geweest. Tussendoor woonde ze steeds thuis bij
haar ouders. Daarna is zij op een leefgroep geplaatst waar zij vijf jaar gewoond heeft. Nu woont zij al
vier jaar op een andere leefgroep en wacht zij tot zij geplaatst kan worden op een leefgroep waar zij
leert zelfstandig te worden. Dit noemt zij zelf een “trainingsinstituut”. De ouders van Kim zijn inmiddels gescheiden. Met
haar moeder heeft ze niet zoveel contact, haar vader ziet zij om het weekend. Kim heeft drie zusjes, die
vroeger ook uit huis geplaatst zijn. Twee zusjes wonen nu op zichzelf. Haar jongste zusje heeft in een
tehuis gewoond, maar dat ging niet goed volgens Kim en daarom woont zij nu weer bij haar moeder. Bij haar
moeder woont ook een halfzus met twee kleine kinderen.
Anet is tijdens het interview bijna veertien jaar. Ze zit in de tweede klas van het VMBO. De
ouders van Anet zijn gescheiden en hebben beiden weer een relatie. De problematische relatie tussen Anet
en haar stiefmoeder was volgens Anet de belangrijkste reden voor de uithuisplaatsing. Ze kon ook niet bij
haar moeder wonen, omdat ze daar mishandeld werd door haar stiefvader. Toen Anet uit huis geplaatst werd
is zij in een leefgroep geplaatst. Toen het goed ging mocht zij weer thuis gaan wonen. Het ging thuis
echter weer niet goed en daarom werd zij voor de tweede keer op dezelfde leefgroep geplaatst. Daarna is
zij naar een andere leefgroep gegaan waar zij drie jaar heeft gewoond. Vervolgens ging zij weer thuis
wonen, totdat het thuis voor de derde keer mis ging. Zij is toen op een crisisopvang terecht gekomen en
van daar uit ging ze naar een pleeggezin waar ze ruim een half jaar gewoond heeft. Daarna heeft ze nog in
een gezinshuis gewoond. Die gezinshuisouders konden het werk niet meer aan en zijn gestopt en zo kwam
Anet in haar huidige gezinshuis terecht. Eén keer in de twee weken gaat Anet in het weekend naar een
gastgezin. In de andere weekenden gaat zijn naar haar moeder en stiefvader, die ze dus ook één keer in de
twee weken ziet. Eén keer in de zes weken gaat Anet naar haar vader en stiefmoeder. Verder heeft Anet
drie halfzusjes en twee halfbroertjes, die bij haar vader of moeder wonen.
Fernando woont in hetzelfde gezinshuis als Anet. Hij is een week ouder dan Anet en is tijdens
het interview ook bijna veertien jaar. Fernando zit op een ZML school. De ouders van Fernando zijn
gescheiden. Fernando woonde bij zijn moeder. Hij heeft, met halfbroertjes en halfzusjes meegerekend,
dertien broertjes en zusjes. Twee broertjes en zusjes wonen bij zijn vader, een aantal wonen ook op een
leefgroep en een aantal zijn uit huis. Hij heeft ook nog een broer van drieëntwintig, maar die kent hij
niet. Fernando werd op zijn elfde door zijn moeder, die verslaafd is aan alcohol, op het politiebureau
afgezet. Hij is toen een paar dagen bij zijn vader geweest en van daar uit werd hij op een leefgroep
geplaatst. Daarna is hij in het gezinshuis gaan wonen. Fernando heeft geen contact meer met zijn moeder,
maar nog wel met zijn vader. Fernando gaat één keer in de twee weken naar een gastgezin. Hij komt daar al
tweeëneenhalf jaar.
Bas is tijdens het interview ruim zeventien jaar. Toen Bas elf jaar was is zijn vader
overleden. Hij geeft zelf aan dat toen de problemen begonnen zijn. Hij is op zijn veertiende door zijn
moeder uit huis gezet. Bas vertelde dat zijn moeder dat had besloten, omdat zijn broer en zus “kapot gingen” aan zijn gedrag. Bas heeft toen ruim een half jaar op
straat gezworven. Daarna is hij op een besloten leefgroep terecht gekomen. Vervolgens is hij op een open
leefgroep geplaatst. Van daaruit is hij naar een kamer trainingscentrum gegaan. Momenteel woont hij
zelfstandig. Hij heeft nog wel een gezinsvoogd die hem kan begeleiden als dat nog nodig is. Bas werkt
twee dagen per week in een tapasbar. Hij zoekt nog werk voor de rest van de week. Inmiddels heeft Bas
weer contact met zijn moeder. Zijn broer van negentien ziet hij regelmatig, zijn zus van twintig iets
minder. Hij heeft ook nog een halfzus van achtentwintig jaar.
Marykate is tijdens het interview ruim zestien jaar. Marykate doet een opleiding in de richting
zorg. Ze gaat twee dagen per week naar school en loopt de rest van de week stage in een verzorgingshuis.
Over haar thuissituatie vertelde ze dat haar vader aan de alcohol en drugs was. Hij was overdag nooit
thuis, hij was altijd in de kroeg. Als haar vader dan ’s avonds thuis kwam dan werden zij, haar broer,
zusje en moeder “bont en blauw” geslagen. Ook zou haar vader
geprobeerd hebben haar zusje te vermoorden toen zij vijf maanden oud was, door haar over het balkon aan
haar beentjes naar beneden te laten hangen. Uiteindelijk heeft haar moeder haar samen met haar broer en
zusje meegenomen naar een blijf-van-mijn-lijf huis. Toen haar vader hen daar gevonden had, zijn ze even
bij een tante gaan wonen. Daarna is Marykate naar een pleeggezin gegaan, waar ze al sinds haar vierde of
vijfde jaar woont. Daar zijn tijdens haar plaatsing ook twee keer andere pleegkinderen geplaatst. De
moeder van Marykate is hertrouwd. Marykate heeft nu regelmatig contact met haar moeder en stiefvader. Met
haar vader heeft Marykate ook goed contact gehad. Dat was in de periode dat haar vader een nieuwe
vriendin had en geen alcohol gebruikte. Toen de relatie tussen vader en die vriendin echter stuk liep,
ging het weer mis met haar vader. Nu durft Marykate haar vader nooit meer te vertrouwen. Met haar zusje
en broer, die in een ander pleeggezin zaten, ging het niet goed. Haar zusje woont weer bij haar moeder.
Marykate ziet haar alleen als zij naar haar moeder toegaat. Haar broer woont op een leefgroep. Marykate
spreekt hem wel eens op msn (een chatprogramma op internet).
Max is tijdens het interview ruim tien jaar. Hij woont in een gezinshuis. Hiervoor heeft hij op
een leefgroep gewoond. Hij woont bijna twee jaar in het gezinshuis. Max was vijf jaar toen hij uit huis
geplaatst werd. Over de reden van uithuisplaatsing vertelde Max dat hij zijn moeder met een stok sloeg,
dingen uit de winkel pikte en met gereedschap de muren kapot maakte. Max vertelde dat hij alleen aan zijn
moeder denkt. Hij ziet haar om de vier weken een weekend. Dan gaat hij naar haar toe. Om de twee weken
komt zijn moeder in het gezinshuis op bezoek. Met zijn vader heeft hij heel weinig contact. Max heeft een
broer en een zus, die beiden samenwonen.
Chantal is tijdens het interview ruim tien jaar en gaat overdag naar school. Zij woont in een
pleeggezin. Haar pleeggezin is een netwerkpleeggezin. Zij woont bij haar opa en oma, die ze ook wel
aanspreekt met papa en mama. Zij woont al vanaf dat zij een baby is in dit gezin. Hiervoor meent zij in
een soort tehuis te hebben gewoond met haar moeder. Helemaal duidelijk wordt dit echter niet. En Chantal
vertelde dat ze één keer opgehaald is door haar ouders, omdat zij haar terug wilden hebben. Chantal geeft
aan dat zij niet meer thuis kon wonen, omdat haar vader en moeder niet voor haar konden zorgen. Haar
moeder is heel erg ziek, maar Chantal weet niet precies wat haar moeder heeft. Wel zegt ze dat haar
moeder vroeger thuis werd geslagen en “in een kast werd
gestopt”. Ook zegt ze dat haar moeder vaak “rare dingen”
doet; zij is bijvoorbeeld een keer van de flat gesprongen, waardoor ze haar rug heeft gebroken. Ook maakt
haar moeder soms sneeën in haar arm met een mes. Soms is haar moeder dronken en ze gebruikt soms
slaappillen. Haar ouders zijn gescheiden. Om het weekend gaat Chantal naar haar vader, die hertrouwd is
en om de maand gaat ze naar haar moeder. Haar moeder heeft een nieuwe relatie en gaat over drie jaar
trouwen met volgens Chantal een “hele aardige man” in
tegenstelling tot de andere ex-vriendjes van haar moeder wat “allemaal enge mannen” zijn. Chantal heeft een zus die ook in het
pleeggezin woont. Haar broertje is als baby overleden. Chantal heeft hem nooit gekend.
Beppie zit op het individueel voorbereidend voortgezet onderwijs (IVVO). Zij is het oudere
zusje van Chantal. Beppie is tijdens het interview ruim twaalf jaar en woont dus ook in een
netwerkpleeggezin. Zij was twee jaar toen zij bij haar opa en diens vrouw kwam wonen. Een paar dagen voor
het interview woonde zij er tien jaar en daarom hebben ze een feestje gehouden. Ook Beppie vertelde dat
zij uit huis geplaatst is, omdat haar moeder “een soort
ziekte” heeft, maar ze weet niet precies wat. Net als Chantal ziet Beppie haar vader één keer in de
twee weken en haar moeder één keer in de maand. Haar broertje is overleden aan een hartafwijking. Ook
Beppie heeft hem nooit gekend.
Sanne is tijdens het interview bijna zestien jaar. Zij gaat overdag naar school. Zij woont op
een leefgroep waar ze leert zelfstandig te worden. Sanne woont daar bijna drie jaar. Daarvoor heeft ze
twee jaar op een andere leefgroep gewoond. Ze heeft ook nog een paar maanden in een pleeggezin gewoond.
Dat was nadat ze uit huis geplaatst werd. Ze was toen ongeveer negen jaar. De reden van uithuisplaatsing,
die de gezinsvoogd aangaf was dat de moeder van Sanne rust nodig zou hebben. Haar moeder is heel erg ziek
geweest, vertelde Sanne en is aan de alcohol en drugs. Haar vader gebruikt ook drugs. Ze zijn volgens
Sanne “niet helemaal gezond”. Sanne heeft ongeveer twee jaar
geen contact gehad met haar ouders. Een week voor het interview heeft ze haar ouders voor het eerst weer
gezien. Ze gaat proberen om haar ouders nu iedere maand een keer te zien. Sanne heeft nog een zusje. Zij
woont nog steeds in het pleeggezin waar Sanne na de uithuisplaatsing met haar terecht kwam. Met haar
zusje had Sanne regelmatig contact, maar het wordt steeds minder. Verder gaat Sanne regelmatig een
weekend naar haar gastgezin.
Annemie is tijdens het interview bijna veertien jaar. Ze zit op de LWO, VMBO, MAVO. Annemie was
zeven of acht jaar toen zij uit huis geplaatst werd. Als reden voor haar uithuisplaatsing gaf zij aan:
“Omdat ik chagrijnig was en wilde niks doen”. Verder vertelde
Annemie dat haar moeder “heel erg lui” is en weinig in het
huishouden doet. Ook zouden haar ouders het moeilijk vinden hoe ze een kind moeten opvoeden. Annemie
heeft eerst in twee verschillende pleeggezinnen gewoond. Zij woont nu al ruim vijf jaar op een leefgroep.
Haar ouders zijn gescheiden. Haar moeder woont in Duitsland en die ziet ze maar heel af en toe, ongeveer
drie keer per jaar. Dan ziet ze ook haar zus die bij moeder woont. Annemie ziet haar vader niet meer. In
het weekend gaat ze soms naar de opvang, soms naar familie en soms naar haar gastgezin.
De jongeren uit dit onderzoek zijn allemaal uit huis geplaatst. De meeste jongeren gingen
vanuit hun thuissituatie naar een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Alleen Bas niet. Hij heeft ruim
een half jaar op straat gewoond, nadat hij door zijn moeder op straat gezet was. Hij had thuis een hoop
trammelant, liep de hele tijd weg en had de politie achter hem aan zitten. Bas gaf aan dat zijn moeder
zei: “Nu is het genoeg. Je redt jezelf maar. Maar hier kom je er
niet meer in”. Zelf wilde Bas ook wel weg, maar “je wil toch wel een dak boven je hoofd
hebben”. Over zijn ervaring op straat heeft Bas dus tegenstrijdige gevoelens. Aan de ene kant geeft
hij aan dat hij “alle vrijheid” had, maar aan de andere kant
vond hij het ook “echt heel lastig”. Hij vertelde: “Je voelt je echt een indringer, overal”.
Bij paragraaf 4.1 “gezin van herkomst”, zijn de redenen van de uithuisplaatsingen van de
jongeren al kort genoemd. Hier zal dat nog wat nader worden toegelicht. Hoewel de reden van
uithuisplaatsing bij alle jongeren heel verschillend is, geven de meeste jongeren een reden aan die te
maken heeft met de problemen van hun ouders. De moeder van Chantal en Beppie was ziek en kon daarom niet
voor ze zorgen. Ze weten allebei niet goed wat de ziekte van hun moeder is. Bij Kim gaf de kinderrechter
een soort gelijke reden, namelijk dat Kim niet op tijd op school was, niet op tijd eten kreeg en niet op
tijd naar bed ging. Deze redenen beschrijft Kim zelf als “allemaal
van die onzin die helemaal niet waar was”.
Bij Anet, Marykate en Sanne was er sprake van mishandeling. Marykate zegt hier het volgende
over: “En 's avonds als die (haar vader) thuis kwam, nou, dan werden we gewoon echt helemaal bont en blauw geslagen.
En mijn moeder erbij”.
Marykate “weet nog heel goed dat ze altijd geslagen werd om niks”. Op een gegeven moment
ving haar moeder de klappen op voor Marykate, haar zusje en haar broer, omdat ze het te erg vond.
Marykate zag dus hoe haar moeder in elkaar geslagen werd. Haar moeder moest daarom op een gegeven moment
wel het huis uit. Toen zijn ze met z’n vieren naar een blijf-van-mijn-lijf huis gegaan.
Anet werd misbruikt door haar stiefvader en kon daarom niet bij haar moeder wonen. Ze woonde
voor het grootste gedeelte bij haar vader, maar kon ook daar niet blijven. Daarom werd ze uit huis
geplaatst. “Ik woonde veel meer bij mijn vader dan bij mijn moeder en ja het ging gewoon niet goed
tussen mij en mijn stiefmoeder, dat was eigenlijk ook de reden, de grootste reden. M’n vader was bang om
m’n stiefmoeder te verliezen, laat ik het zo zeggen en alles wat ze deed vond m’n vader maar goed en
zulke dingen”.
Bas gaf indirect ook een reden aan in relatie tot zijn ouders. Hij vertelde: “Toen mijn vader overleed zijn de schroeven bij mij doorgeslagen”.
Alleen Max en Annemie geven aan dat de reden van uithuisplaatsing helemaal bij henzelf ligt.
Max vertelde: “Ja dat ik elke keer, ja eigenlijk ging ik elke keer
bij mamma een stok tegen haar aanslaan en ook uit de winkel dingen pikken en ook ging ik elke keer met
gereedschap de muren kapot maken en dat soort dingen”.
Annemie gaf aan dat zij uit huis geplaatst is “omdat ik
chagrijnig was en wilde niks doen”. Fernando kon zich niks herinneren van de reden van
uithuisplaatsing. “Ik ging op mijn elfde al het huis uit. Ik heb er geen herinneringen meer aan”.
Wel vertelde hij dat hij overgeplaatst werd naar een gezinshuis, omdat hij de leefgroep waar hij woonde
“verbouwd” had naar aanleiding van een groepsleiding “die je gewoon sloeg”.
Over de uithuisplaatsing zelf vertellen de jongeren niet zo heel veel. Fernando gaf aan dat hij
zich niks van de uithuisplaatsing kan herinneren. Het enige wat hij nog weet is dat hij naar het
politiebureau ging. “Daar had mijn moeder mij afgezet”. Daarna is hij nog twee of drie dagen naar
zijn vader gegaan en daarna naar de leefgroep. Ook Chantal heeft geen herinneringen meer aan de
uithuisplaatsing. Zij was ook nog maar een baby.
De meeste jongeren gaven wel de leeftijd aan waarop zij uit huis geplaatst zijn. Deze leeftijd
verschilt erg. Chantal was dus nog een baby en haar zusje Beppie was twee jaar, Marykate was vier of
vijf, Max was vijf, Annemie was zeven of acht, Sanne was negen, Fernando elf en Bas veertien. Van de
andere jongeren is niet bekend hoe oud zij waren bij de uithuisplaatsing.
Kim geeft aan dat er ten tijde van de uithuisplaatsing veel conflicten waren tussen haar en
haar moeder. Ook Sanne vertelde dat haar ouders ruzie hadden op de dag van de uithuisplaatsing. Anet gaf
aan dat het allemaal heel snel ging. Ze vertelde het volgende: “Gelijk dezelfde dag toen ik het hoorde moest ik m’n spulletjes, een paar
spulletjes pakken die ik graag mee wilde hebben, ja toen werd ik door mijn voogd opgehaald en toen moest
ik al gelijk weg. Dus ja ik had geen afscheid van mijn familie kunnen nemen ofzo”. Haar voogd ging
dus mee. Ook Marykate, Max en Sanne hebben dat aangegeven. De voogd van Sanne vertelde dat Sanne en haar
zusje een weekendje weg gingen. Na het weekendje kwam de voogd op bezoek, vertelde Sanne en zei:
“Jullie blijven nog twee weken. Want jullie moeder heeft echt rust
nodig. Het gaat nog niet zo goed. Toen zijn we nog twee weken gebleven en sindsdien zijn we daar gewoon
blijven hangen. We zijn nooit meer teruggegaan. Want ze heeft niet gezegd dat we uit huis voor altijd
zouden gaan”.
