Verhaaltje
Zo maar een stukje uit de cursus ‘Emotionele ontwikkeling bij jonge kinderen’ Baby’s met
een hoger EQ dan grote mensen Het is gangbaar tegenwoordig naast het IQ een EQ te onderscheiden. Emotionele
intelligentie wordt belangrijk gevonden. Het gaat dan onder andere om kennis van eigen emoties, het
controleren van eigen emoties, kennis van emoties bij anderen en het inzetten van die kennis in persoonlijke
en zakelijke relaties. In het bedrijfsleven worden uitgebreide trainingen verzorgd in het ontwikkelen van een
hoger EQ. Moeten we dat leren dan, emotionele intelligentie? Zijn we het kwijtgeraakt onderweg? In elk geval
waren we er als heel klein baby’tje ooit al verschrikkelijk goed in. Baby’s kunnen al snel heel verschillende
emoties in hun gezicht en lijf uitdrukken. En boos, blij, angstig en gespannen bij de verzorgers word
feilloos ‘aangevoeld’. Begin met een baby op schoot een vervelend telefoongesprek en de kans is vrij groot
dat het kindje gaat huilen. En als we met z’n drieën aan tafel ineens de slappe lach krijgen, lacht en kraait
het meisje van ruim een half zo maar vrolijk mee. ‘Resoneren’ ( zonder bedoeling meeklinken) heet dat in de
cognitieve psychologie van Piaget, want het kind kan nog helemaal niets weten van gevoelens. Volgens het
Behaviorisme is het gewoon handig geprogrammeerd instinct waarmee de aandacht op het kind gevestigd wordt.
Maar hoe zit het dan met de peutertjes die op anderhalfjarige leeftijd de uit het wagentje gevallen pop
‘gevoelvol’ terugleggen? Bestaat er reparatiegedrag zo jong of is het gewoon sociale imitatie? En het kindje
dat mama ziet huilen, grote zus naar mama toetrekt met de woorden: mama kus geven. Troostgedrag of toch
gewoon namaak? Wat te denken van het kind van twee dat kadootjes krijgt en die kadootjes vervolgens spontaan
gaat uitdelen aan de rest van het gezelschap?! Dat klopt toch helemaal niet met de theorie? De nieuwe
babywetenschap ( vanaf ongeveer 1980) zet de klassieke ontwikkelingspsychologische theorieën zoals de
cognitieve theorie, leertheorie, psychoanalyse en hechtingstheorie totaal op hun kop. Sylvia Nossent toonde
acht jaar geleden in haar proefschrift ‘Een beweeglijke psyche’ overtuigend aan dat de cognitieve, sociale en
emotionele capaciteiten van zeer jonge kinderen lange tijd zwaar onderschat zijn ( door wetenschappers,
ouders wisten al eerder beter). Baby’s komen niet in een psychische nultoestand ter wereld; ze zijn als het
ware ‘voorgevormd aangepast’ , cognitief, sociaal en emotioneel. Uit recent onderzoek blijkt dat baby’s een
psychisch actieve interesse in andere mensen vertonen, in het bijzonder in de primaire verzorger: vaak de
moeder. Al in de eerste week kan voorkeur ontstaan voor het gezicht van de moeder, stem en geur van moeder
worden al na een paar dagen onderscheiden van andere stemmen en geuren. Veel eerder dan aanvankelijk gedacht
werd, heeft de baby door of er een bekende bij de wieg staat of niet. Exclusieve hechting kan dus veel eerder
plaatsvinden dan de nog vaak gehanteerde grens van zes maanden. Als de emotionele vermogens zo vroeg al zo
complex aanwezig zijn, wordt het des te interessanter na te denken over hoe daar in de peuter- en kleutertijd
op doorgegaan wordt door kinderen zèlf en hun ouders! We zullen er in onze cursus ruim aandacht aan schenken.
Hoe dan ook staat vast dat we bij de ontwikkeling van een hoger eq het beste veel naar heel jonge kinderen
kunnen kijken: dat komt zowel de kinderen als onszelf ten goede.
Dr. Karel J. Mulderij
|