Max herinnert zegt het volgende over zijn uithuisplaatsing:“Nou op m’n oude school gingen we zo een kalender maken wanneer ik weg ging,
gingen we zo aftellen eigenlijk. En toen werd ik gebracht door mijn moeder en mijn voogd en toen die dag
gingen we naar de leefgroep en verder weet ik het niet”.
Max heeft heel helder beschreven dat een uithuisplaatsing meestal als een ingrijpende en
pijnlijke gebeurtenis ervaren wordt. Hij gaf het volgende aan: “Verdrietig, pijn in m’n keel”. Ook zei hij dat hij het eng vond ineens weg te zijn bij zijn moeder.
Marykate gaf aan: “Ik vond het wel heel erg natuurlijk”. Ze
wilde liever bij haar moeder blijven, maar ze wist dat dat niet ging. Ook Kim vond het heel erg. Zij
maakte echter onderscheid tussen haar vader en moeder. Om niet meer bij haar moeder te wonen vond zij
niet erg. Sanne gaf aan dat de plaatsing in het pleeggezin, zoals beschreven in de vorige paragraaf,
“eigenlijk heel raar” verlopen was. Maar zij gaf ook aan dat
zij zich tijdens de plaatsing in het pleeggezin realiseerde dat het thuis niet zo goed ging. Ze vertelde:
“Toen kwam ik in dat pleeggezin en toen zag ik, ja hier gaat het
wel goed. Wel gewoon gezin. Dus dacht ik van oh ze hebben wel gelijk. Thuis gaat het niet goed. We worden
soms wel eens geslagen , krijgen geen eten. Dit dat, toen dacht ik oké, nu snap ik wel waarom we niet
naar huis kunnen gaan. Ik denk dat het wel een reden voor heeft gehad.”.
Ook Bas gaf aan dat hij zelf besefte dat er iets moest gebeuren. Hij zegt hierover: “Maar op een gegeven moment ja moet je toch verder. Dus ben ik er toch maar
in mee gegaan zo van oké dan gaan we dat
doen”.
In eerste instantie was zijn reactie dat hij alle schuld afschoof op zijn moeder die hem het
huis had uitgezet. Een plaatsing in een leefgroep weigerde hij in het begin ook.
Anet gaf aan dat zij het moeilijk vindt als andere kinderen met hun ouders leuke dingen
doen.
Tenslotte gaven Marykate en Chantal ook de reactie aan van hun ouders op de uithuisplaatsing.
De moeder van Marykate vond het wel goed dat zij in een normaal pleeggezin zit. In tegenstelling tot de
reactie van de moeder van Marykate gaf Chantal aan dat haar moeder verdrietig was en dat haar ouders haar
op een bepaald moment weer terug wilden.
Kort samengevat kan geconcludeerd worden dat bijna alle uit huis geplaatste jongeren vanuit hun
thuissituatie naar een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep zijn gegaan. De reden van uithuisplaatsing had
bij de meeste jongeren te maken met problemen van hun ouders. De leeftijd waarop de jongeren uit huis
geplaatst zijn varieert van nul tot veertien jaar. Vaak ging het uit huis geplaatst worden gepaard met
conflicten en ging de gezinsvoogd mee naar de nieuwe plek. De jongeren hebben de uithuisplaatsing als een
ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis beleefd, ook al realiseerden sommige jongeren zich ook wel dat het
thuis niet goed ging.
Negen van de tien jongeren die in dit onderzoek geïnterviewd zijn, wonen in een pleeggezin, een
gezinshuis of een leefgroep. Alleen Bas woonde tijdens het interview zelfstandig onder begeleiding van
zijn gezinsvoogd.
Hieronder zal eerst kort de plaatsingsgeschiedenis van de jongeren beschreven worden. Daarna
volgen per plek de kenmerken die de jongeren noemen bij die plek en hun beleving. Bas heeft als enige
verteld over een kamertrainingscentrum en het begeleid zelfstandig wonen. Omdat dit onderzoek slechts
gericht is op een pleeggezin, een gezinshuis en een leefgroep worden het kamertrainingscentrum en het
begeleid zelfstandig wonen buiten beschouwing gelaten. Omdat een aantal jongeren naast een plaatsing in
een gezinshuis of een leefgroep een gastgezin hebben, wordt daar aan het eind kort wel iets over
gezegd.
Bijna alle jongeren hebben één of meer overplaatsingen meegemaakt naar een ander soort plek dan
hun huidige woonplek. Over het feit dat Kim op veel verschillende plekken heeft gewoond zegt zij het
volgende:
“Ja niet fijn, je wordt elke keer van hot naar her
gesleept”.
Ook Anet benoemt dit. Zij zegt: “Ik ging van plaats naar
plaats enzo, dus ik kon eigenlijk niet echt iemand gaan vertrouwen ofzo, omdat ik ja, dan ging ik naar
dat huis, dan dit”.
Alleen Chantal en Beppie hebben niet meerdere plaatsingen meegemaakt. Chantal geeft echter aan
dat zij denkt dat zij in een tehuis heeft gewoond met moeder, voordat zij in het pleeggezin ging wonen
waar zij nu nog woont met haar zus Beppie. Beppie vertelt hier echter niet over. Chantal weet het ook
niet precies meer en geeft het volgende hierover aan: “Daarvoor
dacht ik, ik weet het niet zeker, had ik een keertje gehoord van oma, dat wij ook met andere mensen in
een soort tehuis hebben wij gezeten”.
Beppie en Chantal wonen al 10 jaar in het pleeggezin. Marykate woont net als Beppie en Chantal
ook al lange tijd in een pleegezin. Zij is er rond haar vierde of vijfde jaar komen wonen en woont dus al
ruim 11 jaar in het pleeggezin. Marykate is eerst naar een blijf-van-mijn-lijf huis gegaan samen met haar
moeder en zusje. Daarna heeft zij eventjes bij een tante gewoond en uiteindelijk is zij bij haar huidige
pleeggezin gaan wonen. Ook Kim, Sanne, Anet en Annemie hebben in een pleeggezin gewoond. Kim en Sanne
hebben na de pleeggezin plaatsing eerst nog op een andere leefgroep gewoond, voordat zij op hun huidige
leefgroep gingen wonen. Anet is na haar pleeggezinplaatsing op een leefgroep gaan wonen, voordat zij in
het gezinshuis geplaatst werd. Ook Fernando en Max, die nu in een gezinshuis wonen, hebben eerst op een
leefgroep gewoond. Ook Bas heeft op een leefgroep gewoond, nadat hij ruim een half jaar op straat had
gezworven en tijdelijk bij zijn zus en vrienden had gewoond. Na de leefgroep is Bas naar een
kamertrainingscentrum gegaan, voordat hij begeleid zelfstandig ging wonen.
Globaal kan dus de volgende conclusie getrokken worden; voor de jongeren uit dit onderzoek
waarvan de huidige woonsituatie een pleeggezin is, is dat hun enige plaatsing. De jongeren uit het
onderzoek die momenteel in een leefgroep wonen, hebben hiervoor een pleeggezin plaatsing gehad. De
jongeren die nu in een gezinshuis wonen, hebben voor deze plaatsing in een leefgroep gewoond.
Marykate geeft de volgende uitleg over een pleeggezin: “Je bent door andere mensen in huis genomen om opgevoed te worden. Gewoon om
toch een normale opvoeding, ja denk ik, te krijgen. Dat je toch nog zo normaal mogelijk wordt opgenomen
als dat niet bij je eigen ouders kan. Niet dat je mishandeld of wat dan ook bent of als slaafje ja
gebruikt wordt”.
Sanne omschrijft een pleeggezin iets anders en zegt: “Bij een pleeggezin heb je alleen maar twee mensen, dus dan zie je hun elke
keer net zoals een vader en een moeder”.
Er is een verschil tussen het pleeggezin van Beppie en Chantal én het pleeggezin van Marykate.
Beppie en Chantal wonen bij hun opa en oma. Zo’n gezin wordt een netwerk pleeggezin genoemd. Marykate
woont bij een regulier pleeggezin waar ook nog wel een paar andere pleegkinderen hebben gewoond tegelijk
met Marykate. Die andere pleegkinderen sliepen dan bij haar op de kamer.
Er zijn vijf jongeren die iets verteld hebben over hun beleving van het pleeggezin waar zij
gewoond hebben. De meeste jongeren zijn over het algemeen positief over het pleeggezin. Marykate geeft
aan het pleeggezin gezellig te vinden, net als Chantal. Verder vinden zij het leuk om in het pleeggezin
te wonen. Beppie en Annemie geven dit ook aan. Beppie vertelt dat ze “geluk” heeft dat ze bij familie woont. Over het wonen in een pleeggezin
zegt ze: “Het is eigenlijk net als je bij je eigen ouders woont,
vind ik”. Marykate zegt hierover het volgende: “Dat ik toch
wel als eigen kind behandeld wordt, wel. Het is niet echt zo van ja, jij bent een pleegkind, dus jij
bent, jou laten we buiten, weet je wel. Een beetje buitenbeentje. Dat gevoel heb ik nooit. Nee. Hun
familie beschouwen me allemaal wel als familie”.
Marykate ziet toch ook verschillen tussen haar eigen gezin en het pleeggezin. In een pleeggezin
zijn volgens haar meer regels. De radio hard zetten is iets wat bij haar moeder wel kan, maar in het
pleeggezin niet. Na een bezoek aan moeder, moest Marykate zich dan ook weer aanpassen aan het pleeggezin
en dat vond ze “een ramp”. Verder geeft Marykate aan dat het
druk is in het pleeggezin. Aan de ene kant vindt ze dat niet erg, omdat ze zelf ook druk is. Aan de
andere kant vindt ze het ook wel lastig. Annemie is ook wat tegenstrijdig over haar beleving. Hoewel ze
aangeeft het pleeggezin leuk te vinden, zegt ze ook dat ze niks meer weet van het pleeggezin en het met
verschillende dingen moeilijk had. Dat laatste geeft Sanne ook aan. Zij is als enige uitgesproken
negatief over een pleeggezin. Ze geeft als reden: “Ik vind het
best wel moeilijk om met twee mensen die je elke dag ziet een band op te maken”. Verder geeft ze aan
dat zij het gevoel had, dat ze niet kon doen wat ze wilde doen.
In een gezinshuis wonen gezinshuisouders met een aantal pleegkinderen en eventueel hun eigen
kinderen. In dit onderzoek hadden de gezinshuizen zes of zeven pleegkinderen. Er zijn dus “twee vaste mensen” zoals Fernando aangeeft, of zoals Max zegt:
“altijd dezelfde gezinshuisouders”. Dat is anders dan in een
leefgroep. Een ander verschil tussen gezinshuisouders en groepsleiding van een leefgroep geeft Fernando
als volgt aan: “En, dan ga je bijvoorbeeld naar school, en die
mensen werken dan nog gewoon door, zijn niet, die groepsleiders die kunnen dan misschien even met z’n
allen koffie drinken of zo. Dat doen de meeste wel die werken, die gaan dan koffie drinken met z’n allen.
Maar, dat kunnen zij niet. Werken gaat gewoon door”.
Anet vertelt dat de gezinshuisouders één keer in de twee weken “een vrij weekend” hebben. In zo’n weekend gaan de pleegkinderen naar de
opvang of naar een gastgezin. Verder geeft zij aan dat iedereen zijn eigen kamer heeft en dat er met
elkaar gesproken wordt over de toekomst. Fernando vertelt dat er een voetbalclub is op het terrein, maar
hij zit op “een buitenclub”. Max zit op paardrijden en
verzorgt dieren in het gezinshuis. Hij geeft aan dat er bepaalde regels zijn in het gezinshuis. Hij moet
bijvoorbeeld vragen of hij buiten of boven op zijn kamer mag spelen, een snoepje mag of beneden muziek
aan mag zetten.
4.3.3.2 Beleving gezinshuis
Hoewel Max moest wennen aan de gezinshuisouders, vindt hij elke keer dezelfde gezinshuisouders
fijner dan de wisselende leiding van een leefgroep. Ook Fernando vindt dat. Hij geeft de volgende reden:
“Want dan ging je ze toch een beetje tegen elkaar uitspelen, de
leidings. En nu heb je zo van dit is dan de regel en klaar. Je moet wel weten wat de grenzen zijn. Je
moet zelfstandig zijn. Want als je niet zelfstandig bent, ja dan kun je niet ver komen in het
gezinshuis”.
Anet geeft aan dat zij het heel fijn vindt in het gezinshuis. Zij heeft het er goed naar haar
zin. Het is er gezellig. Ook hebben de jongeren met een eigen kamer “nog een stukje wat privé is. Ja als je je niet goed voelt of als je niet
lekker in je vel zit kan je je even terugtrekken. Dat is wel heel fijn”. Verder geeft Anet aan:
“Het gaat gewoon eigenlijk z’n gangetjes, net als gewoon een
gezin”. Ook Fernando geeft dit aan: “Je hebt eigenlijk gewoon
een normaal leventje”.
Toch ziet Anet ook verschillen met een ‘gewoon’ gezin. Het verschil is volgens haar “de liefde van je ouders, want ja hier verzorgen ze je, hier proberen ze je
op het rechte pad te leiden naar je toekomst en bij je ouders is dat niet zo heel serieus zoals hier. En
ja hier heb je wel een soort liefde, maar niet echt de liefde die je hebt van je ouders”.
Als leuke dingen noemen Anet, Fernando en Max de omgang met de andere kinderen in het
gezinshuis. Max noemt ook nog bakken, timmeren, trampoline springen, buiten spelen, naar pretpark of
vakantiehuisje gaan als leuke dingen. Hierdoor heeft hij “een
klein beetje plezier”. Hij vindt het niet leuk “dat je als je
vol zit, dat je moet nog door eten”.
Bas heeft uitgelegd dat er verschillende soorten leefgroepen zijn. Hij maakt een onderscheid
tussen een gesloten, besloten en open leefgroep. De belangrijkste kenmerken van een gesloten leefgroep
zijn dat er een groot hek staat om de leefgroep “waar je dus niet
uit kan” en “in gesloten mag je dus gewoon helemaal niks”.
Bij een besloten leefgroep zijn er geen “tien meter hekken” om
de groep heen, maar “een hekje van een meter”. Er leven acht
jongeren in een huis op een terrein waar je niet af mag. Tenslotte de open leefgroep. Deze leefgroep is
“veel opener gewoon. Veel meer vrijheden. Om stukje bij beetje,
moet je je vrijheid weer verdienen”. Er zijn lijsten waarop staat aangegeven welke vrijheid bij welke
fase hoort.
Dat er verschillende groepsleiders zijn in een leefgroep kan wel als belangrijkste kenmerk
genoemd worden. Max vertelde dat er op een leefgroep veel meer mensen zijn. “Toen kwam er elke andere dag iemand slapen”. Ook maken de jongeren veel
meer verschillende kinderen mee in een leefgroep, dan bijvoorbeeld in een gezinshuis. Anet zegt dan ook
dat “daar in een kindertehuis, daar gaan telkens mensen weg, kinderen, zulke dingen en ja hier ben je
toch telkens bij elkaar, minstens sowieso een jaar ofzo”.
Daarnaast vertellen de jongeren veel over de regels die er allemaal zijn. Dat regels nodig zijn
op een groep waar zes of zeven jongeren wonen geeft Sanne aan in haar volgende uitspraak: “Ja ik denk dat er heel veel regeltjes zijn, omdat je je elke keer moet
aanpassen aan andere kinderen die hier ook wonen hè”.
Kim geeft bijvoorbeeld de volgende regels aan “tussen
half vier en vier bellen als je beldag hebt en om half zes moet je thuis zijn, want dan staat het eten
klaar”. Max vertelt dat op de leefgroep de groepsleiding “om
een uur zeggen wat je gaat doen”.
Sanne geeft aan dat het wonen op een leefgroep anders is dan thuis wonen. “Want thuis kan je een uitzondering maken. Thuis kan je gewoon drinken
pakken uit de koelkast of euhm weet ik veel zomaar iemand langs laten komen zonder af te spreken of
zeggen mam, ik ga nu even weg, ben over een half uurtje terug. En zo kan het hier niet echt. Je moet wel
echt even afspreken van waar gaan je dan naar toe, en hoe laat kom je dan terug, en euhm je moet altijd
vragen of je wat wil drinken, mag pakken ofzo, vragen of iemand langs mag komen en dat moet je wel een
paar dagen van te voren afspreken enzo. Het zijn wel echt dingen waar je, echt veel regels. Dat is wel
vervelend, vind ik zelf”.
Annemie noemt ook verschillen tussen thuis en de leefgroep, maar bij haar komt de leefgroep er
juist beter van af dan thuis; “Thuis is heel erg streng, eerder
naar bed en thuis is wat moeilijker leren dan hier”.
In sommige leefgroepen is het mogelijk dat jongeren leren zelfstandig te worden. Dat wordt
meestal opgebouwd in verschillende fases. Sanne geeft aan dat zij zich door het leren zelfstandig worden
minder aan de regels hoeft te houden. Zij moet bijvoorbeeld één keer in de week zelf koken en wassen. Ook
krijgt ze kleedgeld, zakgeld en hygiëne geld. Naast het leren van deze meer praktische zaken met
betrekking tot zelfstandigheid, worden er in een leefgroep ook andere dingen geleerd aan de jongeren.
Annemie geeft aan dat zij leert “hoe ik moet omgaan met koppig
zijn en boos zijn” door erover te praten.
Ook straf wordt door een aantal jongeren genoemd. De straffen die genoemd worden, zijn onder
andere een taak doen, naar je kamer, naar het halletje en naar de stoeikamer. Bij Annemie op de groep
wordt er elke avond een groepsgesprek gehouden. De jongeren moet iets positiefs en iets negatiefs van
zichzelf zeggen en iets vertellen over “schelden, vloeken en
dreigen”. Hier kun je acht punten mee verdienen. Als je “je
fout gedraagt” gaat er een punt vanaf. Als beloning voor de behaalde punten, krijg je “gewoon een koekje of weet ik het”.
Sommige jongeren gaan in het weekend naar een gastgezin. Op sommige leefgroepen heeft men een
opvang voor de jongeren die niet van de groep weg gaan. Dan zitten jongeren van verschillende groepen
samen op één groep.
In paragraaf 4.3.3.2 over de beleving van een gezinshuis staat aangegeven dat een aantal
jongeren het fijner vindt dat er bij een gezinshuis twee vaste mensen zijn en niet steeds wisselende
groepsleiding zoals op een leefgroep. Sanne geeft echter aan dat zij wisselende leiding juist prettig
vindt. “Als ik ruzie heb met één leiding komt de volgende dag een
andere leiding, dus dan heb ik een beetje rust en kunnen we er over nadenken en de volgende keer als die
weer terug komt kunnen we erover praten”.
Zoals bij de kenmerken al beschreven is, gelden er op een leefgroep “heel veel regeltjes”. De meeste jongeren hebben daar veel moeite mee.
Kim zegt bijvoorbeeld “hier hou ik het niet uit. Ik vind het
gewoon te streng”. Sanne geeft ook aan dat ze veel regels “vervelend” vindt. Per leefgroep is het wel verschillend hoe ze omgaan
met regels. Sanne geeft aan dat de regels op haar eerste leefgroep “niet zo heel erg streng” waren. Andere verschillen tussen leefgroepen,
die Sanne aangeeft hebben onder andere te maken met de grootte van het gebouw en de mensen die er werken.
Ook Kim ervaart verschillende leefgroepen anders.
De beleving van de leefgroep verschilt per jongere. Annemie geeft bijvoorbeeld aan dat de
leefgroep heel leuk is en dat het “toch je thuis” is.
“Hier is het gewoon, ja ook wel even wennen, maar voor de rest is
het gewoon normaal, als, ook als we thuis wonen”. Daarnaast gaf zij aan dat zij de leefgroep wel
leuker vindt dat thuis. Kim geeft daarentegen aan dat ze zich op de leefgroep niet op haar gemak voelt.
Zij zou ook graag wat veranderen in een leefgroep. Dat geeft zij als volgt aan: “Meer sfeer in de groep, ja niet het tehuis gevoel, meer echt gewoon, dat je
in een normaal huis woont, niet in een tehuis. Dat je gevoeld hebt, dat je weet dat je in een tehuis
woont, maar niet dat je het gevoel heb, van dit moet zo, dat moet zo, zoiets niet”.
Ook Bas is, in eerste instantie, negatief over een leefgroep. Hij doelt met name op een
gesloten leefgroep.
Over de mogelijkheden om te kunnen leren wordt door de jongeren ook verschillend gedacht.
Hoewel Kim aangeeft dat ze op de leefgroep gewoon niet kan leren om met haar gedrag om te gaan, zegt
Annemie dat ze in een tehuis meer kan leren. Zoals in paragraaf 4.3.4.1 al is gezegd leert Annemie is de
leefgroep omgaan met koppig en boos zijn. Ook worden er groepsgesprekken gehouden vanwege de “rommel op de groep”, zoals “niet
luisteren, brutaal doen en weet ik het”. Aansluitend op dit gedrag kan de uitspraak van Anet genoemd
worden over kinderen uit een leefgroep. Zij gaf aan dat “je ziet
dat die kinderen veel agressiever zijn dan de kinderen die uit een gezinshuis komen”.
Zoals hierboven al genoemd is hebben een aantal jongeren naast een plaatsing in een gezinshuis
of een leefgroep een gastgezin. Zo’n gastgezin wordt ook wel weekendgezin genoemd. De drie jongeren,
Fernando, Annemie en Sanne, die af en toe naar hun gastgezin gaan, geven alledrie aan het fijn of leuk te
vinden in het gastgezin. Sanne geeft het verschil aan in hoe zij het gastgezin beleeft en het pleeggezin.
“Ik heb een gastgezin. En daar ga ik bijna elk weekend naar toe.
Ik denk omdat dat weekendgezin, die mensen laten mij, het verschil van de mensen hoor. Want dit
weekendgezin, die mensen zijn die laten mij altijd heel rustig in m’n waarde enzo en ik praat sowieso
niet zo heel veel, en als ik niet praat vinden ze niet erg ofzo. Of ik kan wel doen wat ik wil, laat maar
zeggen. En bij het pleeggezin had ik niet zo het gevoel dat ik kon doen wat ik wou doen”. Verder geeft Sanne nog aan dat ze het weekendgezin kan zien wanneer
ze wil. “Als ik bijvoorbeeld een keer een weekend niet wil, ga ik gewoon niet”.
Samenvattend kan het volgende gezegd worden; bijna alle jongeren die in een pleeggezin,
gezinshuis of leefgroep wonen, hebben één of meer overplaatsingen meegemaakt naar een andere plek. Een
pleeggezin lijkt qua samenstelling het meest op een “gewoon” gezin; er zijn twee verzorgers, hun eigen
kinderen en meestal één of twee pleegkinderen. Wel zijn er vaak meer regels dan thuis. De meeste jongeren
zijn erg positief over hun verblijf in het pleeggezin. Voor een aantal jongeren is het echter moeilijk om
een relatie aan te gaan met de pleegouders. Na een pleeggezin lijkt een gezinshuis qua samenstelling het
meest op een “gewoon” gezin. Het grootste verschil met een gewoon gezin is dat je niet de liefde van je
ouders hebt. In een gezinshuis wonen twee verzorgers met hun eigen kinderen en ongeveer zes of zeven
pleegkinderen. Ook in een gezinshuis zijn bepaalde regels waar de jongeren zich aan moeten houden. Eén
keer in de twee weken gaan de jongeren uit een gezinshuis naar een gastgezin. De jongeren die in een
gezinshuis wonen zijn ook erg positief over hun verblijf in het gezinshuis. Tenslotte is er nog de
leefgroep. Het grootste verschil met het pleeggezin en het gezinshuis is dat er op een leefgroep elke dag
andere verzorgers zijn. Dit vinden de meeste jongeren minder fijn dan twee vaste verzorgers. Jongeren die
moeite hebben met het aangaan van relaties, geven echter de voorkeur aan wisselende groepsleiding. Verder
maken de jongeren op een leefgroep over het algemeen meer wisselingen van groepsgenootjes mee. De regels
op een leefgroep worden door de jongeren explicieter genoemd. De meeste jongeren hebben moeite met deze
regels. Ook jongeren die op een leefgroep wonen gaan soms naar een gastgezin. De jongeren die naar een
gastgezin gaan, zijn hier erg positief over.
Uiteraard spelen gevoelens een belangrijke rol bij een uithuisplaatsing. De gevoelens zijn niet
altijd hetzelfde, maar veranderen gedurende de plaatsing. Hieronder zullen eerst de gevoelens van de uit
huis geplaatste jongeren beschreven worden die zij aan het begin van de plaatsing hadden. In de tweede
paragraaf komen de gevoelens aan de orde die de jongeren in de loop van de plaatsing hebben ervaren. De
laatste paragraaf zal gaan over gevoelens van machteloosheid.
De gevoelens die uit huis geplaatste jongeren aan het begin van de plaatsing in een pleeggezin,
gezinshuis of leefgroep hebben, zijn heel divers en tegenstrijdig. Ter illustratie een stukje uit het
interview met Kim, waarin zij uitlegt hoe zij het vond toen zij net op de leefgroep kwam wonen: “Nou ik was verlegen en ik durfde niks. Ik was heel kwaad en echt iedereen
kon me niks schelen. Ik was echt kwaad op alle leiding”. In
het begin vond ik het nog wel leuk”. En over de beginperiode van haar huidige leefgroep vertelde zij:
“Het eerste jaar vond ik het echt een hele leuke groep waar ik
woonde”.
Ook Max en Fernando gaven aan dat zij de plaatsing in het gezinshuis in het begin leuk vonden.
Als reden gaf Fernando het volgende aan: “Toch dichterbij dan
normaal wel. Ik had verwacht dat ik verder zou komen. Verder weg, verder weg van huis. Ja, leuk. Voor de
rest was er niks raar, ik kende het terrein al, toch makkelijk”.
Anderen, zoals Anet, vonden het niet leuk. Anet vertelde: “Eerst vond ik het dus helemaal niet leuk hier, omdat ja toch, toen zaten er
kinderen hier op de groep die ik echt niet mocht”.
Annemie gaf aan dat zij aan het begin wel even moest wennen aan het wonen op de leefgroep. Ook
Bas moest wennen op de leefgroep nadat hij ruim een half jaar op straat gezworven had. “Dat is echt ineens heel vreemd. Hier heb je dan alle vrijheid en daar zit
je ineens gewoon vast. Wennen en het is ook best wel eng. Ik bedoel de jongeren zitten er allemaal ik
weet niet hoe lang al. Je komt er als nieuw persoon in één keer binnenlopen”.
Zowel Anet als Bas geven dus vooral het contact met groepsgenoten aan. Ook Fernando noemde dat,
ook al kende hij een aantal groepsgenoten al.
In de loop van de plaatsing veranderde bij een aantal jongeren hun gevoel. Kim vertelde:
“Alleen steeds minder leuk begon ik het te vinden enzo. Ja, omdat
je raakt meer bewoners kwijt. Echt iedereen zie je weggaan en dan kom je weer in een nieuwe groep en dat
is gewoon niet fijn”. En over haar huidige leefgroep gaf Kim het volgende aan: “Toen werden de groepjes veranderd en toen begon ik het helemaal te haten,
vond ik het echt niet meer leuk enzo”. Ook Max gaf ook aan dat hij het niet leuk vond. “Na die tijd, toen ik wel gewend was, vond ik het niet leuk”. Andere
jongeren vonden het wel leuk in de loop van de plaatsing. Anet zei hierover: “Op een gegeven moment
vond ik het steeds leuker hier”.
In de verhalen van een aantal jongeren kwam het thema van machteloosheid aan de orde, zoals
blijkt uit de volgende uitspraak van Kim: “Ja, ik heb niks in te
brengen. Zo had ik ook eigenlijk helemaal geen zin om naar de kerstviering te gaan. Ik moest mee. Ik zeg
zo, ik wil toch niet mee, ik ben bijna achttien jaar. Ja dat kan niet, dit en dat, zus en zo”. Een
ander voorbeeld wat zij aangeeft heeft te maken met het feit dat de groepsleiding de kleur verf uitkiest
voor de muren van de leefgroep. Ook over het ophangen van dingen aan de muur blijkt de afhankelijkheid
van de groepsleiding: “Dan moet je wel weer een uur wachten tot er
weer een leiding tijd heeft om een spijker in de muur te slaan ofzo”.
Sommige jongeren gaan zich er actief tegen verzetten. Kim geeft aan dat zij blijft doorgaan tot
de dingen geregeld zijn. Zij zei: “Ik dacht, nou laat maar zitten,
ik ga niet in discussie, ik regel het zelf wel”.
Anderen leggen zich erbij neer. Marykate ziet haar broer en zusje heel weinig. Zei gaf aan:
“Ik heb best wel slecht contact met ze. Dat vind ik wel heel
jammer. Maar ja het is nou gewoon eenmaal zo. En dat zal ook altijd zo blijven”.
Ondanks de hierboven beschreven gevoelens van machteloosheid door de afhankelijkheid van
bijvoorbeeld de groepsleiding, gaven de jongeren ook een aantal punten aan waarop ze wel invloed hebben
gehad. Anet vertelde dat ze nadat ze een poosje in het gezinshuis had gewoond kon beslissen of ze er wel
of niet ging wonen. Op de vraag of ze dat dan zelf kon beslissen, vertelde zij het volgende: “Nee, kijk als ik, ja ik denk aan de ene kant misschien ook wel. Want als ik
het hier niet leuk zou hebben gevonden en misschien ergens anders een plekje was, dat ze het daar hadden
kunnen proberen of daar misschien nog een plekje voor mij was, maar dat was gelukkig bij mij niet
zo”.
Tenslotte vertelde Kim nog dat ze voor elkaar had gekregen dat er iets in haar behandelplan
veranderd is en dat de groep een nieuwe computer had gekregen. Maar zegt Kim: “Dat is het enige punt
wat wij voor elkaar hebben gekregen”.
Kortom, de gevoelens van uit huis geplaatste jongeren aan het begin van de plaatsing in een
pleeggezin, gezinshuis of leefgroep, zijn heel divers en tegenstrijdig. Jongeren gaven bijvoorbeeld aan
dat ze kwaad waren, verlegen waren, dat ze het leuk vonden of dat ze het vreemd vonden. Een aantal
jongeren moeten erg wennen, met name aan het contact met groepsgenootjes. In de loop van de plaatsing
veranderen de gevoelens van de jongeren, maar ze blijven heel verschillend. Na gewenning vinden sommige
jongeren het wel leuk, anderen niet. Wat wel overeenkomt zijn gevoelens van machteloosheid die de meeste
jongeren ervaren tijdens hun verblijf in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. De jongeren zijn
afhankelijk van de volwassenen om hen heen en hebben niet altijd zelf iets in te brengen. Sommige
jongeren verzetten zich er actief tegen, anderen leggen zich erbij neer.
Uit huis geplaatste jongeren hebben vaak andere en veel meer wisselende contacten dan jongeren
die thuis bij hun ouders wonen. De jongeren die geïnterviewd zijn, hebben naast de gangbare contacten nog
te maken met hulpverleners, beroepsopvoeders en groepsgenootjes. Ook is het contact met het gezin van
herkomst vaak anders dan bij de meeste jongeren. Uit huis geplaatste jongeren wonen immers niet meer
thuis bij hun ouders. Door al deze verschillende contacten verloopt het aangaan van een hechtingsrelatie
bij deze jongeren soms moeizaam.
Kim geeft aan “geen zussenband” te hebben met haar biologische zus. Toen Kim uit huis
geplaatst werd, werd ze gescheiden van haar zus. Later kwamen ze in dezelfde leefgroep terecht. Maar daar
werden ze na een tijdje weer gescheiden. Kim en haar zus vonden dit erg moeilijk. Kim zei: “Eigenlijk
probeerde ik een band op te bouwen met mijn zus en als je weer weggetrokken wordt gaat dat
niet”.
Doordat uit huis geplaatste kinderen zoveel meemaken is het dus voor sommige kinderen moeilijk
om nog een hechtingsrelatie met mensen aan te gaan. Anet zegt dan ook dat het aan de jongeren zelf ligt
welke plek voor hen het geschiktst is. “Ik denk dat andere
kinderen het fijn vinden om in een kindertehuis, laten we het zo zeggen, te wonen, dan in een gezinshuis,
omdat misschien een gezinshuis te veel voor hun is en dat ze gewoon, ja ook in hun gedrag enzo, dat het
niet goed voor hun is”.
Anet vindt het zelf fijner om in een gezinshuis te wonen dan op een leefgroep. In
een gezinshuis heb je twee vaste mensen. Dat vindt zij veel
“vertrouwelijker”. In de leefgroep kon ze niet
goed praten met de begeleiders, doordat er zoveel wisselingen waren. Ook vond ze het daar moeilijk dat
als je als aan een jongen of meisje gehecht bent, dat die dan weggaat.
Ook in een pleeggezin zijn er twee vaste mensen. Beppie geeft aan helemaal gehecht te zijn aan
haar pleegouders. Sanne geeft juist aan dat ze “niet zo goed met mensen zo’n band krijgen die dan voor
altijd voor mij moeten zorgen”. Zij vindt een leefgroep dan ook fijner dan een pleeggezin.
4.5.2
Hulpverleners
Een gezinsvoogd is onlosmakelijk verbonden aan een ondertoezichtstelling. Elke geïnterviewde
jongere had dan ook te maken met een gezinsvoogd. De meeste jongeren gaven aan sinds hun onder toezicht
stelling al meer gezinsvoogden te hebben gehad. Sanne heeft drie gezinsvoogden gehad: “Ik had eerst tot mijn negende een gezinsvoogd. Maar die is toen weggegaan,
want die vrouw had teveel kinderen ofzo. Toen kreeg ik er nog eentje, een invaller volgens mij, ik weet
niet. Een vrouw. Ik weet niet meer hoe ze heet. En toen kreeg ik daarna J. Die heb ik nu ook wel vier of
vijf jaar denk ik ongeveer”.
Max, Chantal en Annemie geven aan dat gezinsvoogden vaak dingen komen bespreken, ofwel met hun
zelf of met hun gezinshuisouders, pleegouders of biologische ouders. Afspraken tussen de jongeren en hun
biologische ouders worden vaak gemaakt door de gezinsvoogd.
Bas noemde een aantal punten die hij niet goed vindt in het contact tussen jongeren en hun
gezinsvoogd. Sommige punten hebben betrekking op de relatie tussen hem en zijn gezinsvoogd en andere
punten op de relatie tussen jongeren en hun gezinsvoogd in het algemeen. Bas vindt dat er te weinig
contact is voor jongeren en dat het contact opener moet zijn. Hij spreekt zelf zijn gezinsvoogd heel
soms. Ook vindt hij dat bij ziekte van zijn gezinsvoogd dit beter doorgegeven moet worden. Er wordt niet
doorgegeven bij wie hij dan terecht kan. Verder vindt hij dat zijn gezinsvoogd veel te veel jongeren in
zijn of haar caseload heeft. Bas vraagt zich dan ook het volgende af: “Hoe kun je er dan voor de
jongere zijn? Ik bedoel als er ineens met allemaal wat gebeurt dan, je kunt er maar voor één iemand
zijn”.
In overeenstemming met Bas, zegt Sanne ook dat ze haar gezinsvoogd bijna nooit ziet. Maar
daarbij zegt ze dat ze het wel goed vindt zo en dat ze geen redenen heeft om hem vaker te zien. Dat is
voor haar niet belangrijk. Ze vindt het wel leuk dat hij altijd taart komt eten op haar verjaardag.
“De meeste voogden doen dat niet zo snel”.
Marykate geeft aan dat het contact met haar vorige gezinsvoogd heel slecht was, maar dat degene
die ze nu heeft wel goed is. De vorige gezinsvoogd zag ze heel weinig en kende ze daarom ook niet goed.
Ze zegt daarover: “Nou, zo iemand ken ik helemaal niet, dus dan ga ik heus niet met mijn problemen
daar naar toe”. De gezinsvoogd die ze nu heeft ziet ze om de paar weken en kan ze daarom ook eerder
in vertrouwen nemen. Chantal zegt dat ze het lastig vindt als gezinsvoogden stoppen, omdat je dan
allemaal weer nieuwe afspraken moet maken. Maar ook zij vindt dat het de laatste tijd heel goed
gaat.
De jongeren die in een pleeggezin wonen (of hebben gewoond), hebben allemaal ook te maken
(gehad) met een pleegzorgwerker. Dat is een maatschappelijk werker van een voorziening voor pleegzorg,
die met name de pleegouders begeleidt in de opvang, verzorging en opvoeding van het pleegkind. Chantal
gaf dat ook aan: “Die is meer voor hun (pleegouders)”. Maar
een pleegzorgwerker heeft ook contact met de jongeren zelf. Marykate geeft dat bijvoorbeeld aan:
“Ze komt ook met mij praten, maar ook wel met A. en J. (haar
pleegouders) dan. Ik ken haar al een tijdje, al een jaartje. En ze komt hier gewoon heel regelmatig enzo.
Verder is de pleegzorgwerker er ook om afspraken te maken over het contact tussen de jongeren
en hun ouders. Marykate geeft aan dat zij met haar pleegzorgwerker zou kunnen bespreken of het mogelijk
is haar broer en zusje vaker te zien. Naast het maken van afspraken over het contact met ouders,
begeleidt de pleegzorgwerker in bepaalde gevallen ook het contact. Chantal vertelt dat haar
pleegzorgwerker een keer is mee geweest naar haar moeder. En Bas vertelde: “Zelf hebben we ook een maatschappelijk werker gehad,
die ook met mijn moeder en met mij om de tafel ging zitten zo van hoe gaan we weer dit contact
verbeteren. Op dat moment kreeg ik dus ook van je mag een weekend naar huis en dat soort dingen. Van hoe
dat dan weer gaat en op die manier vanuit daar is het ja, zeker na een jaar een heel stuk
verbeterd”.
Marykate, Chantal en Beppie zaten alledrie op het moment van het interview in een pleeggezin en
hadden dus ook pleegouders. Van de andere jongeren hebben Anet, Annemie, Sanne en Kim tijdelijk in een
pleeggezin gezeten. Chantal en Beppie wonen bij hun opa en oma. Chantal noemt hen vaak papa en mama en
Beppie noemt ze opa en oma. Chantal geeft aan dat het contact tussen opa en oma en Beppie en Chantal wel
goed is. Doordat Chantal al als baby bij opa en oma is gekomen dacht ze dat haar opa en oma haar ouders
waren. “Ja, vroeger, als ik, ja, ik wist ook gewoon niet beter dan dat ik bij mijn echte ouders
was”.
Net als Chantal en Beppie woont Marykate ook sinds langere tijd bij haar pleegouders. Ze geeft
aan dat haar pleegouders het beste voor haar willen. Ook zegt ze daarbij dat ze willen dat het “nog
goed overkomt” voor haar biologische moeder. Marykate vind het niet leuk dat ze soms ruzie heeft met
haar pleegouders, maar relativeert dit door te zeggen dat iedereen wel eens ruzie heeft met zijn ouders.
Ze heeft bijvoorbeeld ruzie over te laat thuis komen, te korte topjes in de winter en verkeerde dingen
doen. Maar Marykate geeft ook aan dat ze echt steun van haar pleegouders krijgt en dat ze dat heel lief
vindt. Haar pleegouders merken het als ze zich rot voelt. Aan de andere kant merkt Marykate het ook goed
als haar pleegouders niet lekker in hun vel zitten. Marykate weet dan dat ze rustiger moet doen en gaat
dan vaak naar boven. Als Marykate naar haar eigen moeder is geweest vinden haar pleegouders haar anders
en hebben ze heel erg het gevoel dat ze haar moeten corrigeren. Ook heeft Marykate zelf het gevoel dat ze
zich daarna weer moet aanpassen aan het pleegouders.
Sanne heeft tijdelijk in een pleeggezin gezeten, toen ze net uit huis geplaatst was. Ze geeft
aan dat ze het moeilijk vindt om met twee mensen, die je elke dag ziet, een band op te bouwen. Ze is er
heel duidelijk in dat een pleeggezin niks voor haar is. “Ik hou sowieso niet van een pleeggezin. Vind
ik niks aan, vind ik niet echt leuk. Kan ik niet zo goed euh, niet zo goed met mensen zo’n band krijgen,
die dan voor altijd voor mij moeten zorgen. Dat kan ik niet echt”.
Net zoals je in een pleeggezin met pleegouders te maken hebt, heb je in een gezinshuis met
gezinshuisouders te maken. Anet, Fernando en Max zaten in een gezinshuis. Anet heeft in paragraaf 4.3.3.2
het verschil aangegeven tussen het wonen in een ‘gewoon’ gezin en het wonen in een gezinshuis. Hieronder
staat haar uitspraak nogmaals genoemd: “Het grootste verschil…uhh ja ik denk toch de liefde van je
ouders, want ja hier verzorgen ze je, hier proberen ze je op het rechte pad te leiden naar je toekomst en
bij je ouders is dat niet zo heel serieus zoals hier. En ja hier kun je ook, ja hier heb je wel een soort
liefde, maar niet echt de liefde die je hebt van je ouders. Ik denk dat dat toch een heel groot verschil
is”.
Het contact tussen gezinshuisouders verloopt niet altijd goed. Eén van de jongeren vertelde dat
de gezinshuisvader heel boos kan worden: “Als we wat ergs doen, aan benzine zitten, zoiets
bijvoorbeeld, dan wordt die hartstikke boos en dan gaat die schoppen, slaan”.
Kim, Sanne en Annemie zaten in een leefgroep toen ze geïnterviewd werden. Ook Anet, Fernando,
Bas en Max hebben in een leefgroep gezeten. In een leefgroep hebben de jongeren te maken met
groepsleiding. Sanne legt uit dat er in een leefgroep een mentor is met wie zij bijvoorbeeld kan praten
over het contact met haar zusje. Sanne vindt het fijn om met haar mentor te praten. Ze vindt het een
“aardige jongen”. Annemie gaat vaak naar haar mentor als ze dingen niet weet. Met meer
persoonlijke dingen, zoals ongesteldheid, gaat ze naar vrouwelijke groepsleiding. Kim vertelt ook dat ze
heel goed met haar mentor kan opschieten en dat ze één keer in de week een gesprek hebben waar alles
duidelijk op papier wordt gezet. Verder zegt Kim dat ze met invallers niet overweg kan. Ze zegt hierover:
“Dat is zo irritant
invallers, ik kan bijna nooit met invallers overweg, omdat die mij niet begrijpen. Ik heb ook altijd
bijna een conflict met een invaller”.
Er is ook een gewone groepsleiding die Kim niet mag. Dat is echt een “bitch” zegt ze.
Die gaat “echt op ons spelen”. Verder zegt Kim dat de leiding soms de hele dag aan haar hoofd
zeurt. Ook Annemie vertelt dat ze boos kon zijn op een leiding die er nu niet meer werkt. Als ze dan boos
was, ging ze “gewoon alles naar beneden donderen”.
Tenslotte geeft ook Bas aan dat er verschil is in het contact met groepsleiding: “Met de ene
groepsleiding heb je heel goed contact mee en kun je ook alles mee bepraten en doen en de andere
groepsleiding ja dan ga je expres gewoon fock off tegen doen”.
Bas is na de leefgroep naar een kamertrainingscentrum gegaan. Daar had hij twee keer per week
een afspraak met een begeleider. Die afspraken waren om te kijken hoe het met hem ging, welke doelen hij
had en welke dingen hij moest doen om dat te bereiken.
Zowel in een leefgroep, als in een gezinshuis, als in een pleegezin heb je vaak te maken met
andere jongeren die daar wonen. In een gezinshuis of pleeggezin kun je naast andere uit huis geplaatste
jongeren ook nog te maken hebben met de biologische kinderen van pleegouders of gezinshuisouders. Al deze
kinderen en jongeren worden hier verzameld onder de naam groepsgenootjes. In het geval van een pleeggezin
zal ook de term pleegkinderen gebruikt worden. Van de geïnterviewde jongeren zijn Beppie en Chantal de
enige twee die niet met groepsgenootjes te maken hadden.
Marykate heeft verschillende andere pleegkinderen meegemaakt in haar pleeggezin. Met het
laatste meisje kon ze heel goed opschieten. Met haar ging ze bijvoorbeeld naar de stad of zwemmen. Ook
konden ze goed met elkaar praten doordat ze een beetje hetzelfde hadden meegemaakt. Ze begrepen elkaars
problemen goed. Nu hebben ze nog steeds contact. Met het eerste pleegkind kon Marykate niet goed
opschieten. Maar ze vertelt er wel bij dat die ook jonger was. Ze zegt daarover: “Bij de eerste vond ik het echt
een ramp, vond ik echt heel erg. Want dat was gewoon, ja, echt een vervelend kind. Die, ja, die
molesteerde gewoon echt al mijn spullen”.
Ook was er in het pleeggezin van Marykate nog een biologische zoon van haar pleegouders. Die
was weer ouder dan Marykate en zag ze meestal alleen ’s avonds of in het weekend. In het gezinshuis van
Max waren ook biologische kinderen. Deze waren ook ouder. Max gaat soms met één van hun “de hond en het paard uitlaten”. Met de andere groepsgenootjes is het
contact verschillend. Hij zegt dat hij de twee nieuwe groepsgenootjes grappig vindt. Maar de jongen die
nu weg is daar had hij geen goed contact mee. Die deed elke keer stiekem dingen die niet mochten. Max
heeft al meer kinderen zien weggaan, maar daarover zegt hij: “maakt mij niks uit”. Zijn
groepsgenootjes noemt hij zijn vrienden, maar hij zegt ook dat hij soms wel ruzie met ze heeft. Kim ziet
haar groepsgenootjes niet echt als vrienden. Ze zegt: “Het zijn meer gewoon groepsgenootjes en verder
is het niet”.
Met één meisje kan Kim wel goed opschieten. Zij hebben elkaar nodig en begrijpen elkaar.
Annemie vertelt ook dat ze met sommige jongeren wel goed kan opschieten en met andere niet. Ze speelt
vooral met de jongere kinderen en heeft ook één meisje met wie ze heel erg kan opschieten. Anet vertelt
dat ze de andere jongeren in het gezinshuis wel een beetje als broers en zussen ziet: “Maar ja de
kinderen die hier zitten beschouw je eigenlijk wel een beetje als broers en zussen, want ja je woont in
huis en je gaat heel veel met elkaar om, dus ja dan ga je toch met broers en zus aan de
gang”.
Ook Fernando, die in hetzelfde gezinshuis woont als Anet, ziet de andere jongeren daar als
broertjes en zusjes. Hij vertelt ook dat de jongeren elkaar helpen als ze wat hebben. Fernando kende de
jongeren van het gezinshuis al beetje voordat hij daar kwam, omdat hij op dezelfde school zat.
Bas legde uit dat het contact met groepsgenootjes ervan afhangt hoe je jezelf opstelt in een
groep en hoe de mensen op jou reageren. “De ene die mag je wel natuurlijk en de ander mag je
niet”, zegt hij. Sommige jongeren komen op je af van “wat moet ik met jou” en de anderen
willen “vrienden maken”. Nu Bas zelfstandig woont heeft hij alleen maar hoi en doei contact met de
andere jongeren die in dat huis wonen.
Naast het contact met groepsgenootjes hebben de jongeren ook nog contact met andere
leeftijdsgenootjes. Omdat Chantal en Beppie geen groepsgenootjes hebben, vertellen zij meer over
leeftijdsgenootjes. Chantal vertelt dat er in de buurt ook verschillende kinderen wonen die in een
pleeggezin zitten. En ze zegt dat ze geluk heeft dat daar beste vriendin ook in een pleeggezin woont. Met
haar kan ze goed praten. Ook Beppie kan goed praten met een meisje die hetzelfde heeft gehad. Bij Beppie
op school weten sommige kinderen dat ze bij opa en oma woont.
Het contact dat de jongeren nog met hun biologische ouders hebben verschilt per jongere.
Annemie zei in eerste instantie helemaal geen contact meer te hebben met haar vader of moeder, maar
nuanceerde dit later door te zeggen dat ze haar moeder heel af en toe ziet. Haar moeder komt ongeveer
drie keer in een jaar samen met de zus van Annemie naar de leefgroep. Ook ziet Annemie haar moeder soms
in Duitsland, waar haar moeder woont. Annemie zegt dat zowel haar ouders als zij zelf het moeilijk vinden
om contact te leggen. Anet is het contact met haar vader net weer aan het opbouwen. Toen haar vader voor
haar stiefmoeder gekozen had baalde ze daar zo erg van dat ze anderhalf jaar geen contact meer met hem
heeft gehad. Ze ziet hem nu één keer in de zes weken. Haar moeder ziet ze één keer in de twee weken. Ze
geeft aan dat als ze haar ouders meer zou zien het echt verkeerd zou gaan. Bas ziet zijn moeder af en
toe. Ook hij geeft aan dat het verkeerd zou gaan als hij weer thuis zou gaan wonen. Hij zegt daarover:
“Het contact wat we op
dat moment gewoon weer hadden was gewoon weer goed. En dat zou weer echt helemaal verkloot worden als ik
weer thuis zou komen wonen. En zo is het eigenlijk altijd een beetje gebleven. Dus nu euh, nu zie ik mijn
moeder ook af en toe. We bellen elkaar”.
Fernando heeft alleen nog contact met zijn vader, niet met zijn moeder. Dat wil hij voorlopig
ook niet. Kim geeft ook aan dat het contact tussen haar en haar moeder gewoon niet gaat. Ze zegt
hierover: “Mijn moeder
en ik kunnen niet met elkaar leven, maar ook niet zonder elkaar leven. We hebben heel veel conflicten met
elkaar”.
Kim gaat wel elk weekend naar haar vader. Ze zou daar ook wel willen blijven, maar ze weet dat
dat niet gaat, omdat haar vader ziek is. Marykate vertelt dat het twee jaar geleden helemaal mis is
gegaan met haar vader, toen zijn toenmalige vriendin het uitmaakte. Sinds die tijd heeft ze alleen nog
maar telefonisch contact met hem. Ze zegt hierover: “Ja, soms belt die nog wel eens maar dan is ie
gewoon helemaal dronken”
Marykate zegt dat ook dat ze hem niet meer zal vertrouwen en dat ze ook nooit meer met hem mee
naar huis zal gaan. Voordat het mis ging heeft ze nog wel heel goed contact met hem gehad. Het ging toen
heel goed met hem, hij was alcoholvrij en had een vriendin. Ze is toen ook nog een paar keer bij hem gaan
slapen. Nu Marykate ouder wordt kijkt ze anders aan tegen het contact van vroeger. Ze zegt daar nu over:
“Nu word ik zelf ook wel een beetje ouder zo en nu zie ik ook wel dat hij ons gewoon echt totaal wel
een beetje in de steek heeft gelaten. Eerst vond ik het ook heel erg dat ik geen contact meer met hem heb
enzo en lag ik echt nachten van wakker enneh overal uitslag en eczeem, maar nu heb ik ook zoiets van ach,
het maakt me ook allemaal helemaal niks meer uit joh”.
Het contact dat Marykate met haar moeder heeft is nu heel goed. Dat is langzaam opgebouwd van
een uurtje op kantoor bij haar moeders huis tot nachtjes blijven slapen. Dat gaat nu heel goed, maar dat
heeft wel lang geduurd. In het begin vond Marykate het een ramp als ze weer terug moest naar het
pleeggezin. Ze wilde bij haar moeder blijven en moest dan echt de auto ingesleurd worden. Net als bij
Marykate’s vader vertelt ook Chantal dat haar moeder soms half dronken opbelt. Verder vertelt ze dat haar
moeder ver weg woont en dat het veel geld kost om daar naar toe te gaan. Haar moeder probeert wel om
dichter in de buurt te gaan wonen. Beppie zegt dat Chantal en zij hun moeder één keer in de maand zien.
Twee keer zijn ze naar hun moeder geweest, maar meestal komt hun moeder naar hun toe. Chantal is uit huis
geplaatst toen zij een baby was. Vroeger wist ze niet dat haar pleegouders niet haar echte ouders waren
en dat haar moeder haar moeder was: “Ik denk dat ik erachter ben gekomen, omdat we elke keer naar mama toe, naar
een andere, ik denk dat ik eerst dacht van wat voor vrouw is dat”.
Beppie zegt zeker te weten dat ze niet meer bij haar moeder gaat wonen. Ook is ze er helemaal
aan gewend om niet meer bij vader te wonen. Chantal en Beppie zien hun vader om het weekend. Chantal zegt
dat ze het niet leuk vindt dat haar vader dan alleen maar naar autoracen kijkt. Ze zegt dat hun vader
niks met ze doet als ze daar zijn. Ook geeft ze aan dat, toen ze verdrietig was, ze niet naar haar vader
wilde.
Sanne heeft haar ouders kortgeleden voor het eerst weer gezien na twee jaar. Ze vond het leuk
en wel weer wennen om haar ouders weer te zien. Ze wist ook niet zo goed hoe haar ouders zouden gaan
reageren, omdat ze aan de alcohol en drugs zitten. Sanne vond het niet moeilijk om haar ouders twee jaar
niet te zien. Ze zegt daarover: “Nou, voor mij was het niet zo moeilijk. Ik vind zelf dat ze een
beetje met zichzelf bezig moesten gaan omdat ze ook niet helemaal gezond waren enzo. Dus ik nam ze niet
echt kwalijk dat ze me niet konden zien”.
Ook zegt Sanne dat ze haar ouders niet kon zien, omdat ze dat zelf niet wou. Ze vond het een
beetje eng en heeft daarom gewacht tot ze het wel wilde. Sanne wil nu proberen haar ouders elke maand te
zien.
Max vertelt dat hij om de vier weken naar zijn moeder gaat. Dat vindt hij heel leuk. Hij gaat
dan tv kijken of soms naar zijn zus toe. Zijn moeder komt ook om de twee weken naar het gezinshuis. Hij
zegt daarover: “Nou ze komt gewoon zo’n dagje, nou dag, 14.00 uur tot iets van 15.00 uur, een
uurtje”. Verder vertelt Max dat hij zijn vader echt heel soms ziet. Dat komt omdat hij heel ver weg
woont en omdat hij hem niet zo goed kent. Ook vertelt hij dat vader wel eens een keer post heeft gestuurd
en wel eens heeft gebeld. Hij belt bijvoorbeeld met zijn verjaardag, ze praten dan maar iets van één
minuut. Dat hij zijn vader niet zo goed kent maakt Max niks uit.
4.5.6.2 Contact broertjes en zusjes
Als je uit huis geplaatst bent verandert er vaak ook wat in het contact met broertjes en
zusjes. Beppie en Chantal zijn de enige die nog bij elkaar wonen. Beppie vertelt dat ze wel vaak ruzie
hebben. Bas geeft aan dat hij zijn zus nog in de weekenden bij zijn moeder ziet. Zijn broer ziet hij
vaker. Over het contact met zijn broer en zus toen hij nog thuis woonde vertelt hij dat “die er ook aan kapot gingen hoe
mijn gedrag was”. Ook Marykate zegt dat ze haar broer en zusje nu alleen nog ziet als ze bij
haar moeder is. Ze vindt het heel jammer dat ze weinig contact met haar broer en zus heeft. Kim gaat in
het weekend, als ze bij haar vader is, ’s zondags naar haar zus en haar vriend. Met haar jongere zusjes
heeft Kim heel veel conflicten. Max slaapt wel eens bij zijn zus en vertelt dat zijn broer laatst met
zijn moeder mee was gekomen naar het gezinshuis. Fernando ziet zijn broertje zo vaak als hij bij zijn
vader is. Hij heeft ook nog een oudere broer van 23, maar die kent hij niet. Sanne heeft een tijdje met
haar zusje in hetzelfde pleeggezin gezeten. Nu woont Sanne daar niet meer. Haar zusje ziet ze nu niet zo
veel meer, omdat Sanne het pleeggezin niet zo geweldig vindt.
Tenslotte is er ook nog de biologische familie van de uit huis geplaatste kinderen. Marykate
heeft een hele grote familie en vindt dat wel moeilijk, ze kent al haar neefjes en nichtjes niet eens.
Chantal vertelt over het contact met haar oma van vader’s kant: “Ik zwaaide zo, hai oma hoe gaat
het. Ze draaide gewoon met, ja met het stijve kop om. Als we jarig zijn, stuurt ze nog geen eens een
klein kruimeltje brood”. Chantal heeft toen gezegd dat ze haar oma niet meer
was.
Geconcludeerd kan worden dat uit huis geplaatste jongeren vaak andere en
veel meer wisselende contacten hebben dan jongeren die thuis bij hun ouders wonen. De jongeren hebben
contact met hulpverleners, zoals de pleegzorgwerker en de gezinsvoogd. De meeste jongeren hebben sinds hun
ondertoezichtstelling al meer gezinsvoogden meegemaakt. Met de ene gezinsvoogd hadden de jongeren beter en
meer contact dan met de andere. Naast contact met hulpverleners hebben de uit huis geplaatste jongeren ook
te maken met de dagelijkse zorg van beroepsopvoeders; de pleegouders, gezinshuisouders en groepsleiding. De
groepsleiding bij een leefgroep wisselt elke dag. Vaak is er één groepsleiding die de mentor is van de
jongere en als een aanspreekpunt gezien kan worden en waar de jongere over het algemeen goed mee op kan
schieten. Naast een vast team van groepsleiders zijn er ook invallers. Verder hebben de jongeren ook contact
met groepsgenootjes, waaronder de andere jongeren in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep worden
verstaan. In een pleeggezin of gezinshuis zijn dat ook de biologische kinderen van de pleeg- of gezinshuis
ouders. De meeste jongeren hebben een aantal groepsgenootjes waar ze goed mee kunnen opschieten en een
aantal waar ze het niet goed mee kunnen vinden. Naast groepsgenootjes hebben de jongeren ook contact met
leeftijdgenootjes en meestal nog met hun gezin van herkomst; hun biologische ouders, broertjes en zusjes en
familie. Hoe vaak de jongeren hun ouders zien en wie verschilt per jongere en is afhankelijk van onder
andere de woonafstand en de problematiek van ouders. De meeste jongeren zien hun broertjes en zusjes niet zo
vaak en vinden dat wel jammer. Door al deze verschillende contacten verloopt het aangaan van een
hechtingsrelatie bij deze jongeren soms moeizaam. De mate waarin een jongere in
staat is om een hechtingsrelatie aan te gaan, bepaalt dan ook welke plek het meest geschikt is voor
de jongere.
De jongeren die in een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep wonen doen ’s
morgens na het opstaan de “normale dingen, zoals aankleden,
eten”. Een aantal kinderen moet ook een taak doen, bijvoorbeeld “Kamer netjes. Troepjes van de grond”. Naast de taken gelden er ook
bepaalde regels. Annemie gaf aan: “Om half acht is de laatste
boterham”.
Soms worden de jongeren ‘s morgens geholpen door hun verzorgers. Max
vertelde daarover het volgende: “Nou dan komt W. (gezinshuismoeder)
ons wakker roepen en dan legt ze kleren neer en dan gaan we opstaan en dan gaan we naar beneden, eten en dan
mijn spullen klaar leggen en dan naar school fietsen”.
Alle jongeren uit dit onderzoek gaan nog naar school. Hoewel de
ochtendsituatie bij alle jongeren ongeveer hetzelfde is, is dat voor de periode na school niet zo duidelijk.
Alleen Kim, Sanne en Annemie, die alledrie in een leefgroep wonen, geven precies aan op welk tijdstip er
wordt gegeten, wanneer er gedoucht wordt en hoe laat de lamp uitgaat.
Kim geeft verder aan dat je “tussen
half vier en vier mag bellen als je beldag hebt”. Sanne vertelde “half zeven gaan we dan naar boven toe tot half acht, gaan we huiswerkuur doen
of rust uur. Dat moet je zelf weten. Maar dan moet je in ieder geval op je kamer zijn dat uur”. Bij
Annemie op de leefgroep is er “om acht uur groepsgesprek,
om half negen gaan we naar boven en negen uur het ligt
uit”. Nadat Sanne heeft aangegeven hoe haar
dag er uit ziet geeft ze aan “dus ik heb best wel een korte
dag”.
Zoals in de vorige paragraaf al werd aangegeven gaan alle jongeren uit het onderzoek nog naar
school. Marykate gaat twee keer per week naar school en loopt de rest van de week stage in een
verzorgingshuis. Het schoolniveau van de jongeren, die erover verteld hebben, is vrij laag, namelijk
praktijkonderwijs, ZML, IVVO, LWO, VMBO of MAVO. Dit zou te maken kunnen hebben met de problemen waar
deze jongeren mee te maken hebben en met het feit dat jongeren bij elke plaatsing weer van school moeten
wisselen.
De jongeren vinden het over het algemeen leuk om naar school te gaan. Kim
geeft echter aan dat alle jongeren van dezelfde leefgroep naar dezelfde school gaan. Ze vindt dat vervelend
en vertelde het volgende erover: “Dan denk ik de hele dag; lekker ik
wordt geconfronteerd met het tehuis. Ik zit nu bij een meisje in de klas, die zie ik gewoon 48 uur per dag
bijna, die zie ik gewoon, elke dag zie ik haar, in de klas, op school, op de groep”.
Anet zit niet met kinderen van het gezinshuis op een school, maar op een “buitenschool”.
Dat is best wel bijzonder zegt ze, want ze is de enige die op een buitenschool zit. Met een buitenschool
bedoelt zij een school buiten het terrein van de instelling waar zij woont. Het zitten op een
buitenschool is één van de redenen dat ze het nu zo goed naar haar zin heeft.
Zoals in de paragraaf over de dagelijkse structuur al werd aangegeven
moeten een aantal jongeren een taak doen. Taken die onder andere genoemd worden zijn de tafel dekken en
afruimen, vaat voorspoelen, in- en uitruimen, afwassen, “koffietaak”, je kamer, bed verschonen, hond uitlaten en vogel verschonen.
De jongeren geven niet echt aan of ze het vervelend vinden of niet. Alleen Chantal zegt: “Dat zijn eigenlijk maar twee taakjes, eigenlijk. Dat is haast niks”.
4.6.4 Bezigheden
De bezigheden van de jongeren die uit huis geplaatst zijn, verschillen over het algemeen niet
echt van de bezigheden van jongeren die bij hun biologische ouders wonen. Dingen die bijvoorbeeld genoemd
worden zijn spelletjes, skeeleren, computeren, tv kijken en voetballen. Maar ook een bosspel doen of naar
het zwembad.
Een aantal bezigheden is wel gerelateerd aan het uit huis geplaatst zijn.
Zo vertelde Kim bijvoorbeeld het volgende: “Ik zit zelf in de
cliëntenraad, bijna een jaar, en volgende week gaan we kijken of we het voor elkaar kunnen krijgen om toch
nog internet te krijgen. Want iedereen, elk groepje zegt: we moeten internet, we moeten internet, we moeten
internet. Want het is handig voor school, werkstuk, je kan contact houden, als je ouders ook email hebben
kan je contact houden met je ouders en het is gewoon hartstikke makkelijk”.
Ook zijn sommige bezigheden gericht op het aanleren van bepaalde dingen,
zoals het leren om op jezelf te wonen. Vaak wordt er door de gezinsvoogd een verslag geschreven over de
jongere, die zij ook zelf moeten lezen. Daarin wordt aangegeven wat de jongere geleerd heeft in de afgelopen
periode en waar de jongere aan zou kunnen werken. Dat verslag wordt besproken in een behandelgesprek waar
meestal de jongere ook bij aanwezig is.
De bezigheden in het weekend zijn voor elke jongere verschillend. Het ligt
eraan of de jongere in het pleeggezin, gezinshuis of op de leefgroep blijft of niet. Kim vertelde het
volgende over haar weekenden: “In het weekend is het meestal jezelf
vermaken, alleen als mijn mentor er is, dan niet. Dan gaan we meestal met haar naar huis, gaan we met de
hond het bos in en het kindje van haar, maar meestal is het standaard”.
Een aantal jongeren heeft de mogelijkheid in het weekend naar huis te gaan
of naar familie. Annemie gaat bijvoorbeeld in het weekend wel eens naar haar oom en tante. Jongeren die niet
naar huis of naar familie kunnen, hebben soms een gastgezin. Sanne vertelde dat ze bijna elk weekend naar
haar gastgezin gaat. Zij werkt ook in de juwelierszaak van de vrouw van het gastgezin. Er zijn ook jongeren
die naar vrienden gaan.
Sommige gezinshuizen en leefgroepen gaan één of twee weekenden in de maand
dicht. Bij het gezinshuis is dat om de gezinshuisouders even een weekend rust te geven. Jongeren die naar
hun ouders, familie of gastgezin kunnen, gaan daar zo’n weekend naar toe. De jongeren die in een gezinshuis
wonen, hebben allemaal een gastgezin. De jongeren op de leefgroep die niet weg kunnen, worden meestal van
verschillende groepen bij elkaar opgevangen op één groep. Bij Annemie op de groep wordt dat “de opvang” genoemd. Zij gaan dan “dagjes uit of spelletjes doen”.
Kort samengevat hebben de meeste jongeren een vaste dagelijkse structuur.
In de leefgroep zijn de meeste tijden precies vastgelegd. Alle uit huis geplaatste jongeren gaan overdag
naar school. Het school niveau van de jongeren is vrij laag. De jongeren vinden het over het algemeen leuk
om naar school te gaan. Verder zijn er bepaalde taken die de jongeren moeten doen en zijn er regels over wat
wanneer moet gebeuren. Dit verschilt echter per jongere. De bezigheden van de jongeren die uit huis
geplaatst zijn, verschillen over het algemeen niet echt van de bezigheden van jongeren die bij hun ouders
wonen. Een aantal bezigheden is wel gerelateerd aan het uit huis geplaatst zijn, zoals het deelnemen aan een
cliëntenraad en het aanleren van bepaalde vaardigheden en bepaald gedrag. De bezigheden in het weekend zijn
voor elke jongere verschillend. Het ligt eraan of de jongere in het pleeggezin, gezinshuis of op de
leefgroep blijft of bijvoorbeeld naar zijn ouders, een gastgezin of familie gaat.
Net als iedere andere jongere hebben uit huis geplaatste jongeren ook
wensen en bepaalde ideeën over de toekomst. Vaak wijken deze wensen en ideeën wel af van die van de
gemiddelde jongere. Hieronder zullen eerst de wensen worden besproken die bij de geïnterviewde jongeren naar
voren kwamen. Vervolgens zal de toekomst worden besproken zoals de jongeren die voor ogen hebben.
Een aantal jongeren hadden wensen die te maken hadden met hun ouders.
Marykate wenst bijvoorbeeld: “(…)dat mijn vader van de alcohol wil afblijven en dat het wel weer normaal
contact zou worden”.
Max heeft de wens dat hij weer bij zijn moeder kan wonen. Soms droomt hij
daar ook van. Chantal heeft een keer gedroomd dat haar vader en moeder weer bij elkaar waren en weer met
elkaar konden opschieten. Verder wenst Chantal dat haar moeder weer gezond wordt. Beppie wenst dat ze nog
heel lang bij haar pleegouders mag wonen. Anet wenst dat ze later nog goed contact heeft met haar ouders.
Voor nu heeft ze geen wensen, alles gaat goed: “Ik zit op een buitenschool, ik heb goed contact met mijn ouders en het gaat wel
heel goed met mij, dus ja wat moet ik eigenlijk nog wensen”.
Net als Anet heeft Sanne ook geen wensen voor nu. Ze zegt: “Ik heb niet echt een grote wens
ofzo. Ik ben wel gelukkig nu”.
Andere wensen die genoemd werden hadden voor een deel betrekking op de
jongere zelf. Kim wil bijvoorbeeld gewoon gelukkig leven en het is haar droom om voor haarzelf te beginnen.
Ze wil een nieuwe stap in haar leven. Max wenst dat alles goed met hem gaat en dat hij niet ziek wordt. Ook
Annemie wenst dat ze gezond blijft.
Marykate en Sanne hebben wensen voor andere kinderen en/of jongeren. Sanne
wenst heel veel geld. Van dat geld gaat ze dan iets aan de kindjes in Afrika geven. Marykate wenst dat
andere kinderen niet hetzelfde meemaken als wat zij heeft meegemaakt: “Ja, gewoon voor andere kinderen
dat ze toch wel een normale opvoeding krijgen. Ik gun het een ander kind niet, wat ik heb meegemaakt. Dat
andere kinderen gewoon lekker bij hun ouders kunnen blijven enzo”.
Overige wensen waren bijvoorbeeld dat Marykate meer contact wil met haar
broer en zusje, dat Max zijn autorijbewijs wil en kan toveren zodat hij alles kan wensen. Chantal wenst dat
ze met een vriendinnetje zal gaan samenwonen, dat haar broer nog leeft en dat ze de rest van haar moeders
familie kent.
Door wat de jongeren in hun jeugd hebben meegemaakt hebben ze vaak
duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen of wat ze niet voor hun kinderen willen. Kim zegt
dan ook geen kinderen te willen. Ze heeft zelf ADHD en de kans is vrij groot dat haar kinderen ook ADHD
krijgen en dan is ze niet in staat ze op te voeden. Ze wil niet dat haar kinderen dan in een tehuis komen.
“En ik wil niet mijn kind hetzelfde leven geven, in een kindertehuis, dat wil ik gewoon niet. Ik heb
zoiets van, ik wil mijn kind niet naar een tehuis sturen. Ik heb er zelf acht jaar gewoond enne dan zelf
mijn kind ernaar sturen, ik weet hoe erg het is, dat wil ik gewoon niet”.
Fernando zegt dat hij het later anders zal doen dan, niet zoals zijn
ouders. “Ik zou mijn kinderen ten eerste nooit naar een internaat doen. Want je hebt toch zelf ervaring met
het internaat. Dat brengt je toch op andere ideeën. Dus”. Ook Marykate zegt dat ze haar kinderen zelf wil
opvoeden en niet door anderen. Daar zal ze dan ook alles aan doen.
Andere toekomstbeelden hadden onder andere te maken met opleiding, werk,
woonplek en relaties. Kim wil begeleid zelfstandig wonen. Verder wil ze echt voor haar opleiding gaan. Ze
wil heel graag de horeca in. Anet wil “gewoon een eigen huisje” en “gewoon goed werk”. Tot
haar zestiende of zeventiende blijft ze in het gezinshuis. Daarna gaat ze waarschijnlijk kamertraining op
het terrein doen. Fernando wil later het liefst iets met koken doen en in een “gewoon normaal huis”
wonen. Bas wil de opleiding horeca gaan doen en hoopt later op een hoop geld, een goede baan, “een leuk vrouwtje”, kinderen en een mooi huis. Marykate gaat binnenkort
volledig zorg doen en wil, vergelijkbaar met Bas, kinderen, een vriend, trouwen, op haarzelf wonen en
werken. Max denkt dat hij voor zijn achttiende nog ergens anders gaat wonen dan in het gezinshuis. Daarna
gaat hij bij zijn moeder wonen, totdat hij een vriendin heeft. Beppie denkt tot ergens in de twintig bij
haar pleegouders te wonen. Sanne gaat over een jaar op kamertraining en gaat de opleiding SPW doen. Ze wil
later in een tehuis met jongeren gaan werken en ergens in een dorp gaan wonen met man en kinderen. Chantal
wil later in de tropen wonen en Annemie in Italië. Maar eerst blijft Annemie tot haar vijftiende in de
leefgroep waar ze nu zit wonen en gaat daarna naar een vervolgplek die lijkt op haar huidige leefgroep, maar
dan voor oudere kinderen.
Als conclusie kan gezegd worden dat uit huis geplaatste jongeren net als
andere jongeren ook wensen en bepaalde ideeën hebben over de toekomst. De wensen hebben onder andere
betrekking op relatie met hun ouders, op de jongeren zelf en op andere jongeren. Door wat de jongeren hebben
meegemaakt, hebben ze vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen dan hun ouders. Andere
toekomstbeelden hebben onder andere te maken met opleiding, werk, woonplek en relaties.
Door de interviews heen zijn een aantal keer visies van jongeren over
bepaalde dingen naar voren gekomen. Die zullen hieronder besproken worden.
Bas en Sanne laten merken dat ze tevreden zijn met hoe de dingen gelopen
zijn. Bas zegt hierover: “Ik heb overal ook wel wat aan gehad. Ik bedoel de tijd in Z., niemand wil daar
zitten en niemand vindt het leuk daar, maar achteraf als je er zo tegen aan kijkt heb je er wel wat aan
gehad. Als ik er niet had gezeten zou ik niet weten hoe ik er nu bij had gelopen. Dus al die dingen, het is
niet voor niets geweest”.
En Sanne zegt: “Ik vind wel hoe het zo is gelopen, vind ik wel goed. Ik
denk dat het wel een reden voor heeft gehad. Dus, ik vind het niet echt euh, nee niks
veranderen”.
Fernando heeft een hele duidelijk mening over hoe je in het leven moet
staan. Hij zegt bijvoorbeeld: “Gewoon goed je best doen. Als je niet goed je best doet, ja, dan kom je
niet ver. Je moet echt voor jezelf gaan kiezen” en “Als je het toch maar met plezier doet. Want als
je het niet met plezier doet dan is helemaal niks leuk”.
Tenslotte geeft Fernando nog een uitspraak aan van de gezinshuisvader. Hij
heeft daar zelf ook een mening over: “Die (gezinshuisvader)
zegt ook, van ik heb het liefste dat ik werkeloos ben en dat jullie
allemaal thuis wonen. Maar ja, dat kan gewoon niet. Nou, dat is gewoon de waarheid. Sommige kinderen zijn
bang voor de waarheid. Die zeggen niks, die drukken het gewoon weg”.
Uit huis geplaatste jongeren hebben veel met verschillende
hulpverleningsinstanties te maken. Een aantal jongeren hebben hun mening gegeven over dingen die zij
verkeerd vinden gaan. Kim heeft ADHD, maar dat is nooit met een test geconstateerd. Ze wil dat dit wel
gebeurt. Ze zegt: “En dan heb ik ook gezegd ik wil ook definitief een ADHD test doen, niet dat er even
een psychiater komt kijken van oh ja die heeft ADHD, ik wil gewoon een definitieve test”.
Bas heeft veel problemen gehad met verschillende instellingen. Hij vindt
over het algemeen vooral dat er geen goede samenwerking is en dat er niet genoeg gecommuniceerd wordt. Hij
zegt onder andere: “Ja, ik vind het op dit moment qua
voogdessen betreft dat het euh, dat is meer eigenlijk mijn
klacht altijd geweest naar dat soort instellingen toe, dat het gewoon niet werkt zoals dat het hoort. Ik heb
er zelf een hele hoop problemen daarmee gehad. Een hele hoop geouwehoer, van regel dit, regel dat”. Ook
zegt hij: “Sowieso ouders
moeten beter bij betrokken worden, vooral omdat het om hun eigen kind gaat”.Verder geeft hij aan
dat er geen goed contact is tussen zijn mentor en zijn gezinsvoogd. En dat er veel langs elkaar heen gaat.
Bij de paragraaf hulpverleners is ook al besproken dat Bas vindt dat gezinsvoogden te veel jongeren onder
zich hebben en dat wanneer zijn gezinsvoogd ziek is dit niet goed wordt doorgegeven.
Chantal vindt het een stomme regel dat er over sommige dingen wel met haar
moeder wordt overlegd en niet met haar vader. Ze zegt dan ook: “Als ze met mama praten, dan wil ik ook
dat ze met papa praten”.
Annemie vindt het “een domme
regel” dat als ze vijftien is, ze weg moet uit de leefgroep. Deze regel beschrijft ze als volgt:
“Omdat ze de regel hebben als je vijftien bent moet je weg en als je zestien bent dan ben je al weg. Dan
ben je en moet je al weg”. Volgens haar is het beter om tot je zeventiende in dezelfde leefgroep te
blijven.
Kortom, een aantal jongeren kijkt dus tevreden terug op hoe de dingen in
hun leven zijn gelopen, omdat zij ervan uitgaan dat de dingen wel een reden hebben gehad. Sommige jongeren
hebben ook een duidelijke levensvisie. De uit huis geplaatste jongeren komen met verschillende
hulpverleningsinstanties in aanraking en hebben daar ook klachten over. Zij geven bijvoorbeeld aan bepaalde
regels raar te vinden. Ook is de samenwerking en de communicatie tussen verschillende hulpverleners niet
altijd optimaal.
Tenslotte wordt hieronder aangegeven wat uit huis geplaatste jongeren
belangrijk vinden dat andere mensen over hun weten. De jongeren uit het onderzoek hebben aangegeven hoe zij
ervaren dat andere mensen uit huis geplaatste jongeren zien en benaderen. Hieronder komen de punten aan de
orde over hoe andere mensen zich zouden moeten gedragen volgens de uit huis geplaatste jongeren uit het
onderzoek.
De meeste jongeren vertelden met name over het feit dat zij het gevoel
hadden dat andere mensen de jongeren die uit huis geplaatst zijn als schuldige aanwijzen van de problemen en
de uithuisplaatsing. Marykate geeft bijvoorbeeld aan dat sommigen denken dat het “puur” aan haar lag dat ze uit huis geplaatst is. Dit vindt ze niet leuk.
Het ligt volgens haar niet altijd aan het kind zelf. Ze geeft aan dat als zij aan die mensen uitlegt hoe het
precies zit, zij wel snappen dat het niet aan haar lag.
Fernando heeft het als volgt aangegeven: “Heel veel mensen denken van het is jouw schuld, maar het ligt ook voor een
deel bij je ouders, niet altijd bij het kind. Want het kind moet opgevoed worden. Als het bij zijn nul jaar
niks leert, ja, dan weet ie bij zijn tiende nog niks. Bijvoorbeeld mijn moeder is alcoholverslaafd, nou dan
kan ik er niks aan doen dat ik niet een goede opvoeding heb gehad”.
En Sanne vertelde: “De meeste
mensen denken altijd als je uit huis geplaatst bent dat je een crimineel kindje bent ofzo, of dat je
allemaal rare dingen hebt uitgehaald en dat je meteen slecht bent enzo”.
Sanne legde uit dat dat niet zo is. Zij vertelde dat er genoeg kinderen
zijn die gewoon uit huis geplaatst zijn, omdat hun ouders niet voor ze konden zorgen of omdat de kinderen
mishandeld zijn. Sanne hoort soms in haar omgeving dat andere mensen “snel oordelen” over uit huis geplaatste jongeren. Zij vertelde een verhaal
over een jongen die vaak met een andere jongen naar een snackbar ging vlakbij de leefgroep. Toen de man van
de snackbar nog niet wist dat die jongen op een leefgroep woonde, kwamen de jongens er dagelijks en was het
heel gezellig. Echter toen die man hoorde dat die jongen op een leefgroep woonde had hij “opeens heel raar gedaan. Mochten ze niet meer binnenkomen enzo, ja en jullie
zijn schorum dit en dat, zulke dingen”.
Niet alleen de benadering van andere volwassenen is negatief. Anet
vertelde: “Sommige kinderen pesten je er wel mee en die denken van oh
maakt niet uit ofzo”.
Een aantal jongeren, waaronder Sanne en Bas, hebben aangegeven dat mensen
niet moeten oordelen. Bas geeft aan dat mensen eerst moeten nadenken voor ze wat zeggen. Belangrijk is
volgens hem dat “je ook kunt veranderen”. Chantal vertelde dat ze
vond dat mensen zich niet met andermans zaken moesten bemoeien.
Met name uit het interview met Kim komt naar voren dat uit huis geplaatste
jongeren niet altijd invloed hebben op wat er met hun gebeurt. Zij gaf aan dat de jongeren van haar
leefgroep niks te vertellen hebben over de inrichting van de leefgroep waar zij wonen. Zij vindt het
belangrijk dat “als je in een huis zit, dat er rekening mee wordt
gehouden wat de bewoners leuk vinden en niet wat de groepsleiding vindt”.
Ook zegt zij het belangrijk te vinden om “met kinderen echt om de tafel gaan zitten, van wat zou je dan willen leren en
hoe moeten we hiermee omgaan enzo, kijken naar het karakter”.
Een aantal jongeren geeft aan het belangrijk te vinden dat anderen
“weten wat iemand voelt die in een tehuis zit” en “hoe je je daarbij zal gaan voelen als je uit huis wordt gezet”, want zo
vertelde Max, dat het niet leuk is om uit huis geplaatst te zijn.
Tenslotte is het belangrijk dat andere mensen weten dat eigen ouders belangrijk blijven, ook
worden de jongeren door andere mensen opgevoed.
Anet zei: “Wij hebben wel ouders,
maar dat we er niet heel veel mee omgaan en ja dat is toch heel moeilijk”.
Jongeren blijven ondanks alles meestal loyaal ten opzichte van hun
biologische ouders. Eigen ouders blijven dus belangrijk. Ook bij de jongeren uit het onderzoek werden deze
loyaliteits-gevoelens zichtbaar. Zo vertelde Bas, die door zijn moeder op straat werd gezet het volgende:
“In de tijd dat ik in Z. (een leefgroep) zat werd mijn moeder ook buiten gesloten. Zo van u heeft de zorg niet meer
voor dit kind, dat doen andere mensen, terwijl mijn moeder, als ik mijn moeder niet had, dan was er niks
gebeurd, want mijn moeder is degene die altijd alles heeft geregeld, altijd alles heeft gedaan, overal
achteraan heeft gebeld en weet ik veel wat”.
Sanne had haar ouders ongeveer twee jaar niet gezien. Zij gaf aan dat haar
ouders niet helemaal gezond waren, “dus ik nam ze niet echt kwalijk
dat ze me niet konden zien”.
Ook uit het volgende verhaal van Marykate blijkt duidelijk hoe loyaal zij
is aan haar ouders. Haar moeder moest haar kinderen wel uit huis plaatsen. “Mijn vader was aan de alcohol en drugs. En ja, die was gewoon overdag was die
nooit thuis enzo, was altijd in de kroeg ofzo. En 's avonds als die thuis kwam, nou, dan werden we gewoon
echt helemaal bont en blauw geslagen. En mijn moeder erbij. Ook gewoon waar wij bij stonden enzo, zagen wij
gewoon hoe onze moeder in elkaar geslagen werd enzo. Dus mijn moeder moest wel het huis uit. We stonden
gewoon op straat enzo, dus ja, dan moet je wel. Toen moest mijn moeder ons wel wegdoen. Of nou ja wegdoen,
maar ze kon ons niet bij ons houden. Want we hadden, we stonden gewoon op straat en dat kan niet met een
paar kleine kinderen”. Over haar vader zegt ze: “Hij is gewoon
een beste kerel en hij is ook echt heel lief enzo, maar ja hij is gewoon niet, als hij gewoon eenmaal
alcohol drinkt is die niet zichzelf, gewoon als vader. Dan is hij gewoon een heel agressief
iemand”.
Tenslotte zegt Chantal dat haar moeder het allemaal niet zo goed meer weet
“omdat ze dan heeft gedronken”. Zij geeft dus net als Marykate
aan dat de drank de reden is van het gedrag van haar moeder.
Wat uit huis geplaatste jongeren belangrijk vinden dat andere mensen over
hun weten kan als volgt samengevat worden; mensen moeten weten dat de uithuisplaatsing niet alleen de schuld
is van de jongeren. Andere mensen moeten dus niet oordelen over uit huis geplaatste jongeren. Zij moeten
juist rekening houden met uit huis geplaatste jongeren, zodat jongeren meer invloed hebben op wat er met hun
gebeurt. Een aantal jongeren geeft aan het ook belangrijk te vinden dat anderen weten hoe het voelt om uit
huis geplaatst te zijn. Tenslotte is het belangrijk dat andere mensen weten dat eigen ouders belangrijk
blijven, ook al worden de jongeren door andere mensen opgevoed. Jongeren blijven ondanks alles meestal
loyaal ten opzichte van hun biologische ouders.
De resultaten van dit onderzoek komen op een aantal punten overeen met
de onderzoeken die aangehaald zijn in het literatuur hoofdstuk. Hieronder zullen de overeenkomsten
beschreven worden.
Van der Linden e.a. (2001) geven aan dat de gevallen waarin een
ondertoezichtstelling uitgesproken kan worden meestal gekenmerkt worden door complexe problematiek, waarbij
vaak sprake is van een problematische voorgeschiedenis, zoals gedrags- en opvoedingsstoornissen,
kindermishandeling, verslaving, crimineel gedrag en ernstige problemen van ouders die hun weerslag hebben op
de kinderen, al dan niet in combinatie met elkaar. Deze problematische voorgeschiedenis en de complexe
problemen zijn ook duidelijk naar voren gekomen tijdens de gesprekken die de
onderzoekers hadden met de onder toezicht gestelde jongeren. Bij
Anet, Marykate en Sanne is er sprake van mishandeling. Anet is misbruikt door haar stiefvader, Sanne is
thuis soms geslagen en ook Marykate is door haar vader geslagen. Sanne heeft verder af en toe geen eten
gekregen thuis. Dit heeft de kinderrechter ook aangegeven bij Kim. De kinderrechter heeft verder genoemd dat
Kim nooit op tijd op school kwam en niet op tijd naar bed werd gestuurd. Naast deze vormen van verwaarlozing
hebben een aantal jongeren ook verteld over de verslavingen van hun ouders. De moeder van Fernando en de
vader van Marykate zijn verslaafd aan alcohol. Ook de moeder van Chantal en Beppie is wel eens dronken. De
moeder van Sanne is verslaafd aan alcohol, maar gebruikt daarnaast ook nog drugs evenals de vader van Sanne.
Verder hebben Chantal en Beppie verteld dat hun moeder ziek is. Chantal heeft aangegeven dat hun moeder een
keer van de flat is gesprongen en zichzelf in haar armen snijdt. Marykate heeft aangegeven dat haar vader
heeft geprobeerd om haar zusje te vermoorden. Max heeft over zichzelf verteld dat hij zijn moeder met een
stok sloeg, met gereedschap de muren kapot maakte en dingen uit de winkel pikte. Ook Bas heeft de politie
wel eens achter zich aan gehad. De problematiek waar de jongeren uit dit onderzoek mee te maken hebben gehad
zijn dus als volgt samen te vatten; verwaarlozing, lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik,
(verslavings)problemen van ouders, crimineel gedrag en opvoedings- en gedragsproblemen.
Dat het werk van een gezinsvoogd wordt gekenmerkt door een hoge werkdruk
en een groot personeelsverloop (Overmeer, 2002) is ook door een aantal jongeren aangegeven. De meeste
jongeren hebben aangegeven sinds hun ondertoezichtstelling al verschillende gezinsvoogden te hebben gehad.
Sanne heeft bijvoorbeeld verteld dat zij drie verschillende gezinsvoogden heeft gehad. Ook uit het onderzoek van Slot e.a. (2002) naar de doelmatigheid
van de ondertoezichtstelling, kwam naar voren de kinderen en jeugdigen van de onderzoeksgroep zo’n twee tot
drie keer een andere gezinsvoogd hebben gehad (in Dullens, 2002 en Van Hout & Spinder, 2002). Wat
betreft de hoge werkdruk geeft Bas aan dat hij vindt dat een gezinsvoogd een te grote caseload heeft en dat
een gezinsvoogd er daardoor te weinig voor de jongeren kan zijn. Naast het feit dat de onder toezicht
gestelde jongeren vaak verschillende gezinsvoogden hebben gehad, maken deze jongeren vaak ook meerdere
plaatsingen mee. Uit het, zojuist genoemde, onderzoek van Slot e.a (2002, in Dullens, 2002 en Van Hout & Spinder, 2002) is gebleken dat een
derde deel van de onderzoeksgroep tijdens de ondertoezichtstelling meer dan twee keer was verhuisd. Van de
geïnterviewde jongeren, is het merendeel ook een aantal keer verhuisd. Er zijn verhuizingen genoemd van één
bepaalde soort plek, naar een andere soort plek. Bijvoorbeeld van een leefgroep naar een gezinshuis, zoals
bij Max het geval was. Of van één bepaalde soort plek naar een andere, maar dezelfde soort plek. Dit was
bijvoorbeeld het geval bij Anet die op een gegeven moment van het ene gezinshuis naar het andere gezinshuis
ging. Alleen Chantal en Beppie hebben maar één plaatsing meegemaakt. Het verloop van de plaatsingen die de
geïnterviewde jongeren hebben meegemaakt wordt in de literatuur aangeduid met “spell” (Fanshel, 1976, in Usher e.a, 1999, p.24). Spell wordt omschreven
als een continue periode van gezinsvoogdij wat een enkele plaatsing omvat, of een serie plaatsingen van
verschillende types (bijvoorbeeld een leefgroep en een pleeggezin) óf plaatsingen van hetzelfde type in
verschillende settings (bijvoorbeeld twee pleeggezinnen).
In de literatuur komt naar voren dat een uithuisplaatsing door de
betrokkenen meestal als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis wordt ervaren. Het kind of de jongere kan
gevoelens van rusteloosheid, onzekerheid of schaamte ervaren (Van Ooyen-Houben, 1991). Max gaf aan dat hij
het eng vond om ineens bij zijn moeder weg te zijn. Ook zei hij dat hij verdrietig was en pijn in zijn keel
had. Kim vond het erg om niet meer bij haar vader te wonen en Marykate vond het erg om niet meer bij haar
moeder te wonen. Ook bij ouders kunnen deze gevoelens naar voren komen, evenals gevoelens van droefheid,
verbittering, ongerustheid en schuld (Fanshel & Shinn, 1978; Van Harten-Oudijk, 1988; Junger-Tas, 1983a;
Klüppel & Slijkerman, 1983; Van Ooyen-Houben e.a., 1987; Rice & McFadden, 1988; Spaans, Berben &
Reeuwijk, 1989, in Van Ooyen-Houben, 1991). Chantal vertelde dat haar moeder verdrietig was en dat haar
ouders haar en haar zus op een bepaald moment weer terug wilden.
Een uithuisplaatsing wordt niet door alle jongeren zonder meer als
negatief ervaren. Uit dit onderzoek zijn ook positieve gevoelens bij jongeren over hun uithuisplaatsing naar
voren gekomen. Een aantal jongeren hebben aangegeven dat ze vrede hebben met hoe hun leven na de
uithuisplaatsing is gelopen en dat de uithuisplaatsing niet voor niets is geweest. Ook zijn sommige jongeren
tevreden over hoe de situatie nu is; zij zouden niks willen veranderen.
Uit het onderzoek van Palmer (1996) bleek dat slechts een minderheid van
de ouders was betrokken bij het voorbereiden van de kinderen op de scheiding met hun ouders als gevolg van
een uithuisplaatsing. Uit de interviews is ook niet naar voren gekomen dat de jongeren door hun ouders
werden voorbereid. Anet vertelde bijvoorbeeld dat ze dezelfde dag, waarop ze te horen kreeg dat ze uit huis
geplaatst werd, weg moest. Ze had daardoor ook geen tijd om afscheid te nemen van familie. Max vertelde wel
dat hij door zijn oude school werd voorbereid op het feit dat hij uit huis geplaatst werd. Daar hadden ze
een kalender gemaakt waarop stond wanneer hij weg ging.
Uit de literatuur (Davidson-Arad e.a., 2003; Usher, e.a., 1999) blijkt
dat waar een jongere het beste geplaatst kan worden zowel afhankelijk is van de kwaliteit van de plek als
van de jongere zelf. Dat is ook gebleken uit de interviews. Sanne geeft duidelijk aan dat een pleeggezin
niks voor haar is. Zij vindt het moeilijk om met twee mensen, die je elke dag ziet, een band op te bouwen.
Anet, die in een gezinshuis woont, geeft juist aan dat ze het fijn vindt om twee vaste mensen te hebben die
voor je zorgen.
Twee aandachtspunten die de geïnterviewde jongeren belangrijk vonden om
andere mensen mee te geven waren dat een uithuisplaatsing niet alleen aan de jongere ligt en dat andere
mensen niet moeten oordelen over uit huis geplaatste jongeren. Een aantal jongeren had het gevoel dat andere
mensen de jongeren als schuldige aanwijzen. Sanne vertelde over een man uit een snackbar die de jongeren uit
de leefgroep “schorum” noemde. Knorth (1983) schreef hier ook over. Hij zei dat het risico van
tehuisjongeren is dat ze gestigmatiseerd worden in de maatschappij.
Het grootste probleem waar de onderzoekers tegenaan liepen was het
werven van respondenten. In eerste instantie was het de bedoeling om uit huis geplaatste, onder toezicht
gestelde kinderen in de leeftijd van 8 - 12 jaar, te interviewen. De reden hiervoor was dat deze
leeftijdsfase, die in de psychoseksuele ontwikkelingstheorie van Freud de latentiefase genoemd wordt, een
rustige periode is, waarin het kind zich vooral op sociaal en cognitief gebied probeert te ontwikkelen. Het
was moeilijk om aan respondenten te komen, omdat er toestemming nodig was van verschillende partijen.
Voordat een jongere geïnterviewd kon worden was er allereerst toestemming nodig van de gezinsvoogd en van
één of beide ouders van de jongere. Daarnaast moest, afhankelijk van de woonplek van het kind of de jongere,
toestemming gevraagd worden aan de pleegouders, gezinshuisouders of groepsleiding van een leefgroep. Bovendien moesten de jongeren zelf
natuurlijk ook instemmen met het interview. Kim was de enige bij wie alleen toestemming aan haar zelf
gevraagd hoefde te worden, omdat zij een bekende is van één van de onderzoekers. De contacten met de
andere jongeren zijn gelegd via gezinsvoogden van Bureau Jeugdzorg. Een aantal van deze gezinsvoogden kenden
de onderzoekers uit een eerder onderzoek. Het contact met de andere gezinsvoogden is via deze gezinsvoogden
tot stand gekomen en door de contacten die één van de onderzoekers had bij Bureau Jeugdzorg vanwege haar
stage bij Bureau Jeugdzorg. Het werven van respondenten ging moeizamer dan
verwacht. Het was soms moeilijk om de gezinsvoogden te bereiken. Verder hadden de gezinsvoogden vaak geen
geschikte respondenten of tijd om mee te werken. Ook kostte het vaak tijd en moeite om toestemming te
krijgen van de ouders van de jongeren. Daarom zijn alle jongeren die geïnterviewd konden worden, ook
geïnterviewd. Dit dus ondanks dat de leeftijd niet altijd overeen kwam met het vooropgestelde plan. De tien
respondenten die uiteindelijk geïnterviewd zijn bevonden zich in de leeftijd van 10 - 18
jaar.
Bas, de oudste geïnterviewde jongere, was ten tijde van het interview niet uit huis
geplaatst maar woonde zelfstandig. Ondanks dat de doelgroep uit huis geplaatste
jongeren zijn, is er toch voor gekozen om hem te interviewen. Bas heeft wel een uithuisplaatsing
meegemaakt en heeft op verschillende plekken tijdelijk gewoond. Hij heeft dus wel over zijn ervaringen en
belevingen omtrent deze plaatsingen kunnen vertellen, wat waardevolle
informatie heeft opgeleverd.
Tijdens het interview van Bas deed de opname apparatuur het slechts
gedeeltelijk. Hierdoor zijn stukken van zinnen weggevallen. Het interview is meteen na het gesprek
uitgewerkt door de onderzoeker die het interview had afgenomen. De zinnen die wel te verstaan waren op de
band zijn toen uitgetypt in zwart. Deze zinnen zijn door de onderzoeker aangevuld met blauwe tekst. Doordat
het interview meteen na afname is uitgewerkt, kon de interviewer zich nog veel herinneren. Omdat er toch nog
veel te verstaan was, hebben de onderzoekers geconcludeerd dat het interview wel bruikbaar is voor het
onderzoek. Tijdens de analyse is zo min mogelijk gebruik gemaakt van de aangevulde, blauwe tekst.
Zoals in paragraaf 3.2.2 al besproken is zou blijken dat na 25 tot 30
interviews geen nieuwe informatie over een bepaald onderwerp naar voren komt. Het punt van verzadiging is
dan dus bereikt. Bij onderzoeken met specifiekere probleemstellingen zouden 15 tot 25 interviews al
voldoende zijn. Dit onderzoek bestaat uit tien interviews. De vraag is of tien respondenten voldoende zijn
om het onderzoek als representatief te kunnen beschouwen. Daarbij telt ook mee dat er tussen die tien
respondenten nogal wat variatie was, met name met betrekking tot leeftijd en woonsituatie. De onderzoekers
hadden na vijf interviews wel het gevoel dat het verzadigingspunt al voor een deel bereikt was. De
steekproefgrootte van tien, lijkt voor dit onderzoek dus niet te veel weinig.
Omdat een select aantal jongeren is onderzocht, is het onderzoek beperkt
extern valide. Een onderzoek is extern valide wanneer de resultaten ook geldig zijn onder andere
omstandigheden, op andere tijden, op andere plaatsen en bij nadere subjecten of objecten dan die welke de
eenheden van onderzoek zijn (’t Hart e.a., 1996). Met de onderzoeksgegevens die in dit onderzoek gevonden
zijn kan geen uitspraak worden gedaan of het geldig is bij alle onder toezicht gestelde en uit huis
geplaatste jongeren. De onderzoeksresultaten kunnen dus niet statistisch gegeneraliseerd worden, maar dat
is ook niet de opzet bij kwalitatief onderzoek. De respondenten wonen allemaal in de provincie
Gelderland. Het zou kunnen zijn dat de onder toezicht gestelde jongeren die uit huis geplaatst zijn in
andere provincies ook andere belevingen hebben. Verder hebben de onderzoekers respondenten toegewezen
gekregen via een aantal gezinsvoogden. Deze gezinsvoogden hebben zelf een selectie gemaakt van jongeren
waarvan zij dachten dat die wel geschikt waren voor deelname aan het onderzoek. Hierdoor zijn bepaalde
jongeren buitengesloten van onderzoek, wat ook invloed heeft op de externe validiteit.
Inhoudelijke generalisatie is daarentegen wel mogelijk. Bij inhoudelijke
generalisatie gaat het om de vergelijkbaarheid op hoofdlijnen van de onderzoekssituaties met mogelijke of
beoogde situaties die niet zijn onderzocht. Inhoudelijke generalisatie kan dus opgevat worden als het
generaliseren op basis van vergelijkbaarheid, toepasbaarheid en bruikbaarheid naar soortgelijke situaties
(’t Hart e.a., 1996). Onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren, anders dan die van de
onderzoeksgroep, zullen herkenning vinden in de verhalen van de jongeren van de onderzoeksgroep en zich met
hen identificeren.
Wat verder nog opvallend was, is dat de jongeren ondanks wat er met hen
gebeurd is heel loyaal blijven aan hun biologische ouders. Bas vertelde in het interview dat hij door zijn
moeder het huis is uitgezet en dat hij haar in eerste instantie de schuld gaf van alles. Toen hij op een
gesloten leefgroep geplaatst was, werd zijn moeder buiten gesloten, omdat zij niet meer de directe zorg voor
haar kind had. Bas is daar verontwaardigd over en gaf aan dat als zijn moeder er niet geweest was, er niks
geregeld was. Zij ging overal achteraan. Zijn moeder is dus heel belangrijk voor Bas. Ondanks het feit dat
zijn moeder degene was die Bas het huis heeft uitgezet, blijft hij loyaal aan haar. Een ander voorbeeld is
dat van Sanne die haar oudersdoor de uithuisplaatsing twee jaar niet gezien
heeft. Sinds kort heeft ze weer contact met hen.Zij gaf aan dat zij het haar ouders niet kwalijk
neemt, omdat ze niet helemaal gezond waren. Maar ook uit het verhaal van Marykate blijkt de
loyaliteitsgevoelens van jongeren ten opzichte van hun ouders. Marykate werd vroeger geslagen door haar
vader wanneer hij dronken was. Dit was de oorzaak van allerlei problemen voor Marykate. Toch geeft ze aan
dat haar vader “een beste kerel” is en ook “echt heel lief” is als hij niet drinkt. Chantal gaf ook aan dat drank de
reden is van het feit dat haar moeder soms de dingen niet meer zo goed weet.
Binnen de groep respondenten van 10 tot 18 jaar kan een verschil in
beleving veroorzaakt worden doordat er na het twaalfde jaar psychologische veranderingen ontstaan, die
kenmerkend zijn voor de adolescentiefase (van Beemen, 1995).
De onderzoekers hebben niet echt gemerkt dat er een verschil in beleving is tussen de jongeren
van verschillende leeftijden. Wel is naar voren gekomen dat jongeren in de loop van de tijd anders tegen
dingen aan kunnen gaan kijken. Verder was de manier van praten van de jongere kinderen soms wat
kinderlijker dan van de rest. Dit was echter soms ook te merken bij de jongeren met een wat lager
verstandelijk niveau.
De probleemstelling van dit onderzoek luidt: “Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van tien tot achttien jaar het
feit dat zij uit huis geplaatst zijn?”. Om hier antwoord op te kunnen geven zullen hieronder eerst de
onderzoeksvragen behorende bij deze probleemstelling beantwoord worden.
De eerste onderzoeksvraag betreft de vraag “welke redenen van uithuisplaatsing door de onder toezicht gestelde jongeren
worden aangegeven”. Hoewel de reden van uithuisplaatsing bij alle jongeren heel verschillend is, geven
de meeste jongeren een reden aan die te maken heeft met de problemen van hun ouders. In een aantal gevallen
heeft de reden te maken met de jongere zelf. De problemen die genoemd worden zijn verwaarlozing,
lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik, verslavingsproblemen van ouders, crimineel gedrag en
opvoedings- en gedragsproblemen. “Hoe de uithuisplaatsing door de
onder toezicht gestelde jongeren beleefd wordt” is de tweede onderzoeksvraag. Over het algemeen kan
gezegd worden dat de meeste uithuisplaatsingen vrij snel plaatsvonden, nadat het bekend was geworden en zonder veel voorbereiding vooraf. De jongeren hebben de
uithuisplaatsing als een ingrijpende en pijnlijke gebeurtenis beleefd, ook al realiseerden sommige
jongeren zich ook wel dat het thuis niet goed ging.Vaak ging het uit huis geplaatst worden gepaard met
conflicten thuis en ging de gezinsvoogd mee naar de nieuwe plek. De derde onderzoeksvraag gaat over die
nieuwe plek en luidt: “Waar hebben de onder toezicht gestelde
jongeren gewoond na hun uithuisplaatsing, waar wonen zij nu en hoe beleven zij deze plekken?”. De
meeste jongeren gingen vanuit hun thuissituatie naar een pleeggezin, gezinshuis of leefgroep. Tijdens het
interview woonden drie jongeren in een pleeggezin, drie in een gezinshuis en drie op een leefgroep. Eén
jongere woonde inmiddels zelfstandig. De meeste jongeren hebben meer plaatsingen meegemaakt. Over het
algemeen zijn de volgende tendensen waargenomen; voor de jongeren uit dit onderzoek waarvan de huidige
woonsituatie een pleeggezin is, is dat hun enige plaatsing. De jongeren uit het onderzoek die momenteel
in een leefgroep wonen, hebben hiervoor een pleeggezin plaatsing gehad. De jongeren die nu in een
gezinshuis wonen, hebben voor deze plaatsing in een leefgroep gewoond. Een pleeggezin en een gezinshuis
lijken qua samenstelling het meest op een “gewoon” gezin. Wel zijn er vaak meer regels dan thuis. De
meeste jongeren zijn erg positief over hun verblijf in het pleeggezin of gezinshuis. Voor een aantal
jongeren is het echter moeilijk om een relatie aan te gaan met de pleeg- of gezinshuisouders. Het
grootste verschil tussen een pleeggezin of gezinshuis en een leefgroep is dat er op een leefgroep elke
dag andere verzorgers zijn. Dit vinden de meeste jongeren minder fijn dan twee vaste verzorgers. Jongeren
die moeite hebben met het aangaan van relaties, geven echter de voorkeur aan wisselende groepsleiding. De
regels op een leefgroep worden door de jongeren explicieter genoemd. De meeste jongeren hebben moeite met
deze regels.
De vierde onderzoeksvraag betreft de vraag “welke
gevoelens een rol spelen bij onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren”. De gevoelens van de jongeren zijn heel divers en tegenstrijdig en
veranderen in de loop van de plaatsing. De jongeren geven aan dat ze kwaad waren,
verlegen waren, dat ze het leuk vonden, vreemd vonden of erg moesten wennen aan met name de
groepsgenootjes. Gevoelens van machteloosheid werden door een aantal jongeren ervaren. Zij hebben niet
altijd het gevoel dat ze zelf iets in te brengen hebben. Sommige jongeren verzetten zich er actief tegen,
anderen leggen zich erbij neer. Een uithuisplaatsing wordt niet door alle jongeren zonder meer als
negatief ervaren.
“Met welke hulpverleners de onder toezicht gestelde
jongeren contact hebben en hoe zij deze contacten beleven” is de vijfde onderzoeksvraag. De jongeren
hebben sinds de ondertoezichtstelling vaak verschillende gezinsvoogden gehad. Sommige jongeren vinden dat
de gezinsvoogd te veel jongeren op zijn of haar caseload heeft en daardoor te weinig tijd heeft,
anderen hebben geen behoefte aan meer contact met hun gezinsvoogd. De jongeren die in een
pleeggezin wonen hebben ook te maken met een pleeggzorgwerker. Naast
contact met hulpverleners hebben de uit huis geplaatste jongeren ook te maken met de dagelijkse zorg van
beroepsopvoeders; de pleegouders, gezinshuisouders en groepsleiding. Hierover gaat de zesde
onderzoeksvraag: “Hoe beleven de onder toezicht gestelde en uit
huis geplaatste jongeren het contact met de beroepsopvoeders?”. De meeste
jongeren zijn positief over hun contact met hun pleegouders. De jongeren die moeite hebben met het
aangaan van relaties, vinden het juist negatief. Hoewel het contact met de gezinshuisouders niet altijd
goed verloopt en de jongeren een ander soort liefde beschrijven dan die van hun ouders, zijn de jongeren
over het algemeen ook positief over de gezinshuisouders. Op een leefgroep wordt met name het
contact met de mentor als positief ervaren en met invallers als
negatief. Het contact met de overige groepsleiding wordt door de jongeren verschillend ervaren,
evenals het elke dag wisselen van de groepsleiding.
“Hoe beleven de onder toezicht
gestelde en uit huis geplaatste jongeren (het contact met) hun gezin van
herkomst?” is de zevende onderzoeksvraag. Het contact tussen de
jongeren en hun biologische ouders is verschillend. Over het algemeen vinden de jongeren het contact met hun
ouders wel leuk. Een aantal jongeren wil geen contact meer met zijn of haar vader en/of moeder. Ook wordt
aangegeven dat het contact leggen soms moeilijk is, dat contact opgebouwd moet worden, dat er niet altijd
meer vertrouwen is, dat teveel contact niet goed is en dat het wennen is. Bij alle jongeren is
eigenlijk wel duidelijk dat zij niet meer bij hun biologische vader of moeder zullen gaan wonen. De meeste
jongeren zien hun broertjes en zusjes niet zo vaak en vinden dat wel jammer.
De achtste onderzoeksvraag is de vraag “hoe de onder toezicht gestelde en uit huis geplaatste jongeren hun toekomst
zien en wat voor wensen ze hebben”. Deze jongeren hebben net als andere jongeren bepaalde
toekomstbeelden. Door wat de jongeren hebben meegemaakt, hebben ze vaak duidelijke ideeën over wat zij later
anders zouden doen dan hun ouders. De wensen die de jongeren hebben, hebben onder andere betrekking op
relatie met hun ouders, op de jongeren zelf en op andere jongeren.
“Wat vinden de onder toezicht
gestelde en uit huis geplaatste jongeren belangrijk dat andere mensen weten over onder toezicht gestelde
jongeren?” is de laatste onderzoeksvraag. Mensen moeten weten dat de uithuisplaatsing niet alleen de
schuld is van de jongeren. Andere mensen moeten dus niet oordelen over uit huis geplaatste jongeren. Zij
moeten juist rekening houden met uit huis geplaatste jongeren, zodat jongeren meer invloed hebben op wat er
met hun gebeurt. Een aantal jongeren geeft aan het ook belangrijk te vinden dat anderen weten hoe het voelt
om uit huis geplaatst te zijn. Tenslotte is het belangrijk dat andere mensen weten dat eigen ouders
belangrijk blijven, ook worden de jongeren door andere mensen opgevoed. Jongeren blijven ondanks alles
meestal loyaal ten opzichte van hun biologische ouders.
Na het bespreken van de onderzoeksvragen wordt nu antwoord gegeven op de probleemstelling
“Hoe beleven onder toezicht gestelde
jongeren van tien tot achttien jaar het feit dat zij uit huis geplaatst zijn?”
De meeste onder toezicht gestelde jongeren ervaren de uithuisplaatsing als een pijnlijke en ingrijpende
gebeurtenis. Sommige jongeren zien de noodzaak van de uithuisplaatsing in en kunnen na een tijdje wel
positief terugkijken op de uithuisplaatsing. Die jongeren vinden dat hun uithuisplaatsing een reden heeft
gehad en niet voor niets is geweest. Ze hebben er als het ware vrede mee. Veelal is de uithuisplaatsing
veroorzaakt door problemen van de ouders en soms door henzelf. Na de uithuisplaatsing hebben de meeste
jongeren op meerdere plekken gewoond. De plekken waar de jongeren nu wonen zijn voornamelijk
pleeggezinnen, gezinshuizen en leefgroepen. De jongeren ervaren de plek
waar ze nu wonen als positief en passend bij hun. Ook de contacten die de jongeren met hun huidige
beroepsopvoeders hebben, worden in meeste gevallen als positief ervaren. Er is vaak weinig contact tussen
de jongeren en hun gezinsvoogd en dit wordt zowel positief als negatief ervaren. De meeste jongeren
hebben nog wel contact met hun ouders en vinden dit over het algemeen ook
leuk. Een aantal jongeren wil geen contact met hun vader of moeder. Tenslotte hebben de jongeren
doordat wat zij hebben meegemaakt in hun leven, vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden
doen als hun ouders.
In dit onderzoek is gekeken naar de beleving van uit huis geplaatste en onder toezicht gestelde
kinderen en jongeren in de leeftijd van tien tot achttien jaar. Deze leeftijd is bepaald aan de hand van
het aantal beschikbare respondenten. In een volgend onderzoek zou een specifiekere leeftijdsgroep
onderzocht kunnen worden. Bijvoorbeeld kinderen die zich in de leeftijd van acht tot twaalf jaar
bevinden, de zogenaamde latentiefase. In deze fase speelt de puberteitsontwikkeling nog geen belangrijke
rol. Ook hebben deze kinderen over het algemeen minder plaatsingen meegemaakt en kunnen zij hun
uithuisplaatsing misschien beter herinneren.
Het aantal geïnterviewde respondenten is ook bepaald door het aantal beschikbare respondenten
en door het tijdsbestek. Voor kwalitatief onderzoek is het niet noodzakelijk om een groot
aantalrespondenten in het onderzoek te betrekken. Na een aantal interviews zijn er voldoende gegevens
verzameld. Nieuwe interviews voegen dan geen relevante informatie meer toe. De onderzoeker hadden zelf
het idee, zoals reeds in de discussie vermeld, dat na vijf interviews het verzadigingspunt al voor een
deel bereikt was. Uiteindelijk zijn tien respondenten geïnterviewd. Door echter dit onderzoek te herhalen
met een groter aantal respondenten ontstaat er een meer representatieve steekproef. In een volgend
onderzoek zou ook gekeken kunnen worden of de beleving van jongeren uit een leefgroep erg verschilt van
jongeren die in een pleeggezin of gezinshuis geplaatst zijn.
Dit onderzoek heeft zich gericht op jongeren die geplaatst zijn op drie soorten plekken,
namelijk een pleeggezin, een gezinshuis en een leefgroep. Er is niet onderzocht of jongeren, die op een
bepaalde soort plek geplaatst worden, bepaalde kenmerken hebben. In een volgend onderzoek kan hier
specifieker naar gekeken worden, zodat duidelijk wordt welke verschillen en overeenkomsten er zijn met
betrekking tot bijvoorbeeld kenmerken en ervaringen tussen jongeren in een pleeggezin, gezinshuis en
leefgroep. Ook zou gekeken kunnen worden naar andere soorten plekken dan een pleeggezin, gezinshuis of
leefgroep.
De onderzoekers hebben zelf als vooronderzoek van dit onderzoek onderzocht hoe gezinsvoogden de
uithuisplaatsing van onder toezicht gestelde jongeren beleven. Zowel dat onderzoek als dit onderzoek
dragen bij tot een groter inzicht in het onderwerp uit huis geplaatste jongeren. Het vergroten van kennis
over een bepaald onderwerp is ook het doel van kwalitatief onderzoek dat uitgaat van een holistische
benadering. Om de kennis over dit onderzoek nog meer te vergroten kan bijvoorbeeld ook een specifiek
onderzoek gedaan worden naar hoe onder toezicht gestelde jongeren hun gezinsvoogd beleven. Ook kan
onderzocht worden hoe vrijwillig uit huis geplaatste jongeren in plaats van onder toezicht gestelde
jongeren het beleven om uit huis geplaatst te zijn.
De probleemstelling die in dit onderzoek centraal stond was de volgende:
“Hoe beleven onder toezicht gestelde jongeren van 10 tot 18 jaar het feit dat zij uit huis geplaatst
zijn”? Deze probleemstelling is opgesplitst in negen onderzoeksvragen. Antwoorden op deze
onderzoeksvragen zijn gevonden door middel van een kwalitatief onderzoek, waarbij tien jongeren zijn
geïnterviewd. Bij deze jongeren hebben de onderzoekers een zogenaamd open interview afgenomen. Uit deze
interviews zijn verschillende resultaten naar voren gekomen. De belangrijkste
conclusies die daaruit getrokken kunnen worden zijn de volgende; Onder toezicht gestelde jongeren
ervaren de uithuisplaatsing meestal als een pijnlijke en ingrijpende gebeurtenis. Na een tijd uit huis
geplaatst te zijn, kunnen sommige jongeren er wel positief op terugkijken. Ze vinden dat hun
uithuisplaatsing een reden heeft gehad en niet voor niets is geweest. Veelal is de uithuisplaatsing
veroorzaakt door problemen van de ouders en soms door henzelf. Na de
uithuisplaatsing hebben de meeste jongeren op meerdere plekken gewoond en ervaren ze de plek waar ze nu
wonen als positief en passend bij hun. De plekken waar de jongeren nu wonen zijn voornamelijk pleeggezinnen,
gezinshuizen en leefgroepen. Ook de contacten die de jongeren met hun huidige beroepsopvoeders hebben
worden in meeste gevallen als positief ervaren.
Er is vaak weinig contact tussen de jongeren en hun gezinsvoogd en dit wordt zowel positief als negatief
ervaren. De meeste jongeren hebben nog wel contact met hun ouders en vinden dit ook leuk. Een aantal
jongeren wil geen contact met hun vader of moeder. Ten slotte hebben de jongeren doordat wat zij hebben
meegemaakt in hun leven, vaak duidelijke ideeën over wat zij later anders zouden doen als hun
ouders.
· Adam, E.K. & Chase-Lansdale, L. (2002). Home sweet home(s): Parental Separations, Residential Moves, and Adjustment Problems in
Low-Income Adolescent Girls. Developmental
Psychology, 38(5), 792-805.
· Baarda, D.B. & Goede, M.P.M., de (2001). Basisboek
Methoden en Technieken; handleiding voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek. Groningen: Stenfert
Kroese.
· Baarda, D.B. & Goede, M.P.M., de (1995). Basisboek Methoden en Technieken: Praktische
handleiding voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek. Groningen: Stenfert Kroese.
· Baarda, D.B., Goede, M.P.M., de, & Meer-Middelburg, van der (2000). Basisboek Open Interviewen; praktische
handleiding voor het voorbereiden en afnemen van open interviews. Groningen: Stenfert Kroese.
·
Baarda, D.B., Goede, M.P.M., de & Teunissen, J. (2001). Basisboek KwalitatiefOnderzoek; praktische handleiding voor het opzetten en
uitvoeren van kwalitatief onderzoek. Groningen: Stenfert Kroese.
· Beemen, L. van (1995). Ontwikkelingspsychologie.
Groningen: Wolters-Noordhoff.
·
Brady, K.L. & Caraway, S.J. (2002). Home away from home: factors associated with current
functioning in children living in a residential treatment setting. Child Abuse & Neglect, 26(11), 1149-1163.
·
Bruyn, E.E.J., de, Pameijer, N.K., Ruijssenaars, A.J.J.M. & Aarle, E.J.M., van
(2001). Diagnostische besluitvorming;
handleiding bij het doorlopen van de diagnostische cyclus.Leuven / Amersfoort: Acco.
·
Craig, W. (2002). Childhood Social Development; the
essential readings. Oxford: Blackwell Publishers.
·
Davidson-Arad, B., Englechin-Segal, D. & Wozner, Y. (2003). Short-term follow up of
children at risk: comparison of the quality of life of children removed from home and children remaining
at home. Child Abuse & Neglect, 27(7), 733-750.
· Dullens, G. (2002). Situatie na twee jaar OTS: 28 procent beter, maar 33 procent slechter
[elektronische versie]. Perspectief, 1. Gevonden op 17
november 2003, op http://www.
justitie.nl/publicaties/tijdschriften/perspectief/2002_1.asp?ComponentID=33713&SourcePageID=33838.
·
Flick, U.(1998). Coding and categorizing. In : An
introduction to qualitative research (p.178-192). Londen: Sage.
· Haeringen, C.B., van (1977). Kamers' Nederlands
Woordenboek. Amsterdam / Brussel: Elsevier.
·
Hak, T. & Wester, F. (2003). De methodologie van kwalitatief onderzoek. KWALON 23, 8 (2), 7-24.
·
Hart, H., ‘t, Dijk, J., van, Goede, M., de, Jansen, W. & Teunissen, J. (2001).
Onderzoeksmethoden. Amsterdam;
Boom.
· Hout, A., van & Spinder, S. (2002). Onderzoeken, onderzoeken, onderzoeken…Mobiel, 3, 21-22.
· Jansen, M.G. & Oud, J.H.L. (1993). Residentiele
hulpverlening geëvalueerd. Een onderzoek naar de ontwikkeling en het behandelingsverloop van residentieel
opgenomen jeugdigen. Nijmegen: Instituut voor Orthopedagogiek.
·
Jivanjee, Ph. D. P. (1999). Parent Perspectives on Family Involvement in Therapeutic foster Care. Journal of Child and Family studies, 8(4), 451-461.
· Kievit, T., Wit, J., de, Groenendaal, J.H.A. & Tak, J.A. (1998). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen.
Maarssen: Elsevier/ De Tijdstroom.
·
Knorth, E.J. (1983). Ingenomen
met Opname? Ervaringen van jongeren met de opname in een tehuis. Leiden:
Klop-Reeks.
· Leslie, L.K., Landsverk, J. Horton, M.B., Ganger, W. & Newton, R.R. (2000). The Heterogeneity of Children and their Experiences in Kinship Care. Child Welfare, 79(3), 315-338.
·
Lieshout, M. van (2003). Balanceren tussen snel en zorgvuldig; op pad
met de Raad voor de Kinderbescherming-1. Nulvijfentwintig;
Tijdschrift over Jeugdwelzijn, Jeugdzorg en Jeugdbeleid, 8(3), 13-17.
· Linden, A.P. van der, Siethoff, F.G.A. ten & Zeijlstra-Rijpstra, A.E.I.J. (2001). Jeugd en recht. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
· Matthijs, M. & Vincken, M. (1997). De zorg voor de
jeugd. Utrecht: NIZW Uitgeverij.
· Nieuwenhuis, J.H., Stolker, C.J.J.M. & Valk, W.L. (2001). (red.). Burgerlijk Wetboek, boeken
1,2,3, en 5. Deventer: Kluwer.
· Nijnatten, C. (1999). Handboeken Jeugdzorg.Houten: Bohn
Stafleu Van Loghum.
· Ooyen-Houben, M.M.J., van (1991). De ontwikkeling van jonge
kinderen na een uithuisplaatsing. Maastricht: Datawyse.
· Overmeer, H. (2002). Het belang van het kind: van belang voor de sector jeugdbescherming…!?
[elektronische versie]. Perspectief, 2. Gevonden op 17
november 2003, op http://www.justitie.nl/publicaties/tijdschriften/perspectief/Het belang van het kind belang
jeugdbescherming.asp?ComponentID=33816&SourcePageID=33838#1.
·
Palmer, S.E. (1996). Placement Stability and Inclusive Practice in Foster Care: An Emperical Study. Children and Youth Services Review, 18(7), 589-601.
· Reith, W. (2003).Moraal en gezag. Utrecht: Uitgeverij de Graaff.
· Rispens, J., Goudena, P.P. & Groenendaal, J.J.M. (2001). Preventie van psychosociale
problemen bij kinderen en jeugdigen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
·
Sastre, M.T.M. & Ferriere, G. (2000). Family “decline” and the subjective well-being of
adolescents. Social Indicators Research, 49(1),
69-82.
·
Usher, C.L., Randolph, K.A. & Gogan, H.C. (1999). Placement Patterns in Foster Care.
Social Service Review, 73(1), 22-36.
· Voorjans, V.H.C. (1996). Uit huis geplaatste adolescenten:
gezins- en psychosociale problematiek. Utrecht.
· Wenar, C. & Kerig, P. (2000). Develomental Psychopathology; from infancy through adolescence. Singapore: Mc Graw Hill.
·
Well, G., van (1998). Pleegzorgvademecum voor
pleeggezinnen, begeleiders en plaatsers. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen
(NVP).
-
De omschrijving van een gezinsvoogd. Gevonden op 24 november 2003, op http://www.kinderhulp.nl/indexb.html
-
De beschrijving van de functie van een gezinsvoogd. Gevonden op 13 maart 2004, op
http://infobalie.postbus51.nl/SRVS/CGI-BIN/WEBISAPI.dll?New,Kb=Postbus51,
Company={C754CE8F-BD94-49A3-A0FE-75FD29638E68},ts=eCustomer,Case=obj
(7319)
-
Informatie over ondertoezichtstelling. Gevonden op 14 maart 2004, op
http://infobalie.postbus51.nl/SRVS/CGI-BIN/WEBISAPI.dll?New,Kb=Postbus51,
Company={C754CE8F-BD94-49A3-A0FE-75FD29638E68},ts=eCustomer,Case=obj
(7297), (7303), (7311), (7323).
-
(1998). De 50 meest gestelde vragen over pleegzorg…
en uw keuze. Diemen: Landelijk Bureau Voorlichting van de Federatie Pleegzorg.
-
Cijfers van het CBS. Gevonden op 23 maart 2004, op
http://statline.cbs.nl/StatWeb/Table.asp?STB=G2&LA=nl&DM=SLNL&PA=37900&D1=0,5,10&D2=0&D3=a,!0&D4=a&HDR=T,G3&LYR=G1:0
-
Beschrijving van een gezinshuis. Gevonden op 13 augustus 2004, op http://www.gezinshuis.solcon.nl/gezinshuizen.htm
en http://www.mobiel-pleegzorg.nl/
archief/1999/mo99124.htm